Tweelingbroers (deel 1).

Het verhaal is een bewerking van de geschiedenis van Jacob en Esau (Sjemot/Genesis 25:20 ev), nu geplaatst ergens in de 19e eeuw. De universaliteit van het verhaal komt daardoor meer naar voren. De nadruk valt op de ommekeer van Jacob (geest), die zijn misleidingen onder ogen ziet, de angst voor het geweld van zijn broer (lichaam) onder ogen ziet en tenslotte komt tot verzoening.

Deel I. Een kom met linzensoep.

In de tijd dat de stoomtrein pas reed en gaslampen nog voor de verlichting zorgden, zat Jaco peinzend achter de eenvoudige tafel in de wachtkamer van het eenzaamste stationnetje dat hij ooit had gezien, niet meer dan een kamer  grenzend aan het perron met wat houten banken, een tafel en twee stoelen. Het was eigenlijk een uitbouw van de woning van de stationschef, die er ook een kroeg runde en twee kamers ter beschikking had voor gasten.
Jaco was de enige gast, net aangekomen met de boemeltrein die hier zijn eindpunt had, een dorp in de grensprovincie. Morgen zou hij lopend  de laatste etappe afleggen naar het grote landgoed, dat zijn  hoogbejaarde vader als bestuurder uit naam van de koning beheerde.  Een gaslamp brandde en zorgde voor lichtplekken en lange schaduwen.  De man wandelde  de sobere wachtkamer rond en zijn blik ving een spiegel, die wat verweerd deel uitmaakte van een kapstok. Een gezicht keek hem aan, mager, bleek, wat ingevallen. Dat ben ik, dacht Jaco.
StationnetjeDe stationschef, een dikke man met een druipsnor en een bromstem kwam binnen.
– Een ordonnans van het leger heeft een brief voor u bezorgd.
Jaco nam de brief aan scheurde nerveus de envelop open. Het epistel was snel gelezen. Er stond maar één regel: ‘ik hoorde dat je in de buurt was en verwacht je in de herberg in het dorp’  en daar stond de naam van een dorp, dat een paar mijl verderop lag. Onder die mededeling stond een handtekening, waar een streep onder stond in de vorm van een dolk. Het hart zonk Jaco in de schoenen. Voor de aankomst  bij zijn ouders wachtte hem nog een ontmoeting met  de schrijver van deze uitnodiging die eigenlijk een bevel was,  een ontmoeting waar Jaco met vrezen en beven tegenop zag. De schrijver was zijn broer, zijn broer Edo, die hem tegemoet was gereisd. Jacob voelde zijn knieën slap worden en ging zitten.
In een flits zag hij het verleden voorbij schieten, een flits die korter duurde dan de tijd die  het kost om het te vertellen.

Edo was zijn tweelingbroer. In  de baarmoeder van hun moeder hadden ze in vrede met elkaar geleefd, totdat tegen het einde van de zwangerschap de broedertwist al was begonnen. Ze vochten met elkaar om de beste plaats en de meeste ruimte. Dat  had het einde van de zwangerschap voor hun moeder Rivka zwaar gemaakt. De baby die Jaco genoemd zou gaan worden wilde toen de barensweeën waren begonnen  het liefst in de veilige omgeving van de buik van zijn moeder blijven, maar Edo ging vol storm en drang op weg naar de buitenwereld. Toen wilde Jaco toch wel opeens de eerste zijn en pakte in het geboortekanaal de hiel van Edo vast in een poging hem terug te trekken en hem te passeren. Dat lukte net niet en zo werd Edo toch de eerstgeborene en kwam Jaco een paar minuten later. Hun prenatale worsteling had gezorgd voor een moeilijke bevalling en de uitgeputte moeder Rivka had met  verbazing gekeken naar de twee baby’s, die de vroedvrouw in haar armen had gelegd.
De een was  fors met al een bos met zwart haar op zijn hoofdje en zette een keel op van jewelste. Dat was Edo. De ander was bleek en tenger en glad en keek na zijn eerste schreeuw met een peinzende blik de wereld in. Dat was Jaco.
– Wat zal dat worden, mijmerde de moeder, wie zal de baas worden, de stille of de schreeuwer, de peinzer of de wilde…?

Toen de kinderen opgroeiden bleek hoe verschillend ze niet alleen in uiterlijk waren maar ook in hun karakter. Edo werd een stoere knul, die op avontuur ging in de natuur, soldaatje speelde met de kinderen van het personeel van het landgoed, vocht met de zonen van de pachtboeren en als jonge vent stiekem naar het dorp ging en vree met de dochters van de smid en de bakker.
Eenmaal volwassen meldde hij zich bij het leger en klom snel op tot officier, die befaamd werd om zijn dapperheid, maar gevreesd  om zijn vaardigheid met pistool en degen. Zijn onstuimig karakter leverde  hem menig duel op, waar hij altijd zegevierend uitkwam.  Zijn ontvlambaar gemoed bezorgde hem vele liefjes, de mooiste van de stad waar hij was gelegerd.
Jaco was een huismus, een verlegen knaapje, dat het liefst thuis bleef in de buurt van zijn moeder en rondhing in de keuken, waar hij graag de keukenmeiden hielp bij het klaar maken van de gerechten. Ook was hij vaak lezend aan te treffen in de boeken van zijn vader en toen hij die uit las hij alle boeken die hij van de dorpsonderwijzer mocht lenen.
Op een keer, toen de tweeling een jaar of zeventien was, stormde Edo de keuken binnen. Hij was een paar dagen weggeweest, vermoedelijk terug van een zwerftocht door de omgeving met veel vechten, drinken en versieren; hij was buiten adem en bezweet.  Jaco was net een maaltijd aan het bereiden voor de familie.
– Honger!, schreeuwde Edo, geef me wat.
Edo had hem altijd gekoeioneerd en hem een watje genoemd, doetje, zacht ei .  Of bange schijtluis of slappe lul of waardeloze zak. Of had hem zomaar klappen gegeven om niets. Als Edo in de buurt was voelde Jaco zich een looser.
– Wacht maar tot we aan tafel zitten, zei Jaco flink.
– Nu!, zei Edo en richtte dreigend zijn mes op de keel van zijn jongere broer.
Was het een grap of was het ernst? Je wist het bij Edo nooit.
– Okee, zei Jaco en een lepe twinkeling vonkte in zijn ogen, hier is vast een kom met linzensoep, maar het kost je een kleinigheidje. Linzensoep met schapenvlees erin was de lievelingssoep van zowel Edo als hun vader. Hij hield de kom met soep verleidelijk voor de ogen van de uitgehongerde losbol
– Wat ?
– Dat ik vader als bestuurder van het landgoed mag opvolgen…
– Jij de baas van het landgoed? Prima, schat. En hij griste de kom soep uit de handen van de jongen en slurpte de soep in een paar slokken leeg.
– Zweer het, zei Jaco.
– Edo stak nonchalant twee vingers op, terwijl hij met de andere hand zijn lippen schoonveegde en daarna een boer liet.

Naar deel 2: Het gevecht.

1 antwoord

Trackbacks & Pingbacks

  1. […] Het eerste deel gemist? klik hier […]

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *