Tweelingbroers (deel 1).

Het verhaal is een bewerking van de geschiedenis van Jacob en Esau (Sjemot/Genesis 25:20 ev), nu geplaatst ergens in de 19e eeuw. De universaliteit van het verhaal komt daardoor meer naar voren. De nadruk valt op de ommekeer van Jacob (geest), die zijn misleidingen onder ogen ziet, de angst voor het geweld van zijn broer (lichaam) onder ogen ziet en tenslotte komt tot verzoening.

Deel I. Een kom met linzensoep.

In de tijd dat de stoomtrein pas reed en gaslampen nog voor de verlichting zorgden, zat Jaco peinzend achter de eenvoudige tafel in de wachtkamer van het eenzaamste stationnetje dat hij ooit had gezien, niet meer dan een kamer  grenzend aan het perron met wat houten banken, een tafel en twee stoelen. Het was eigenlijk een uitbouw van de woning van de stationschef, die er ook een kroeg runde en twee kamers ter beschikking had voor gasten.
Jaco was de enige gast, net aangekomen met de boemeltrein die hier zijn eindpunt had, een dorp in de grensprovincie. Morgen zou hij lopend  de laatste etappe afleggen naar het grote landgoed, dat zijn  hoogbejaarde vader als bestuurder uit naam van de koning beheerde.  Een gaslamp brandde en zorgde voor lichtplekken en lange schaduwen.  De man wandelde  de sobere wachtkamer rond en zijn blik ving een spiegel, die wat verweerd deel uitmaakte van een kapstok. Een gezicht keek hem aan, mager, bleek, wat ingevallen. Dat ben ik, dacht Jaco.
StationnetjeDe stationschef, een dikke man met een druipsnor en een bromstem kwam binnen.
– Een ordonnans van het leger heeft een brief voor u bezorgd.
Jaco nam de brief aan scheurde nerveus de envelop open. Het epistel was snel gelezen. Er stond maar één regel: ‘ik hoorde dat je in de buurt was en verwacht je in de herberg in het dorp’  en daar stond de naam van een dorp, dat een paar mijl verderop lag. Onder die mededeling stond een handtekening, waar een streep onder stond in de vorm van een dolk. Het hart zonk Jaco in de schoenen. Voor de aankomst  bij zijn ouders wachtte hem nog een ontmoeting met  de schrijver van deze uitnodiging die eigenlijk een bevel was,  een ontmoeting waar Jaco met vrezen en beven tegenop zag. De schrijver was zijn broer, zijn broer Edo, die hem tegemoet was gereisd. Jacob voelde zijn knieën slap worden en ging zitten.
In een flits zag hij het verleden voorbij schieten, een flits die korter duurde dan de tijd die  het kost om het te vertellen.

Edo was zijn tweelingbroer. In  de baarmoeder van hun moeder hadden ze in vrede met elkaar geleefd, totdat tegen het einde van de zwangerschap de broedertwist al was begonnen. Ze vochten met elkaar om de beste plaats en de meeste ruimte. Dat  had het einde van de zwangerschap voor hun moeder Rivka zwaar gemaakt. De baby die Jaco genoemd zou gaan worden wilde toen de barensweeën waren begonnen  het liefst in de veilige omgeving van de buik van zijn moeder blijven, maar Edo ging vol storm en drang op weg naar de buitenwereld. Toen wilde Jaco toch wel opeens de eerste zijn en pakte in het geboortekanaal de hiel van Edo vast in een poging hem terug te trekken en hem te passeren. Dat lukte net niet en zo werd Edo toch de eerstgeborene en kwam Jaco een paar minuten later. Hun prenatale worsteling had gezorgd voor een moeilijke bevalling en de uitgeputte moeder Rivka had met  verbazing gekeken naar de twee baby’s, die de vroedvrouw in haar armen had gelegd.
De een was  fors met al een bos met zwart haar op zijn hoofdje en zette een keel op van jewelste. Dat was Edo. De ander was bleek en tenger en glad en keek na zijn eerste schreeuw met een peinzende blik de wereld in. Dat was Jaco.
– Wat zal dat worden, mijmerde de moeder, wie zal de baas worden, de stille of de schreeuwer, de peinzer of de wilde…?

Toen de kinderen opgroeiden bleek hoe verschillend ze niet alleen in uiterlijk waren maar ook in hun karakter. Edo werd een stoere knul, die op avontuur ging in de natuur, soldaatje speelde met de kinderen van het personeel van het landgoed, vocht met de zonen van de pachtboeren en als jonge vent stiekem naar het dorp ging en vree met de dochters van de smid en de bakker.
Eenmaal volwassen meldde hij zich bij het leger en klom snel op tot officier, die befaamd werd om zijn dapperheid, maar gevreesd  om zijn vaardigheid met pistool en degen. Zijn onstuimig karakter leverde  hem menig duel op, waar hij altijd zegevierend uitkwam.  Zijn ontvlambaar gemoed bezorgde hem vele liefjes, de mooiste van de stad waar hij was gelegerd.
Jaco was een huismus, een verlegen knaapje, dat het liefst thuis bleef in de buurt van zijn moeder en rondhing in de keuken, waar hij graag de keukenmeiden hielp bij het klaar maken van de gerechten. Ook was hij vaak lezend aan te treffen in de boeken van zijn vader en toen hij die uit las hij alle boeken die hij van de dorpsonderwijzer mocht lenen.
Op een keer, toen de tweeling een jaar of zeventien was, stormde Edo de keuken binnen. Hij was een paar dagen weggeweest, vermoedelijk terug van een zwerftocht door de omgeving met veel vechten, drinken en versieren; hij was buiten adem en bezweet.  Jaco was net een maaltijd aan het bereiden voor de familie.
– Honger!, schreeuwde Edo, geef me wat.
Edo had hem altijd gekoeioneerd en hem een watje genoemd, doetje, zacht ei .  Of bange schijtluis of slappe lul of waardeloze zak. Of had hem zomaar klappen gegeven om niets. Als Edo in de buurt was voelde Jaco zich een looser.
– Wacht maar tot we aan tafel zitten, zei Jaco flink.
– Nu!, zei Edo en richtte dreigend zijn mes op de keel van zijn jongere broer.
Was het een grap of was het ernst? Je wist het bij Edo nooit.
– Okee, zei Jaco en een lepe twinkeling vonkte in zijn ogen, hier is vast een kom met linzensoep, maar het kost je een kleinigheidje. Linzensoep met schapenvlees erin was de lievelingssoep van zowel Edo als hun vader. Hij hield de kom met soep verleidelijk voor de ogen van de uitgehongerde losbol
– Wat ?
– Dat ik vader als bestuurder van het landgoed mag opvolgen…
– Jij de baas van het landgoed? Prima, schat. En hij griste de kom soep uit de handen van de jongen en slurpte de soep in een paar slokken leeg.
– Zweer het, zei Jaco.
– Edo stak nonchalant twee vingers op, terwijl hij met de andere hand zijn lippen schoonveegde en daarna een boer liet.

Naar deel 2: Het gevecht.

De acht zonen en de dochter van de koning (deel 3).

24 december is Chanoeka begonnen.
Hier deel 3, het laatste Chanoeka-verhaal van de Chanoeka feuilleton.
‘Als het leest zie je dat de zonen en de dochter ieder een (on)deugd of soul trait vertonen, waarmee ze op hun reis te dealen hebben’, aldus Rob Cassuto.   Eerdere afleveringen nog niet gelezen? Lees deel 1 hier; ook deel 2 niet gelezen? Lees het hier.

 

De acht zonen en de dochter van de koning

een Chanoeka verhaal

door Rob Cassuto

 Deel 3              

De achtste en jongste zoon was bijna nog een kind. Verlegen en onzeker begaf hij zich op reis. Na een lange omzwerving kwam hij bij een herder die hij ging helpen om de schapen te weiden. Hij leerde ze opdrijven en scheren en de herder leerde hem hoe hij met een slinger en een steen de wolven precies tussen de ogen kon raken. Toen de dochter van de herder een keer op bezoek kwam was het om zo te zeggen ook raak; hij werd bleek en rood en wist niet wat hij moest zeggen. De herder riep de jongen bij zich. Je bent een goeie herder aan het worden, zei hij, ik laat de kudde aan jou over. Er moet wel nog een schaap over de dam komen – en hij knikte naar zijn dochter – en daar moet je nog een stap voor doen. Denk daar maar eens over na en dat deed de jongen in de slapeloze nachten die volgden.

Intussen was het jaar bijna voorbij. Op de binnenhof van het paleis van de koning stond de grote gouden chanoeka kandelaar klaar. De koning wachtte met spanning op de komst van zijn kinderen. Zouden ze het gered hebben…?
Het Chanoekafeest begint altijd op een avond en op die eerste avond kwam een koets de binnenhof opgereden en daaruit sprongen de dochter en de oudste zoon. De koning omhelsde zijn dochter en vroeg, 
– Wat heb je geleerd?
en de dochter antwoordde: 
– Ontzag voor de Schepper, toen ik op vleugels werd genomen en zag hoe oneindig hij is.
– Dat is het begin van de wijsheid, zei de koning
Ze stak de kaars aan, die ze de ‘sjammasj’ noemen, de kaars waarmee je de andere kaars(en) aansteekt.

– En jij?, vroeg hij zijn oudste zoon.
– Nederigheid, zei deze, nederigheid heb ik geleerd van een bezem, een dweil en een wijze meester. 
En hij liet een getuigschrift aan zijn vader zien, waarin stond dat hij qua geesteshouding geschikt werd geacht voor het tweede jaar van de hogeschool.
Hij nam de brandende sjammasj-kaars aan van zijn zuster en stak de eerste kaars aan van de chanoekakandelaar.

De volgende dag arriveerde de tweede zoon, nog juist voor de avondval. Na de begroeting kreeg ook hij de vraag van zijn vader, de koning.
–  Wat ben ik blij je te zien. Wat heb jij geleerd?
De zoon zei:
– Geduld heb ik geleerd van het weven van een kleed. En hij gaf het voorhangsel voor de Heilige Ark aan zijn vader, de parochet voor de synagoge van het paleis,.
Toen stak hij de tweede kaars aan.

De derde dag kwam net op tijd voor de derde kaars de derde zoon de binnenhof op gegaloppeerd. Hij sprong van zijn paard, omhelsde iedereen en desgevraagd zei hij:
– Dankbaarheid, dankbaarheid heb ik geleerd in de tent van mijn redders.
Hij gaf zijn vader een doos met zaden van een nog onbekende boom, de dadelpalm, om te planten in de Koninklijke plantage.
Toen stak hij de derde kaars aan.

De vierde dag kwam de vierde zoon.
– Mededogen heb ik geleerd, zei hij, mededogen, toen ik in de ogen van mijn vijand keek.
Hij overhandigde zijn vader het ontwerp voor een vredesverdrag met het buurland.
Toen stak hij de vierde kaars aan.

De vijfde dag kwam de vijfde zoon.
– Stilte heb ik geleerd, zei hij, de kracht van de stilte op een plein vol ruziënd geschreeuw. 
Hij gaf een rol van geschept papier met notenschrift aan de koning.
Hier heeft u mijn compositie van een nieuw lied, dat kalmte in het hart brengt.
Toen stak hij de vijfde kaars aan.

De zesde dag kwam de zesde zoon.
– Royaal zijn, edelmoedigheid heb ik geleerd, zei hij, en de genezende kracht daarvan voor mijzelf en de anderen.
Hij overhandigde een kistje met stopflessen en fiolen1) aan zijn vader.
 – Zeldzame kruiden en essences voor menige ziekte heb ik meegebracht, kruiden om aan de zieken uit te delen.
Toen stak hij de zesde kaars aan.

De zevende dag kwam de zevende zoon.
– Eerlijkheid, zei hij, eerlijkheid, zo heb ik geleerd, maakt het leven eenvoudiger en houd je bovendien uit het gevang. En om eerlijk te zijn heb ik niets meegenomen.
Toen stak hij de zevende kaars aan.

Tegen de avond waarop de achtste dag van het Chanoekafeest begint, kwam in een eenvoudig rijtuig de jongste zoon aanrijden met naast hem op de bok de dochter van de herder.
– Wat heb jij geleerd?, vroeg de koning na zijn omhelzing nieuwsgierig.
– Vertrouwen, zei de jonge prins, vertrouwen in mijzelf en de mensen en dat één van die mensen dit mooie meisje is, is mooi meegenomen! 
En toen stak hij de achtste kaars aan.

1) Kleine vaten voor medicinaal gebruik

De acht zonen en de dochter van de koning (deel 2).

24 december begint Chanoeka.
In drie afleveringen presenteren we een Chanoeka-verhaal.
Hier deel 2 van de chanoeka feuilleton.
Als het leest zie je dat de zonen en de dochter ieder een (on)deugd of soul trait vertonen, waarmee ze op hun reis te dealen hebben’, aldus Rob Cassuto.

 

 

 

 

 

 

De acht zonen en de dochter van de koning

een chanoeka verhaal

door Rob Cassuto

 Deel 2                (deel 1 nog niet gelezen? Lees het hier)

De derde zoon was een vreselijke kankeraar. Niets was goed genoeg voor hem. De hele dag mopperde hij maar door. Maar dat gemopper verging hem, toen hij op zijn reis door een woestijn kwam. Proviand had hij niet meer, zijn veldfles was leeg, de hitte ondragelijk. Hij viel neer en verloor het bewustzijn. Is dit nou wat ik te leren had was één van zijn laatste gedachten. Maar hij werd opgepikt door een handelskaravaan. Toen hij zijn ogen opsloeg, lag hij in een tent van kamelenhuid. Men spijzigde hem en laafde hem. Er stroomde weer wat energie door zijn krachteloze lichaam. Hij viel in een diepe slaap. Toen hij na vele uren de ogen opsloeg zag hij een oude vrouw de tent binnenkomen met brood en een kruik water. Even kwamen er bijna een paar gedachten langs in de trant van: ik heb wel mooiere vrouwen gezien, dat brood is wel taai en wijn was beter geweest. Die gedachten zouden vroeger over de drempel van zijn geest zijn gekomen en misschien ook wel door zijn mond hebben geklonken. Maar nu gebeurde dat niet. Nee, er kwam een vreemd heel warm gevoel in hem op, waarvoor hij een naam zocht, en er liep iets van vocht over zijn wang, een verschijnsel dat hij sinds zijn kinderjaren helemaal vergeten was.

zwaardvechterDe vierde zoon was een geducht vechter, bedreven in de krijgskunst. Hij reisde naar de grensprovincie en nam dienst als huursoldaat in het leger. Hij stond bekend om zijn vaardigheid met het zwaard, zijn hardheid en meedogenloosheid. Hij versloeg iedere tegenstander en kende geen genade. Eens stonden zijn eigen leger en het leger van de vijand tegenover elkaar. De generaals besloten de strijd te laten beslissen door een tweegevecht en kozen de vierde zoon als kampvechter. Zo stonden twee geduchte kampioenen tegenover elkaar voor het front van de twee vijandelijke legers. Een hevig en langdurig gevecht volgde.
Al zwaardvechtend kregen de strijders respect voor elkaar. Uiteindelijk kreeg de prins zijn tegenstander eronder. De punt van zijn zwaard had hij op de keel van de andere man. Toen had de zoon een vreemde ervaring.  Hij keek in de ogen van zijn overwonnen vijand en diens ogen keken terug. Hun blikken versmolten even tot één eindeloze blik. De zoon zag een medemens. Hij haalde zijn zwaard weg en hief het naar de hemel en een wonder gebeurde. Beide partijen keerden zich om en trokken zich terug ieder naar zijn eigen kamp. De volgende dag begonnen er onderhandelingen over de oplossing van het grensconflict.
de_fluitspelerDe vijfde zoon was een verschrikkelijke kletskous en een onverbeterlijke roddelaar. En als hij niet aan het kletsen of roddelen was speelde hij niet onverdienstelijk op zijn fluit. Op zijn reis kon hij in de stad van zijn bestemming wat geld verdienen als fluitist in het stadsorkest. Om hem zo weinig mogelijk de kans te geven om te kletsen en te roddelen en de muzikanten van de wijs te brengen gaf de dirigent hem dikke partituren te leren en liet hem moeilijke fluitpartijen instuderen. Hij werd steeds beter en trad steeds vaker op als solist en wist de harten van de mensen te raken. Eens was er een groot oproer in de stad. In de stad waren er spanningen tussen de rode en de blauwe partij over de godsdienst, met name over de vraag of God wel of niet bestond en zo ja in welke hoedanigheid en zo nee of kerken, synagoges of moskeeën niet verboden moesten worden. Tijdens demonstratieve optochten raakten ze slaags op het stadsplein, het geschreeuw was niet van de lucht, het horen en zien verging je en er dreigde bloed te vloeien. De vijfde zoon sprong op het bordes van het stadhuis en begon te spelen, een betoverende melodie, een Joodse nigoen. Opeens viel er een stilte, zo groot en stil, dat het verlangen elkaar in vrede te ontmoeten in het hart van de schreeuwers hoorbaar werd. De menigte viel uiteen in kleine groepjes die geanimeerd met elkaar gingen praten.

.

ghost-female-2De zesde zoon was een gierigaard. In het dorpje, waar hij op zijn reis aanlandde, leende hij het geld dat hij had meegekregen uit tegen een hoge rente, en wat hij terugbetaald kreeg met rente leende hij ook weer uit en dag in dag uit groeide zijn kapitaaltje, temeer omdat hij niets voor zich zelf uitgaf. Hij was in de kost bij een arme boerenfamilie. In het dorp brak een besmettelijke ziekte uit. Dure medicijnen zouden uit de grote stad moeten komen. De arme boerenfamilie smeekte de zoon om geld voor hun doodzieke dochter, maar de zoon weigerde. Op een inktzwarte nacht stond in zijn droom de dochter als bleke schim naast zijn bed, maar in zijn droom was zijn bed een graf. De zoon voelde zich tot op het bot verkillen, hij wist zeker dat hij dood en verdoemd was en werd met een schreeuw wakker. De volgende ochtend was hij zo blij dat hij nog leefde dat hij op zijn paard sprong om de verlossende medicijnen voor de dochter van de boer en voor de andere zieken van het arme dorp te gaan halen.


De zevende zoon was een aartsleugenaar en een pestkop; hij hield ervan de mensen op het verkeerde been te zetten, een echte practical joker. In het stadje van zijn bestemming vond hij werk als toneelknecht en zo zag hij iedere avond acteurs hun kunsten vertonen. Dat bracht hem op een idee. Eens viel hij zogenaamd ‘dood’ op straat en liet zich naar het ziekenhuis brengen om daar vrolijk op te springen. Een andere keer verkleedde hij zich in het uniform van inspecteur-generaal van de koning om zich te laten vergasten op het stadhuis, waarna hij luid lachend zijn grap onthulde. Ook kwam hij eens de stad in verkleed als opperrabbijn en genoot hij ervan de vromen de stuipen op het lijf te jagen. En op een keer rende hij het huis uit en riep ‘Brand! Brand!’, waarop iedereen dacht, dat is de toneelknecht, laat hem maar. Maar het was echt brand, de halve wijk brandde af en de prins belandde in de bajes waarin hij kon overdenken wat hij had geleerd.fire-rodolfo-belloli-e1346049068763

Deel 3 kun je vóór Chanoeka (24 december) verwachten.

De acht zonen en de dochter van de koning.

Een chanoeka feuilleton.
Op 24 december wordt het 1e lichtje Chanoeka ontstoken.
In drie afleveringen presenteren we een Chanoeka-verhaal.
Als het leest zie je dat de zonen en de dochter ieder een (on)deugd of soul trait vertonen, waarmee ze op hun reis te dealen hebben’, aldus Rob Cassuto.

dscn2708

 

 

 

 

 

 

 

De acht zonen en de dochter van de koning

een chanoeka verhaal

door Rob Cassuto

 Deel 1

study_of_king_david_by_julia_margaret_cameronLang geleden was er in het Oosten een koning, die in zijn rijk bekend stond om zijn goedheid en zijn wijsheid. Hij had acht zonen en een dochter en in zijn paleis was het traditie geworden dat op de dagen van het Chanoekafeest de kinderen de kaarsen in de manshoge gouden chanoeka-kandelaar op de binnenhof aanstaken. De eerste dag was dat de oudste zoon, de tweede dag kwam de één na oudste er bij en dan de derde dag de derde enzovoort tot op de achtste dag de jongste zich bij de schare voegde om de achtste kaars aan te steken; en ieder van die dagen stak de dochter als eerste de speciale kaars aan, die dient om de andere kaarsen mee aan te steken en die de sjammasj wordt genoemd; de brandende sjammasj gaf ze dan over aan de zoon die aan de beurt was.

De prinsen en de prinses hadden heel verschillende karakters. Ze groeiden voorspoedig op, maar hadden ieder wel een opvallend zwak punt. Op een dag, nadat de dag van de achtste kaars was afgelopen, riep de vader de acht zonen en zijn dochter bij zich. Hij zei:
– Ik zend jullie morgen de wereld in, ieder naar een ander deel van mijn rijk. Een jaar lang blijven jullie weg. In het komend jaar kunnen jullie ontdekken wat jullie nog hebt te leren. Tegen Chanoeka volgend jaar verwacht ik jullie met Gods hulp hier weer terug. Ga heen en leer.
Zo vertrokken ze incognito, ieder naar hun eigen bestemming, met wat proviand voor een week en een beetje geld.
De prinses ging op weg naar een verre provincie, die achter een hoog gebergte lag. Het meisje was altijd verdrietig en dodelijk verveeld. Ze had onderweg een baantje gevonden als verzorgster van de ezels van een reisgezelschap dat naar dat verre oord op reis was. Met het reisgezelschap klom ze steeds hoger het gebergte in. Op grote hoogte stak een sneeuwstorm op. Ze dwaalde af, raakte verblind en uitgeput viel ze van haar ezel in de dikke sneeuw. Mijn eind is gekomen, is dit nou wat ik moest leren, ging het nog door haar heen. Toen kwam een reusachtige arend aangevlogen, daalde bij haar neer en nam het meisje op zijn nek tussen zijn vleugels. De enorme vogel steeg op, steeds hoger over de bergkam. 1411978642_eagle-camEen uitzicht over een schitterend landschap bood zich aan de ogen van de prinses aan. Een weids panorama van heuvels, dalen, rivieren, beekjes, bosschages, weiden met daarin minuscule koeien, lag aan haar voeten. Het zonlicht reflecteerde op de witte vleugels van andere vogels in het intens blauwe luchtruim. De adelaar daalde en zette haar neer in een groene vallei aan de andere kant van de bergen. Een nieuw inzicht in het ontzaglijke wonder van de schepping deed haar lijf trillen en vulde haar hart met liefde en nieuwe levenslust. Ze stond op om verder te gaan, op weg naar het vriendelijke dorp dat ze een stuk verderop ontwaarde.

De oudste zoon had het hoog in zijn bol. Hij stond te boek als onuitstaanbaar arrogant. Hij kwam aan in een stad met een befaamde talmoed hogeschool, waar beroemde rabbijnen waren opgeleid. Gekleed in een kleurig prinselijk pronkgewaad meldde hij zich bij de beroemde wijsheidsleraar, die aan het hoofd stond.
– Ik ben de kroonprins, zei hij, en ik schijn nog wat te moeten leren. U hebt een paar maanden tijd om mij wat bij te brengen. Wanneer beginnen de lessen?
– Morgen na het ochtendgebed, zei de leraar kortaf, maar wie voortijdig de leergang onderbreekt, wordt volgens de traditie in deze stad als slaaf verkocht.
De volgende dag zei hij tegen de leerlingen, dat ze ieder een speciale opdracht kregen, de een moest dit boek lezen, de ander dat, deze moest een scriptie maken over een leerstuk, de ander moest een voordracht over een uitspraak in de Tora voorbereiden. Toen het de beurt was aan de kroonprins om zijn opdracht te horen, zei de leermeester:
– Hier is een bezem, een emmer en een dweil, het is jouw opdracht om iedere dag de schoollokalen schoon te maken en daarover verslag aan mij uit te brengen.
Dat werd de nederige taak van de nieuwe leerling. Dag in dag uit maakte hij, als de begaafde studenten na levendige discussies druk napratend de leslokalen hadden verlaten, de vloeren schoon. Wat heb ik daarvan nou te leren, vroeg de jonge man zich af, terwijl hij in zijn inmiddels besmeurde met juwelen en gouddraad bewerkte prinsenpak zijn zoveelste dweil uitwrong.

koningsmantelAan het eind van de dag noteerde hij zijn ervaringen in een dagboek, dat hij eens in de week besprak met zijn leraar.
De tweede zoon was artistiek begaafd. Maar hij had nog nooit een tekening, een schilderij, een opleiding afgemaakt of een boek uitgelezen. Steeds vond hij iets anders opeens weer leuker. Toen zijn geld op was kwam hij in een stad vol weverijen. Hij werd geronseld als knechtje in een van de weverijen. Daar viel hij op door zijn fantasierijke ideeën. De jongeman  klom op tot leerling-wever en de meester-wever gaf hem de opdracht een meesterstuk te maken. De textielkunstenaar sloot zijn pupil op in een apart lokaal met daarin een weefgetouw. Daar mocht de leerling niet uit tot het meesterstuk af was, zoals het gebruik luidde. Dag in dag uit weefde hij en weefde hij, iets anders was er niet te doen. Geleidelijk kwamen zijn gedachten tot rust en zag hij een schitterend kleed onder zijn steeds vaardiger handen groeien. Er waren op geraffineerde wijze allerlei symbolen zoals davidsterren en menora’s in verwerkt. Het werd een ‘parochet’, zo noem je het voorhangsel voor de Heilige Ark in de synagoge.

 

Deel 2 verschijnt begin december.
Deel 3 kun je vóór Chanoeka (24 december) verwachten.

Gasten geven hun visie op Mussar

De aardappel en de koffie. Pijn en vreugde.

door Binyomin Jacobs, opperrabbijn.

De periode tussen 17 Tammoez en 9 Aw wordt genoemd: de drie weken. En de laatste dagen van de drie weken staan bekend onder de naam de negen dagen. Op 17 Tammoez werd er een bres geslagen in de muren van Jeruzalem en op de negende van de maand Aw – drie weken later dus – werd de Tempel in Jeruzalem verwoest: het begin van de Diaspora. Door de eeuwen heen waren de drie weken een moeizame periode voor het Joodse volk, de negen dagen nog weer zwaarder en negen Aw de dag bij uitstek waarop vele vervolgingen en pogroms hebben plaatsgevonden. Het is een periode van diepe treur……….

En toch leert ons de overlevering dat in de tijd van de Mosjieach juist deze drie treurweken zullen veranderen in een periode van vreugde. 17 Tammoez en 9 Aw zullen dan volledige Jamiem Towiem, echte Feestdagen, zijn en de tussenperiode Chol Hamoëd, tussendagen, gelijk de tussendagen van Soekot en Pesach.

Als een mens onverhoopt ziek is, moet hij van de Joodse wet naar de dokter gaan. Natuurlijk dient er ook gebeden te worden, maar de gang naar de hulpverlening mag letterlijk niet vertraagd worden door het gebed. Hetzelfde geldt voor andere vormen van pijn, kwelling, antisemitisme of vervolging. Altijd zijn wij verplicht om ons te verdedigen, voorzorgsmaatregelen te nemen, de stellingen te betrekken, naast het gebed. De kop in het zand steken, past niet binnen de Joodse Traditie.

Maar als er, G’d behoede, geen hoop meer is, geen genezing mogelijk: hoe ga ik dan om met de kwelling, de pijn of het verdriet?

ziekEen zoon wordt ’s morgens wakker en zegt tegen zijn vader dat hij het leven niet meer aankan. Alles ziet hij zwart. Wat moet ik doen?, vraagt hij zijn vader.

Zijn vader neemt hem mee naar de keuken en haalt drie pannetjes uit de kast. Hij vult ze alle drie met water en brengt het water aan de kook. In het eerste pannetje doet de vader een aardappel, in het tweede pannetje een ei en in pannetje nummer drie een schep rauwe gemalen koffie. Na een half uur zien we dat er van de aardappel niets meer is overgebleven en volledig is geïntegreerd in het water. Een soort onappetijtelijk soepje is ontstaan. Bij het ei is het water onveranderd gebleven, maar het ei zelf is hard geworden en daardoor goed eetbaar. Bij de koffie is het water een heerlijke drank geworden en van de oorspronkelijke rauwe koffie is niets meer over.

Kijk wat hier gebeurd is, zegt de vader aan zijn zoon: het koken heeft verschillende gevolgen. Bij pannetje nummer één is een puinhoop ontstaan, bij pannetje twee heeft het kookproces het rauwe ei veranderd in een goed eetbaar product, maar het water bleef onveranderd. Bij het koffiepoeder zijn door het koken de rauwe koffie en het omringende water veranderd in een geurrijke drank.

Zo is het ook met problemen die een mens helaas op zijn levensweg vaak ontmoet. Sommige mensen desintegreren bijna helemaal door het probleem dat hun onverhoopt treft. Maar niet alleen zijzelf gaan er onderdoor, ze slepen hun directe omgeving, hun naasten, mee. Weer anderen weten te aanvaarden, geven niet toe aan depressieve gevoelens, en accepteren de uitdaging. Ze zien de kwelling als een beproeving die ze moeten en kunnen doorstaan. Ze weten zich gesterkt, maar betrekken hun omgeving hier geheel niet in. En sommigen kunnen zo goed omgaan met het leven en de aan het leven gekoppelde beproevingen, dat ze niet alleen er zelf sterker uitkomen, maar een dusdanige uitstraling hebben, dat ook hun directe omgeving meeprofiteert van hun overlevingskracht.

Dat zijn de drie weken: Als iemand onverhoopt ziek is, dan mag hij niet naar de dokter, maar hij moet! Israël mag zichzelf niet verdedigingen, Israël moet zijn stellingen betrekken om een soort collectieve zelfmoord te voorkomen. En uiteraard moeten we ook al dat mogelijk is inzetten om opkomend antisemitisme en andere vormen van discriminatie te voorkomen, te bestrijden en uit te roeien, ook hier in Nederland!

Maar als de gang naar de arts onverhoopt geen genezing brengt, mogen de beproevingen ons niet breken, maar moeten ze ons juist sterken. Niet gelijk de aardappel waarvan niets overblijft en die de omringende omgeving vertroebelt en meesleurt in zijn narigheid. Zelfs niet op het niveau van het ei. Want alleen het ei weet op de juiste wijze om te gaan met het kookproces, maar het water blijft onveranderd. De opstelling van het koffiepoeder verdient onze navolging, want de koffie weet zichzelf en ook het omringende water tot een geurig en drinkbaar geheel te transformeren.

Als er, G’d behoede, geen genezing is voor de pijn en geen oplossing voor het probleem, dan toch moeten we ervan doordrongen zijn dat ieder mens de kracht heeft om overeind te blijven en dat hij zelfs anderen in deze positieve opstelling kan meeslepen. Is een grotere simcha, vreugde, denkbaar?

Aan ons is het dus om de drie weken, de negen dagen en de negende Aw zelf, te veranderen in een echte Jom Tov, een echte Feestdag, waarin niet alleen het joodse volk van vreugde en intense dankbaarheid danst, maar waarin de gehele mensheid wordt geïnspireerd en eendrachtig meedanst!

Moge dat grote feest een realiteit worden, zodat we allen kunnen samenkomen in de herbouwde Tempel in Jeruzalem, bimheera wejameenoe – spoedig in onze dagen.

Voetnoot van de redactie:

Kun je als lezer het er mee eens zijn dat de mida bitachon het thema vormt van deze column en de wetenschap dat alles van HaSjem komt?


Eerder geplaatste gastcolumns

Mesillat Yesharim [pad van de oprechten]

Mesillat Yesharim [pad van de oprechten]

 

 

 

 

 

 

 

We zijn als een ruwe diamant die geslepen moet worden.


 

 

MOSJE’S EERSTE EN LAATSTE GROTE MOESAR SPEECH.

 


 

De column van Rav Menachem, Sjoelrabbijn AMOS.

zout2

“Sjema beni mussar avicha ve´al titosj torat iemecha” (misjlei 1-8) 

“Luister mijn kind;  naar de ethiek van je vader en wijk niet af van de leer van je moeder”

De column van Dr. Leo Mock

Bewustzijn van de ethische dimensie van menselijke handelen bevorderen.

door Leo Mock.

Van Moessar hoorde ik voor het eerst als puber. Ik moest maar eens wat Moessar leren misschien zou dat helpen tegen mijn kuren, zo stelde iemand voor. Van de stukjes die me werden voorgelezen werd ik destijds als tiener niet warm.

Later, na mijn eindexamen, ging ik in een orthodoxe jesjiva leren die – zo dacht ik – modern zou zijn, want ‘gehaakte keppeltjes’. Maar dat viel erg tegen. Het curriculum was erg traditioneel met daarop ook dagelijks een half uurtje uit de Mussar-literatuur. Of de geschriften van rabbijn A.I. Kook, maar die waren nóg onbegrijpelijker voor mij. En zo kwam ik voor het eerst echt oog-in-oog te staan met Mesillat Jesjariem van Luzzatto. Echt boeiend vond ik het niet – de hoge mate aan structuur had ook wat geforceerds. Met name zijn tirade tegen lachen, schertsen en spotten lagen mij totaal niet. Was humor niet uiterst belangrijk voor de mens? En was scherts en spot niet ook kritiek die men kon aanhoren en pareren? In plaats van meteen een plek in de Hel voor dergelijke lieden reserveren?

Want het tweede aspect wat mij niet lag was de grote nadruk op zonden, zondigheid en straf. Dat was in Mesillat Jesjariem al erg aanwezig, maar in nog intensievere mate in het middeleeuwse Sja’aré Tesjoewa van Rabenoe Jonah uit Girona. Daar viel al helemaal niets te lachen. In de loop van mijn studie aan de verschillende Jesjivot passeerde andere Mussar literatuur de revue. Het Orchot Tzaddikiem daarentegen was een sympathieker boek, meer aards, luchtiger en uit het leven gegrepen. Minder drammerig en hoogdravend. Een boek waar ik nog steeds sympathie voor heb al deel ik het morele kompas niet geheel (meer). Het Nefesj Hachajim van rabbi Chajim uit Volozhin vond ik interessant, want mystiek en daarmee spannend en onbekend. Maar ook daar een enorme nadruk op zondigheid – de ultieme zonde was natuurlijk het verontachtzamen van de Tora-studie. Dat was bijna niet meer te vergeven…

Elke seconde die verloren ging zou immers nooit terugkomen. Dus ook al was de zonde vergeven – het negatieve aspect – de positieve mogelijkheid van de verdienste die je hád kunnen hebben, maar je neus liet voorbij gaan was nooit meer goed te maken. Ook niet bevorderlijk voor de jeugdige (en oudere) geest is de grote nadruk op de seksuele zondes in Mussar-literatuur. Een nadruk overigens die ook al in de Talmoed te vinden is – veel materiaal uit de klassieke Mussar-literatuur was gebaseerd op de Talmoed. Andere werken waar ik mee bekend raakte was Chesjbon Hanefesj dat psychologische inzichten bevat, en stukjes uit de geschriften van Salanter. Het interessants vond ik echter de geschriften van de meer moderne Dessler, omdat ze een verfijning bevatten die bij de moderne mens past. Bovendien integreert hij inzichten van de Kabbala en psychologie in zijn geschriften.

Leo Mock

Dr. Leo Mock promoveerde op 1 december 2015 cum laude aan de Universiteit van Tilburg.

Daarna was ik een beetje klaar met Mussar als vast onderdeel van mijn religieuze leermenu. Ik koos destijds voor een meer Chassidische insteek, die hun leer presenteerden als alternatief voor de Mussar. Want de Mussar was zwaar en benadrukte vooral de zondigheid van de mens, diens imperfectie, en God’s strenge kant – zo vonden ook zij. Wie de hele tijd met mest en modder bezig is, wordt niet schoon. Het was de spanning tussen de weg tot God vinden via ‘soer merah’ – stoppen met zondigen – en het ‘aseh tov’, de focus op goede werken en mitsvot doen. Het Chassidisme benadrukt het goede in de mens en zijn mogelijkheid tot goed en deugdzaam handelen. Aldus was de in mijn ogen sympathieke boodschap. Eén probleem: ook in de Chassidische literatuur wordt de lat hoog gelegd. Misschien nog wel hoger dan in de Mussar-literatuur. Wie nog geen inkeer heeft gedaan, diens gebed, Tora en mitsvot blijven in de klipot hangen, en komen niet eens bij God aan! Misschien had je ze zelfs beter niet kunnen doen, want je geeft alleen maar energie aan de Andere Zijde, zo lijkt de Tanya soms te suggereren.

Ik kan zo nog wel even doorgaan. De bottom-line voor mij is dat een ethisch en moreel kader ook in de moderne wereld onontbeerlijk is. In de huidige tijdsgeest zijn wetenschap, publieke ruimte en economie waardevrij. Maar waardevrij kan afglijden naar immoreel wanneer de cijfertjes alles bepalend worden. Alleen daarom al kan Mussar-leren het bewustzijn van de ethische dimensie van het menselijke handelen bevorderen en dat is uiteraard positief. Wel denk ik dat de literatuur zoals die nu voor ons ligt voor de moderne mens vaak moeilijk onbewerkt als leidraad kan gelden. Veel morele sensitiviteit is wel degelijk in onze westerse maatschappij aanwezig, soms nog meer dan in de oude wereld. Vroeger was niet alles beter, en ik ben uiterst blij met veel verworvenheden uit de moderne wereld van de afgelopen 50-60 jaar. Vrijheid is een zeer belangrijke waarde en een uitdaging die we graag zouden moeten aangaan. Moderne filosofie en levensbeschouwing kunnen een aanvulling vormen op ons religieus-getinte morele kompas. Aan de moderne Mussar-leraren echter de uitdaging de Mussar te updaten, en een Mesillat Jesjariem 2.0 te schrijven om als een verbeterd modern moreel kompas te fungeren …

Voetnoot van de redactie:
 .
Dit heldere artikel maakt onmiskenbaar duidelijk dat Mussar in bepaalde gremia een heel andere connotatie heeft dan het moderne Mussar dat wij voor de “grap” Mussar 2.0 noemen.
Mussar 2.0 is er vooral voor de mens die op vrijwillige basis kiest voor een ontwikkeling op het persoonlijke vlak uitgaande van zijn/haar eigen profiel.

Column rabbijn Hannah Nathans

We zijn als een ruwe diamant die geslepen moet worden.

door rabbijn Hannah Nathans.

De allereerste zinnen van Tzava’at haRivash, het testament van de Ba’al Shem Tov, luiden: ‘Wees volmaakt in het dienen van HaShem, Hij zij geprezen. De hoofdzaak is niet de zaken te vergeten die je doen moet. Het is essentieel iedere dag een les mussar te leren, of het nu veel of weinig is. Je moet er altijd op toezien je te verbinden met goede karaktereigenschappen en oprechte praktijken’.

Mussar is een van de vele Joodse spirituele praktijken die ons kunnen helpen onszelf te verbeteren, en psychologisch en spiritueel te groeien. We worden volmaakt geboren, onze ziel is zuiver. Maar we worden ook geboren als een project dat niet af is. Het is je missie in dit leven om te werken aan de vervolmaking van het project dat [vul hier je eigen naam in] heet. De Piaseczner rebbe geeft als voorbeeld een kind dat koppig is en zijn leraar tot wanhoop drijft, maar later als hij volwassen is diezelfde eigenschap zal kunnen inzetten om de Eeuwige te dienen met diezelfde grote koppigheid en zelfopoffering. De karaktertrek die hem eerst de baas was, wordt nu bewust door hem ingezet ten goede. We zijn als een ruwe diamant die geslepen moet worden, door onszelf, met hulp van haShem.

Rabbijn Hannah Nathans Oprichtster van HaMakor, Centrum voor Joodse Spiritualiteit

Rabbijn Hannah Nathans
Oprichtster van HaMakor, Centrum voor Joodse Spiritualiteit

Het verhaal wordt verteld van een koning die een geweldige diamant bezat. De diamant was de trots van het kleine koninkrijk. Van heinde en ver kwamen mensen naar de diamant kijken. Maar op een dag zat er een barst in, precies door het midden. De koning wist zich geen raad. Hij liet alle juweliers van het koninkrijk komen om te horen wat er aan te doen was, maar ze zeiden allemaal dat de diamant waardeloos geworden was. Niets aan te doen. De koning zakte in een diepe depressie, en zijn onderdanen eveneens. Maar op een dag meldde zich een oude man aan de paleispoort. Hij vroeg de diamant te mogen zien, onderzocht hem, en vertelde de koning dat hij hem beter kon maken dan hij eerst was. Als hij hem een week mee zou geven kwam het helemaal in orde. De koning wist niet of hij hier iets van moest geloven, maar te verliezen had hij ook niets. Hij piekerde er niet over de steen mee te geven, maar gaf de oude man een kamer, gereedschap en alle eten en drinken dat hij maar wenste. Na een week kwam de oude man de kamer uit en overhandigde de koning de steen. De koning kon zijn ogen niet geloven. De diamant was nog mooier geworden dan eerst! De barst was nu de steel van een roos geworden die in de diamant gegraveerd was. De diamant was onwaarschijnlijk mooi geworden.

We hebben allemaal wel een of meer barstjes opgelopen in ons leven. Niet ieder heeft een even goede start gehad, en ook tijdens ons leven komen er barstjes bij. ‘That is where the light comes in’, zingt Leonard Cohen. Er komt een dag dat we onze opvoeders, of de omstandigheden, niet meer de schuld kunnen geven. Alenu, op ons zelf rust de verplichting om er het beste van te maken. Niet in de zin van ‘we doen het er maar mee’, maar in de zin van het allerbeste uit onszelf tot volle bloei te brengen, en onze barstjes ten goede te keren.

Bijzondere diamanten hebben namen: Hope, Koh-i-noor, Heart of Eternity, Star of the East, Sweet Josephine, enz. Ze werden mede beroemd door de manier waarop ze geslepen waren. Ook wij hebben namen. Moge ons eigen slijpproces onze eigen unieke goddelijke schittering naar buiten te brengen, tot zegen van onszelf en de wereld, be-ezrat haShem.


Eerder geplaatste gastcolumns

Gasten geven hun visie op Mussar


De column van rabbijn mr. drs. R. Evers.

haazinu-parsha

MOSJE’S EERSTE EN LAATSTE GROTE MOESAR SPEECH.


De column van Rav Menachem, Sjoelrabbijn AMOS.

zout2

“Sjema beni mussar avicha ve´al titosj torat iemecha” (misjlei 1-8) 

“Luister mijn kind;  naar de ethiek van je vader en wijk niet af van de leer van je moeder”

Column rabbijn mr. drs. R. Evers

Column rabbijn Menno ten Brink, LJG

Moesar – een welkome aanvulling –

kan een diepere betekenis geven

aan joods leven en joods beleven.

door rabbijn Menno ten Brink.

In een tijd van veel veranderingen in de 19e eeuw in het Europese Jodendom, ontstond een nieuwe beweging, een nieuwe manier van kijken naar het Jodendom. Rabbijn Israel Salanter (Rabbi Yisroel ben Ze’ev Wolf Lipkin) uit Litouwen, een Rosj Jesjiwa, stond aan de basis van de Moesar beweging. Het was in dezelfde tijd waarin verschillende stromingen ontstonden binnen het Jodendom in verband met de Haskala.

De Tijd van de Verlichting toen iedere burger, Jood of niet-Jood, burger werd met alle rechten en plichten van het land waar men woonde. Dat bracht risico’s met zich mee. Aan de ene kant vielen velen weg uit het Jodendom. Ze waren niet anders gewend dan een sjtetl Jodendom, waar alles georganiseerd was rond de sjoel en de Talmoed scholen, mede omdat men daarop aangewezen was vanwege de samenleving om hen heen, die vaak niet toestond dat men naast Jood ook burger was, en mee zou mogen doen in de maatschappij.  Men kreeg nu de mogelijkheid de vleugels in de gewone maatschappij uit te slaan, en velen wierpen daarmee hun Jodendom van zich af, omdat het oude joodse leven hen belemmerde om hoger op de maatschappelijke ladder te komen, door profane studies aan de universiteiten en scholen, en banen te kunnen krijgen zoals de Christenen om hen heen.

Maar aan de andere kant kwamen er twee tegenreacties: Er kwam een beweging die orthodox Jodendom genoemd werd. Het behouden wat men kende, en nog meer terugtrekken binnen de bekende en veilige muren van het Talmoedisch denken en de strikte interpretatie van de halacha, want dat hield de mensen juist bij elkaar en gaf ze houvast tegen de open maatschappij. Aan de andere kant kwam de Reform beweging, die we tegenwoordig ook Liberaal of Progressief Jodendom noemen. De leiders van deze beweging probeerden het Jodendom juist aan te passen aan de moderne tijd waardoor het Jodendom weer aantrekkelijker zou worden voor al diegenen  die het ‘oude’ Jodendom de rug hadden toegekeerd.

Ook ontstonden de chassidische bewegingen, die met name aangaven dat er meer was dan Talmoed en halacha, namelijk ook een Joods gevoelsleven.

Menno

rabbijn Menno ten Brink

Het aantrekkelijke van de Moesar gedachte is dat het een appèl doet op het werken aan je karakter, aan introspectie. Wie ben ik, wat doe ik met mijn Jodendom? Met name hoe word ik een beter mens via Tora en alles wat het Jodendom ons leert? Moesar is een welkome aanvulling zowel voor het orthodox Jodendom als voor het progressief Jodendom.

De meer halachisch georiënteerde Joden hebben soms te veel van het ‘wettische’. De Progressieve Joden hebben soms teveel van het rationele. Moesar kan beide stromingen helpen met het meer naar jezelf kijken: Waarom is de halacha er? Onder meer om je een beter mens te maken, naar spiritualiteit te streven, en je steeds af te vragen waarom zijn de halachot? Je kunt proberen je steeds weer af te vragen wat de ethische, morele en spirituele kanten zijn van het doen van mitswot, van de halacha.

Aan de andere kant is de Moesar voor Progressieve Joden uitstekend geschikt om weg te gaan bij het zuiver rationele, en meer naar de spiritualiteit te gaan. Stil te staan bij de interne betekenis van de mitswot, dat ze een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan je joodse gevoelsleven, je spiritualiteit. Even uit de maalstroom van alledag, je concentreren op jezelf. Wie je bent, hoe je vanuit je joodse traditie kunt groeien tot spirituele hoogten. Zo kan de Moesar beweging, die ooit ontstond in een periode dat nieuwe stromingen binnen het Jodendom ontstonden, een diepere betekenis geven aan joods leven en joods beleven, zowel aan de orthodoxe als de progressieve kant.


Lees ook de vorige column. Van Rav Menachem, Sjoelrabbijn AMOS.

zout2“Sjema beni mussar avicha ve´al titosj torat iemecha” (misjlei 1-8) 

“Luister mijn kind;  naar de ethiek van je vader en wijk niet af van de leer van je moeder”

 

Column Rav Menachem, Sjoelrabbijn AMOS.

“Sjema beni mussar avicha ve´al titosj torat iemecha” (misjlei 1-8) *)

door Rav Menachem, Sjoelrabbijn AMOS.

Reeds in de inleidende verzen van zijn boek Misjlei, benadrukt de wijze koning Salomon dat de uitdaging voor de mens tweevoudig is. Het vasthouden aan de Tora en het luisteren naar de mussar. Ook opmerkelijk in deze zin is duidelijke scheiding tussen, en de volgorde van deze twee onderwerpen.

*)

“Luister mijn kind;  naar de ethiek van je vader en wijk niet af van de leer van je moeder”

De zin begint met Mussar en koppelt dit aan de vader en eindigt met Tora en koppelt deze aan de moeder. Ook kan er worden stil gestaan bij het verschil van de inhoudelijke opdracht om naar mussar te  “luisteren”  en om van Tora “af te wijken”.

Rav Menachem

Rav Menachem

Rabbijn Mosje Chajim Luzzatto opent in de inleiding van zijn boek “mesillat jesjariem”  met een, voor een auteur, opmerkelijke zin. “Ik publiceer dit boek niet om mensen iets bij te brengen wat zij niet weten, maar louter ze te herinneren aan datgene wat ze al weten”. Hij gaat verder met de lezer er op te attenderen dat de kansen klein zijn, dat ze in zijn boek iets lezen dat nieuw is, of waaraan getwijfeld kan worden. Waarom schrijf je dan een boek? Daar geeft de rabbijn ook antwoord op; “het is juist de vanzelfsprekendheid van dit onderwerp dat veroorzaakt dat het vaak wordt vergeten”. Hij beschrijft hier mussar en geeft aan dat het geen intellectueel  hoogstandje bevat, maar puur een oefening is in herhaling van het vanzelfsprekende. Dat het geen nieuwe creatie is, maar een ontdekken van het reeds bestaande. Dat mussar voor de mens niet meer is dan wat een wasbeurt is voor een kledingstuk. Het verwijderen van een bedekkende laag om de essentie te ontbloten.

Hiermee kunnen wij goed de woordkeuze van Koning Salomon begrijpen. Luister naar en besef de (reeds aanwezige) ethiek. Hij vraagt niet meer dan het internaliseren van de essentie van het bestaan. Tora anderzijds bevat actie, leer, ontdekking en aanpassing in gedrag. Daar zegt de wijze Koning: wijk niet af! Een daadwerkelijke inzet. Actie en creatie!

Ethiek en leer. Leer en ethiek. Je zou denken een onafscheidelijke combinatie. Je zou denken de een kan niet zonder de andere bestaan. De werkelijkheid bewijst het tegendeel. Hoe vaak ervaren wij geleerden met nauwelijks ethisch besef en de meesters van ethiek wier gedrag meer dan discutabel is? Hoe vaak zien wij dat mensen die zich inzetten alle Tora wetten nauwkeurig te volgen toch niet een verfijnde persoonlijkheid daar aan over houden? En hoe vaak horen wij “als je maar een goed mens bent, zijn de wetten minder van belang?” Sommigen kiezen voor de “veiligheid” van de sjoelchan aroech (Godsdienst codex) zonder te beseffen dat dit maar een tool is voor het verfijnen en heiligen van de ziel. Terwijl anderen van de verplichtingen weg vluchten in de zee van de zweverige “zelfverbetering”.

De Tora is een prachtig gerecht. Mussar is de zout die de smaak van het gerecht doet uitkomen. Zonder zout smaakt het gerecht flauw en kan het niet worden gegeten. Zonder gerecht is het zout niet eetbaar en zelfs ziekmakend.  Een goede combinatie van deze twee en in de goede verhouding resulteert in een smaakvol en voedzaam geheel. Om de spirituele Michelin ster binnen te halen moet de leer vergezeld worden van een gezonde dosis zelfreflectie, zelfontplooiing en zelfinzicht. Daar kan mussar een sleutelrol in nemen. Eet smakelijk!