JOSSELE, DE HEILIGE VREK

een bekende Oosteuropese legende, bewerkt door Rob Cassuto

Toen Koppel de bedelaar in Krakau aanlandde ging hij onmiddellijk naar de Joodse wijk Kazimierz en in het bijzonder dat gedeelte van de wijk waar de rijke Joodse kooplieden woonden.

Koppel zocht het grootste en mooiste huis op en belde aan. Hij liet zich aandienen bij de eigenaar, Jossele. Hij vertelde hem over zijn lotgevallen en Jossele luisterde vriendeljk. Toen kwam Koppel met de aap uit de mouw. Of Jossele hem wat geld kon geven om wat eten te kopen en een slaapplaats te regelen. Josseles gezicht verstrakte. Hij stond bruusk op en verzocht Koppel onmiddellijk te vertrekken en nooit meer terug te komen.
Deze eerste kennismaking met de Joodse gemeenschap viel Koppel niet mee en hij besloot naar een van de rabbijnen te gaan. Dat was Jomtov Heller, die wijd en zijd bekend stond als even geliefd als geleerd. De Rabbijn hielp Jossele aan wat adressen, waar hij hulp kon verwachten en voegde daaraan toe:
– Ga nooit naar dat riante grote huis aan de rand van de wijk, want daar woont Jossele, de vrek van de stad. Hij ontvangt je vriendelijk, maar ohwee als je over geld begint, dan ben je nog niet jarig.
– Klopt helemaal. Ik heb hem al ontmoet. Toen ik hem een om een kleinigheid vroeg gooide hij mij onmiddellijk op straat.

Koppel volgde de adviezen van rabbi Jomtov Heller op en vond een eenvoudige woning waar hij een tijd kon verblijven. Toen hij de eerstkomende vrijdagochtend wakker werd vond hij een envelop onder de deur geschoven.  Er zat geld in, net genoeg om eten voor de sjabbat te kopen en hem door de rest van de week te helpen. Waar had hij dat aan verdiend? De volgende Vrijdag gebeurde hetzelfde. Weer een envelop met geld om de week door te komen. Een anonieme vriend schoof hem steeds wat toe. Dat ging maanden zo door en het ging goed met Koppel de bedelaar.

Op een dag hoorde rabbi Jomtov Heller, dat Jossele ernstig ziek was. Hoogst waarschijnlijk was het einde in zicht. De vriendelijke rabbi ging bij Jossele langs. Hij sprak met de stervende man en zei:
– Jossele, je hebt niet lang meer te leven, maar er is nog tijd om het goed te maken. De mensen in deze stad haten je, geen enkele vriend heb je.  Er is zelfs niemand, die je wil begraven. Waarom doe je er niets aan?
Jossele keek de rabbi opeens met onverwachte alertheid aan.
– Wat zou ik moeten doen?
De rabbi aarzelde en sprak onzeker:
– Je zou eh misschien wat kunnen doen aan tsedaka, een gift aan de gemeenschap kunnen doen, of zo..
Jossele zweeg stil. Jomtov Heller nam een aanloopje en snel flapten de woorden hem uit zijn mond:
– Je weet toch, net zo als iedereen, dat tsedaka de poorten van de hemel opent? Als je nou…
– Jossele schudde zijn hoofd, sloot zijn ogen, en draaide zijn rug naar de rabbi toe. Die zuchtte en vertrok. Eens een gierigaard, altijd een gierigaard, dacht hij.

Jossele stief. Familie noch vrienden meldden zich. Men zocht zijn hele huis af naar geld, maar er was geen cent te vinden. Daarom kreeg hij een armenbegrafenis, een gat in de grond in een afgelegen hoekje van de begraafplaats voor de armelui, zonder grafteken.

De volgende vrijdagochtend trof Koppel de bedelaar geen envelop met geld aan. Wat was er aan de hand? Hij voelde zich wat week in zijn maag worden. Shabbat kwam eraan en hij had geen geld. Hoe moest dat de komende maanden? Hij had het bedelen bijna verleerd.

Hij besloot naar het huis van rabbi Jomtov Heller te gaan.
Toen hij het huis naderde hoorde hij een groot rumoer. Hij kwam de huiskamer binnen. Die zat vol bedelaars, samen met de allerarmsten van de stad, niemand uitgezonderd.  Ze hadden allemaal hetzelfde verhaal. Allen hadden ze hun anonieme vrijdagtoelage gemist. Na wat heen en weer gepraat kwamen ze tot de conclusie dat er maar één persoon de anonieme gever kon zijn geweest: Jossele de vrek.

Ze besloten hudje en mudje van hun armoedje bij elkaar te leggen en Jossele een passende begrafenis te geven. Dat gebeurde de volgende zondag. De rouwdienst werd geleid door rabbi Jomtov Heller.
Hij smeekte in zijn gebed, dat Jossele hem en de gemeente toch zou willen vergeven voor hun haatdragende gedachten en voor de armeluisbegrafenis, die ze hem hadden gegeven. Toen viel de geëmotioneerde rabbi flauw en daar lag hij in het gras. Jossele verscheen aan hem in de droom die hij toen had.
– Maak je geen zorgen over die begrafenis, zei Jossele. Abraham was erbij en ook Mozes. En ook David en Isaäk. En Jacob. Iedereen was er. Het was een eersteklas begrafenis.
– Wat kunnen we voor je doen? vroeg Jomtov Heller, we schamen ons zo.
– Ach, helemaal niets. Alles heb ik hier. Hoewel …toch mis ik wel iets. Hier kan ik niemand helpen.
Niemand heeft hier iets nodig. Maar dat gevoel, dat ik had op de vrijdagochtenden nog voor zonsopkomst als ik de enveloppen bezorgde, dat heb ik hier niet. Dat is voorbij. Jullie moeten weten, dat sommige dingen belangrijker zijn dan de hemel!

Een jaar later werd zoals gebruikelijk de grafsteen, de matseiwe, geplaatst op het graf in het uithoekje van de begraafplaats.  Daarop stond: hier ligt Jossele de heilige vrek.
Mocht je zijn graf een keer bezoeken in Krakau dan tref je daarnaast het graf aan van rabbi Jomtov Heller, want toen zijn tijd was gekomen en men hem vroeg waar hij begraven wilde worden zei hij:
– In het uithoekje van de begraafplaats voor de armelui, naast het graf van Jossele de heilige vrek.

Bronnen
Het verhaal is een vrije bewerking van een bekende Oosteuropese legende, zoals verteld in het boek van rabbi David Cooper, ‘God is a verb’, Riverhead books, 1997
Rabbi Jomtov Heller – voluit Hagaon Harav Yom-Tov Lipmann ben Nathan ha-Levi Heller – (1579 – 1654) die met dit verhaal wordt geassocieerd was een bekende Talmoedkenner en geleerde.

Het verhaal van Jossele wordt bezongen door rabbi Shlomo Carlebach, https://www.youtube.com/watch?v=oztt9DVAjxk

Nawoord

De belangrijkste midot die hier spelen zijn Generosity en Modesty.
Feitelijk voldoet Jossele hier aan het ideaal van Maimonides, die als hoogste vorm van generosity de gift beschouwt, die anoniem gegeven wordt. Hoewel…
Interessante vragen:
– hoe denken we nu over de Generosity van Jossele, is hij een ideaal voorbeeld?
Is zijn Modesty (anoniem geven) niet ‘over de top’?
– Gaat zijn Generosity niet ten koste van andere midot, zoals vriendelijkheid? In andere varianten van dit verhaal snauwt hij bedelaars af en scheldt ze uit.
– Actueel: Bob Dylan heeft nog geen teken gegeven, dat hij zijn Nobelprijs accepteert. Is het weigeren van een gift (in dit geval de koved van een ereprijs) een teken van misplaatste Modesty? (Inmiddels heeft Bob Dylan de prijs geaccepteerd.)

SLUWE TODIE EN LYZER DE VREK

een verhaal van Isaac Bashevis Singer, bewerkt door Rob Cassuto

De Baäl Shem Tov, oftewel rabbi Israel ben Eliëzer, die gezien wordt als de grondlegger van het chassidisme heeft ooit gezegd: “Men kan de Schepper beter dienen door vreugde dan door weemoed, eerder met lachen dan met bittere tranen”. Daarom schiep God de schlemielen en schlemazzels, de uilskuikens en de pechvogels van deze wereld, die met hun avonturen ons spiegelen en ons aan het lachen maken. Over een slimme pechvogel gaat het verhaal, “Sluwe Todie en Lyzer de Vrek”, opgetekend door Isaac Bashevis Singer, de beroemde Joodse auteur en Nobelprijswinnaar, die veel van deze volksverhalen heeft bewerkt in het boek “Toen Schlemiel naar Warschau ging”.

In een dorp in de Oekraïne woonde een oude man die Todie heette.

Todie had een vrouw, Shaindel. Todie vond aanvankelijk dat hij het met Shaindel bijzonder had getroffen. Hij bad tot de Eeuwige en vroeg, “Waarom heeft u haar zo’n goed hart gegeven?”
De Eeuwige antwoordde, “Opdat jij van haar zou kunnen houden, mijn zoon.”
“En waarom heeft U haar zo’n knap uiterlijk gegeven?”
“Opdat jij van haar zou kunnen houden, mijn zoon.”
“En waarom heeft u haar zo’n goede kok gemaakt? “
“Opdat jij van haar zou kunnen houden, mijn zoon.”
Todie dacht hierover na.
Toen zei hij, “Ik wil niet ondankbaar wezen of zo, maar waarom hebt u haar zo dom gemaakt?”
“Opdat zij van jou zou kunnen houden, mijn zoon.”
Dat zette Todie flink op zijn plaats.

Todie had met zijn vrouw zeven kinderen, maar hij kon nooit genoeg verdienen om ze behoorlijk eten te geven. Hij probeerde vele ambachten en overal mislukte hij in. Men vertelde over Todie dat, wanneer hij het plan op zou vatten in kaarsen te gaan handelen, de zon niet meer onder zou gaan. Sluwe Todie was zijn bijnaam, omdat altijd, als hij het klaarspeelde wat geld te verdienen, het door middel van slimmigheidjes gebeurde.
Die winter was het bijzonder koud. Er viel erg veel sneeuw en Todie had geen geld om brandhout voor zijn kachel te kopen. Zijn zeven kinderen bleven de hele dag in bed om warm te blijven. Als het buiten vriest dat het kraakt voelt men de honger heviger dan ooit, maar Shaindels provisiekast was leeg. Zij maakte Todie bittere verwijten, en jammerde: “Als jij je vrouw en kinderen niet te eten kan geven, ga ik naar de rabbi  om de echtscheidingsbrief aan te vragen.”

“Oja? En wat ga je dan doen met die echtscheidingsbrief als je die hebt? Opeten?”

Dat was Todies antwoord.
In datzelfde dorp woonde een rijke man die Lyzer heette. Vanwege zijn gierigheid noemde men hem Lyzer de Vrek. Hij stond zijn vrouw slechts eens in de vier weken toe om brood te bakken, omdat hij wist

dat vers brood veel vlugger op is dan oudbakken. Todie was meer dan eens naar Lyzer toegegaan om een paar daalders te lenen, maar Lyzer had telkens geantwoord: “Ik slaap veel beter als mijn geld in mijn geldkistje zit, dan wanneer jij het in je zak hebt.”

Lyzer had een geit, maar hij gaf haar nooit te eten. De geit had zich aangewend de huizen van de buren langs te gaan, waar men medelijden met haar had en haar aardappelschillen gaf. Soms, als er niet genoeg schillen voor haar waren, knaagde ze aan het oude riet van de rieten daken. Zij had ook een voorkeur voor boomschors. Niettemin baarde de geit ieder jaar een jong. Lyzer molk haar, maar hij was te gierig om de melk zelf op te drinken. In plaats daarvan verkocht hij die aan anderen.
Todie besloot wraak te nemen op Lyzer en tegelijk wat hoognodig geld voor zichzelf te verdienen.

Op een dag, toen Lyzer op een kist borscht* met droog brood zat te eten (hij gebruikte zijn stoelen alleen maar op feestdagen opdat de bekleding niet zou slijten), ging de deur open en Todie kwam binnen.

“Reb Lyzer, ik zou je om een gunst willen vragen. Mijn oudste dochter, Basha, is nu al vijftien jaar en zij zal zich spoedig verloven. Er komt een jonge man uit Janev om haar te bekijken. Mijn eetgerei is van blik, en mijn vrouw schaamt zich als ze de jonge man moet vragen met een blikken lepel te eten. Zou jij mij een van jouw zilveren lepels willen lenen? Ik zweer er een heilige eed op dat ik hem morgen aan je terug zal geven.”

Lyzer wist dat Todie het niet zou wagen een heilige eed te breken en hij leende hem de lepel.

Er kwam die avond geen jonge man bij Basha op bezoek. Zoals gewoonlijk liep het meisje rond op blote voeten en in lompen gekleed, en de zilveren lepel hield Todie onder zijn hemd verborgen. In de eerste jaren van zijn huwelijk had Todie zelf zilveren bestek gehad. Hij had echter al lang geleden alles verkocht, behalve drie zilveren theelepels die alleen met Pesach werden gebruikt.
De volgende dag, toen Lyzer, met blote voeten om zijn schoenen te sparen, op zijn kist om zijn stoelen te sparen borscht met droog brood zat te eten, kwam Todie terug.

“Hier is de lepel die ik gisteren leende.”

En hij legde hem op tafel met één van zijn zilveren theelepeltjes ernaast.

“Waarvoor dient dat theelepeltje?”

“Jouw lepel heeft een theelepeltje gebaard. Het is haar kind. Omdat ik een eerlijk mens ben breng ik moeder en kind beiden bij je terug.”

Lyzer keek Todie in stomme verbazing aan. Hij had nog nooit gehoord dat een zilveren lepel een andere baarde. Desondanks overwon zijn begeerte zijn twijfel en dolgelukkig nam hij beide lepels aan.

Wat een onverwacht buitenkansje! Hij was dolblij dat hij Todie de zilveren lepel had geleend.

Een paar dagen later, toen Lyzer, in zijn hemd om zijn jas te sparen en blootsvoets om z’n schoenen te sparen op zijn kist om z’n stoelen te sparen borscht met droog brood zat te eten, ging de deur open en Todie verscheen.

“De jonge man uit Janev beviel Basha niet omdat hij ezelsoren had, maar vanavond komt er een andere jonge man naar haar kijken. Shaindel is soep voor hem aan het koken, maar zij schaamt zich ervoor hem met een blikken lepel te laten eten. Zou jij mij …”

” Wil je een zilveren lepel lenen? Met alle genoegen, neem maar mee.”

De volgende dag bracht Todie opnieuw de lepel terug en daarbij één van zijn eigen zilveren theelepeltjes. Weer legde hij uit dat de grote lepel die nacht een kleintje had gebaard en dat hij naar eer en geweten de moeder en de pasgeboren baby terugbracht. Wat de jonge man betrof die was gekomen om Basha te bekijken, zij had hem ook niet genomen, omdat zijn neus zo lang was dat hij zijn kin raakte. Onnodig te zeggen dat Lyzer de Vrek buiten zichzelf was van vreugde.

Een derde maal gebeurde precies hetzelfde. Todie vertelde dat zijn dochter deze maal haar vrijer had afgewezen omdat hij stotterde. Hij berichtte ook dat Lyzers zilveren lepel weer een babylepeltje had gebaard.

“Todie? Gebeurt het wel eens dat een lepel een tweeling krijgt?”

 (denkt een ogenblik na)

“Waarom niet? Ik heb zelfs gehoord van een geval waar een lepel een drieling kreeg.”

Er ging bijna een week voorbij en Todie ging niet bij Lyzer op bezoek. Maar op vrijdagmorgen, toen Lyzer, in zijn onderbroek om zijn pantalon te sparen, in zijn hemd om z’n jas te sparen en blootsvoets om z’n schoenen te sparen op zijn kist om z’n … enfin… borscht met droog brood zat te eten, kwam Todie en zei:

“Een goede dag gewenst, Reb Lyzer.”

“Een goede morgen en veel goede wensen voor jou, Todie.

Welk gelukkig toeval voert jou hierheen? Ben je misschien gekomen om een zilveren lepel te lenen? Als dat het geval is, help jezelf.”

“Vandaag heb ik een heel speciaal verzoek aan je. Vanavond komt er een jonge man uit de grote stad Lublin om Basha te bekijken. Hij is de zoon van een rijk man en men heeft mij verteld dat hij verstandig is en tevens knap van uiterlijk. Niet alleen heb ik een zilveren lepel nodig, maar omdat hij de Sabbath bij ons blijft vieren moet ik een stel zilveren kandelaren hebben, want de mijne zijn van koper en mijn vrouw schaamt zich om ze op de Sabbathdis te zetten. Zou jij mij jouw kandelaren willen lenen? Meteen na de Sabbath zal ik ze terug komen brengen.”

Zilveren kandelaren zijn erg kostbaar en Lyzer de Vrek aarzelde, maar slechts een ogenblik.

Denkend aan zijn buitenkansje met de lepels zei hij:

“Ik heb acht zilveren kandelaren in huis. Neem ze maar allemaal. Ik weet dat je ze aan mij terug zult brengen, zoals je reeds zei. En als het mocht voorkomen dat één ervan baren moet, dan twijfel ik er niet aan dat je net zo eerlijk zult zijn als je in het verleden geweest bent.”

Todie zei: “Zeker. Laten we er het beste van hopen.”

De zilveren lepel verstopte Todie zoals gewoonlijk onder zijn hemd. Maar met de kandelaren ging hij meteen naar een koopman, hij verkocht ze voor een beduidend bedrag, en hij bracht het geld aan Shaindel. Toen Shaindel zoveel geld zag, wilde ze weten waar hij zo’n schat vandaan had.

“Toen ik naar buiten ging kwam er een koe over ons dak vliegen en hij liet een dozijn zilveren eieren vallen. Ik heb ze verkocht en hier is het geld.”

“Ik heb nog nooit gehoord van een koe die over de daken vliegt en zilveren eieren legt.”

“Eens moet het de eerste keer zijn. Als je het geld niet wilt hebben geef je het maar terug aan mij.”

“Geen sprake van teruggeven.”
Ze wist dat haar man sluw was en vol listen en handigheidjes, maar als de kinderen honger hebben en de provisiekast is leeg, is het beter niet al teveel vragen te stellen. Shaindel ging naar de markt en kocht vlees, vis, bloem en zelfs wat noten en rozijnen voor een pudding. En omdat er nog heel wat geld over was, kocht ze schoenen en kleren voor de kinderen.

Het was een erg vrolijke Sabbath in het huis van Todie. De jongens zongen en de meisjes dansten. Als de kinderen hun vader vroegen waar hij het geld vandaan had, antwoordde hij:

“Het is verboden om op de Sabbath over geld te praten.”

Die zondag, toen Lyzer , barrevoets en bijna naakt om zijn kleren te sparen op zijn kist een droge broodkorst met wat borscht zat te eten, kwam Todie er aan, en hij zei, terwijl hij hem zijn zilveren lepel overhandigde:

“Wat een pech. Deze keer heeft je lepel geen kind gebaard.”

“En de kandelaren?”

Todie (slaakt een diepe zucht) “De kandelaren zijn gestorven.”

Lyzer: (springt op,  schreeuwt )“Jij dwaas! Hoe kunnen kandelaren sterven?”

Todie:

“Als lepels kunnen baren, kunnen kandelaren sterven.”

Lyzer maakte hevig misbaar en liet Todie bij de rabbi roepen.
Toen gingen Todie en Lyzer naar binnen. Toen de rabbi van beiden het verhaal had gehoord barstte hij in lachen uit.

“Het is je verdiende loon,” zei de rabbi tegen Lyzer.

“Als je niet verkozen had te geloven dat lepels konden baren, dan zou je nu niet gedwongen zijn te geloven dat je kandelaren gestorven zijn.”

Lyzer: “Maar het is toch allemaal onzin?”

Rabbi: “Verwachtte je dan niet dat je kandelaren andere kandelaren voort zouden brengen? Als je onzin gelooft wanneer je er baat bij hebt moet je onzin ook geloven als het je schaadt.”

En hij ging over tot een volgende zaak.

(hamerslag)
Het verhaal van de zilveren lepels die baarden en de kandelaren die stierven deed snel de ronde door de stad. Alle mensen hadden plezier in de overwinning van Todie en de nederlaag van Lyzer de Vrek.

En Lyzer, barrevoets en bijna naakt op z’n kist, at alleen nog maar droog brood, want “Borscht is te duur voedsel, zelfs zonder zure room erdoor.”

Noot van de redactie:

Op zoek naar de midot in dit verhaal over een ondeugd?

Wat dacht je van: Vrijgevigheid, Generosity als tegenhanger van gierigheid?
Wie gierig is zoals Lijzer en alles oppot heeft geen Vertrouwen, Trust, in de toekomst en de Voorzienigheid van de Schepper: Emoena.
Als je aan Todie denkt, zie je het plezier dat hij heeft met zijn trucs, hoe hij geniet te midden van zijn misjpoche van het sjabbatmaal en hoe hij het hele dorp vreugde brengt met zijn avonturen: Vreugde, Simcha.
Aan het eind geeft de rebbe een Rechtvaardige beslissing: Tsedek.

HET HUIS VAN DE VREDE

een kort verhaal over een breekbaar fenomeen

Lang geleden was er een wijze koning met een uitgebreid rijk met wel duizend provincies.
Over één provincie, ver weg van de hoofdstad, maakte hij zich grote zorgen. Het was een eiland, dat lag voor de kust aan de rand van zijn rijk. Op het eiland lag de grote mijn, waar het kostbare en onmisbare goud werd gewonnen.

Er bereikten de oude vorst berichten over woelingen op het eiland; ruzies tussen de clans over de inkomsten van de mijn liepen steeds hoger op en ontwrichtten de samenleving daar; er woedde een ware burgeroorlog en de koning was verbijsterd over de wreedheden waarover hij las in de ambtsberichten die hem door koeriers werden overgebracht. ’s-Nachts schrok hij wakker van nachtmerries, het leek wel of het gehuil van stervenden en de wanhoopskreten van vrouwen en kinderen zijn slaap binnen woeien.

Hij besloot zijn oudste zoon naar het gebied te zenden met de opdracht om daar de rust te herstellen. Hij gaf hem vier divisies soldaten mee, stoere kerels, goed bewapend.
Toen na twee jaar zijn zoon terugkwam zei de koning tegen hem:
Mijn dromen zijn nog niet bedaard; hoe is het daar nu op mijn eiland?
‘De soldaten brachten met hun overmacht en met harde hand de rust terug’, zei de oudste zoon, ‘maar niet voor lang. De bevolking keerde zich tegen het leger en een guerrilla brak uit. De gevechten zijn weer opgelaaid, de wreedheden zijn weer teruggekomen en iedere dag komen er weduwen en wezen bij’.

De koning was zeer terneergeslagen. Hij gaf orders om alle wijsheidsboeken bij hem te brengen en de bejaarde vorst zette zich aan de studie. Toen schreef hij vier boekrollen vol met instructies en deze rollen borg hij op in amandelhouten kistjes.
Hij riep zijn tweede zoon bij zich, een geliefd man met groot gezag, en zei hem: ‘Ga in mijn naam naar het verre eiland, waar de oorlog woedt en breng er vrede. Hier zijn vier kistjes met instructies. Voer ze uit, zodat daar de vrede een kans krijgt en ik weer kan slapen’.

Toen de tweede prins na twee jaar weer terugkwam, zei de koning:
‘Iets beter slaap ik wel, is er vrede op mijn verre eiland?’
De prins antwoordde:
‘Toen ik aankwam op dit gekwelde eiland ontsloeg ik de corrupte gouverneur en ontbood ik de generaals, clanhoofden en wat er over was van de Raad der Ouden. Gelukkig eerbiedigden allen mijn gezag. Ik maakte de kistjes open en onthulde uw instructies voor het bouwen van vier huizen.

Zo werd allereerst het huis van het recht gebouwd. Daar huisden de rechters, die ik heb benoemd,  integere en wijze mannen en vrouwen, die ik koos uit velen. Deze hebben zich gebogen over een rechtvaardige verdeling van de inkomsten uit de mijn van het zo fel begeerde goud.

Meteen daarna is het huis van de kracht gebouwd. Hier leverden alle mannen hun wapens in. Deze werden omgesmeed in ploegscharen, snoeimessen en allerlei andere nuttige instrumenten, die de wederopbouw van het eiland zouden kunnen dienen. Met de overgebleven wapenen werd een politiemacht van flinke en eerlijke mannen uitgerust.

Intussen is ook volgens uw instructies als derde het huis van de verzoening gebouwd, zei de prins. Hierin werd onder leiding van bekwame mannen en vrouwen gewerkt aan heling van de geslagen wonden en werden vijanden van weleer ertoe gebracht elkaar te ontmoeten en naar elkaars verhalen te luisteren. In dit huis is veel geschreeuwd en gehuild, maar uiteindelijk heeft veel vergeving plaats gevonden.

De uitvoering van uw instructies eiste veel moeite en zorg, maar het heeft goed gewerkt, zei de prins tegen de koning. Na enige tijd begon de boer weer zijn land te bewerken voor een nieuwe oogst, de bakker begon weer brood te bakken, de slagen van de smidshamer begonnen weer te klinken, de vrouwen spreidden hun was weer op het bleekveld, de vissers hesen weer zingend de zeilen van hun boten en de werkers in de mijn sloegen weer aan de arbeid.

‘En het vierde huis’, vroeg de koning, ‘het huis van de vrede, is dat gebouwd?’

_Amit_GeronPeres_Peace_HouseFUKSAS014

Het Peres Vredes Huis in Jaffa; foto Amit Geron

‘Het vierde huis’, antwoordde de prins, ‘het huis van de vrede, waar eens per jaar uw verjaardag gevierd zal worden met muziek, zang, dans en spel, is nog in aanbouw. Het zal een prachtig huis worden, oorspronkelijk van lijn en groots van stijl’.

‘Daar ben ik blij om’, zei de koning, ‘maar toch. Als ik aan mijn verre eiland denk trilt mijn mond en beeft mijn hand soms zo, dat ik het glas wijn, dat ik aan mijn lippen wil brengen, valt en in duizend scherven breekt. En zie ik het goed, een rimpel tussen je ogen en een zorgelijke trek om je mond?’

‘Het huis van de vrede is kwetsbaar’, zei de prins. ‘De clanhoofden hebben de mijnbouw weer fanatiek aangepakt. De mijngangen van de mijn met het kostbare goud, strekken zich steeds verder uit in de ondergrond  en deskundigen vrezen, dat deze mijngangen de fundamenten van het huis van de vrede zullen aantasten. Lichte aardschokken worden al gevoeld.
Er is sprake van groeperingen, die u niet meer willen erkennen en die de belasting op de opbrengsten van het goud voor zichzelf willen houden.
In de vissersboten smokkelen nog onbekende elementen illegaal goud naar het vasteland, is mij gemeld…
Verder hebben mij ook inlichtingen bereikt, dat toch niet alle wapenen zijn ingeleverd en dat in kelders en schuren nog vele geweren en granaten zijn verborgen.’

‘Inderdaad’, zuchtte de koning, ‘breekbaar is de vrede’.

Vraag:

Hebben we hier mogelijk te maken met Tiferet – de 6e sefira uit de Kabbalistische levensboom  – in al haar facetten?

Antwoord:

Interessante vraag. Je zou kunnen zeggen dat Chesed (de zorgzame koning) samen met Gevoera (het huis van het Recht en het huis van de het recht handhavende Kracht) zich verzoenen in Tiferet (de Vrede); het verhaal wijst erop dat de vrede, vaak zo moeizaam tot stand gebracht, voortdurend het gevaar loopt ondermijnd te worden en dat je waakzaam moet zijn.

HET VERHAAL VAN RABBI NATHAN

Nathan Hertz was een fruitverkoper in het stadje Nemirov , in de streek Podolië, ergens in Oost-Europa, een stadje met veel chassidische joden, arme mensen met een spontaan en diep geloof in God en hun rebbe.

Op een dag sprak Nathan niet meer. Hij verwaarloosde zijn handel, ging niet meer naar de markt en niet meer naar de synagoge, bleef lang in bed, zei geen ochtendgebed meer en zat uren in een hoek. Het ging niet goed met Nathan.  Nathan werd ernstig ziek en hij was bang, dat hij niet lang meer zou leven. Zijn vrouw was heel ongerust en riep een aantal wijze mannen uit de omgeving van Nemirov te hulp. Daar stonden ze dan bij zijn ziekbed. Nathan zweette en keek nerveus de kring rond die om zijn bed stond. Hij beefde. Was het van de koorts of van de angst?

Eindelijk sprak hij. 
‘Lieve mensen, ik weet, dat ik het niet lang meer maak. Ik ben wanhopig. Ik ben een waardeloos mens geweest. Ik heb mijn gebeden verwaarloosd, ik ben vaak op de sabbat niet naar de synagoge gegaan, ik heb de gewichten van mijn weegschaal te zwaar gemaakt en te veel voor mijn appels en peren gerekend, ik heb teveel van het geld gehouden en niet genoeg van mijn vrouw en kinderen, ik heb kwaad gesproken en gelogen. Ik heb mijn medemensen niet genoeg geholpen en veel te weinig goede daden gedaan. Zoveel ben ik tekort geschoten in hoe je moet leven volgens onze grote leraar Mozes. Wat moet ik doen als ik voor de troon van de Almachtige sta?’ 

Rabbi Zoesja van het naburige dorp Hanipol schudde zijn hoofd. 
‘Nathan, je zal niet gevraagd worden, waarom je niet méér zoals Mozes bent geweest. 
Ik denk, dat je gevraagd zal worden: ‘Nathan Hertz, waarom ben je niet méér Nathan Hertz geweest?’ 
Nathan slaakte een diepe zucht. Hij was nog steeds bang, maar ook kwam een diep verdriet in hem op. Lang bleef het stil. 
‘Ik heb mijn best gedaan om te zijn wat mijn vader wilde, dat ik was wat mijn familie wilde, wat mijn buren wilden, wat de Rebbe wilde, wat de wet van Mozes wilde dat ik was. Maar wie is Nathan nou eigenlijk, wie is Nathan echt? Ik weet het nog steeds niet. Ik heb gefaald. Het is of ik een grote barst in mijn ziel heb.’ 

De wijze Rabbi Jakob Jozef uit het dorp Polnoje zei: 
‘Nathan, misschien ben jij wel als die emmer aan het juk van de waterdrager.’ 
‘Hoezo?’, vroeg de zieke. 
‘Twee emmers droeg de waterdrager iedere dag aan een juk naar de rivier om ze te vullen met water voor zijn gezin en zijn akker. Maar een van de emmers, de rechter emmer, had een barst. Daardoor lekte steeds de helft van het water weg op de terugweg van de rivier naar het bassin bij het huis van de waterdrager. Als de emmers ’s nachts in de schuur stonden, zei de linker emmer tegen de rechter: “ik ben een echte emmer, die zijn waarde bewijst, mooie emmer ben jij, je laat de helft weglekken, wat voor waarde heb jij nou…”. Op den duur kon de emmer met de barst het niet meer uithouden. Hij meldde zich in een droom van de waterdrager. De emmer zei, “ik voel me waardeloos, een kapotte emmer ben ik, doe me toch weg en koop een nieuwe emmer.” De waterdrager antwoordde hem. “Let morgen eens goed op. Aan de rechter kant van het pad, jouw kant, is het groen en bloeien de bloemen. Dat komt omdat jij iedere dag je water geeft aan de rechter kant van het pad. Daardoor konden de daar aangelande zaadjes ontkiemen en tot bloei komen. Iedere dag ben ik blij, want door de bloemen is mijn pad minder saai. Juist om jouw lek waardeer ik jou.”’

Rabbi Nachman was net binnengekomen uit het naburig stadje Breslow. Hij had het verhaal over de waterdrager gehoord. Ook hij was een verhalenverteller. Hij zei: 
‘Over een barst gesproken, ik moet denken aan het verhaal van de koning en zijn juweel. Er was er eens een koning, die een prachtige edelsteen had. Hij keek er iedere dag naar en dat gaf hem nieuwe energie. Op een dag schrok hij vreselijk door een donderslag bij heldere hemel en de edelsteen viel uit zijn hand op de harde paleisvloer. Er was een grote barst in het juweel gekomen. De koning zond boodschappers naar alle delen van het rijk om ambachtslieden op te roepen naar het paleis te komen om de steen te repareren. Maar de enkelen die kwamen zeiden er niets aan te kunnen doen. Uiteindelijk meldde zich toch een oude juwelier, die van ver kwam. 

“Ik kan er wat aan doen, zei hij, maar u moet mij beloven mij volstrekt vrij te laten”.
De koning had geen keus en de werkman richtte zijn werkplaats in het paleis in en toog aan de arbeid. Vele dagen was hij bezig, behalve natuurlijk op de sjabbat. Eindelijk dook hij op en liet de koning de edelsteen zien. In het juweel had de oude man de lijnen van de barst omgewerkt tot een bloem, diep uitgekerfd in de kostbare steen. De koning hapte naar adem, zo prachtig zag het eruit. Juist door de barst was de steen nog kostbaarder geworden dan hij al was.‘ 

Toen Rabbi Nachman was uitgesproken, barstte Nathan Herz in tranen uit. Het leek het of een lichtstraal in de donkere kamer van zijn hart was binnengevallen. Vanaf toen begon een langzaam herstel van de zieke man. Hij werd een leerling van Nachman van Breslow, van de Rebbe, zoals de joden een wijze leraar noemen. De Rebbe zei tegen zijn leerlingen: “de wereld lijkt absurd, maar achter die absurditeit is altijd betekenis en zin te vinden. Weet dat iedere daad, hoe klein ook, verschil kan maken. Vergeet nooit dat jij jouw eigen steen kan bijdragen in de verlossing van de wereld, ondanks alle absurditeit en tegen alle frustraties en teleurstelling in. Het is nooit te laat om te worden wie je mogelijk kan zijn”. 

Iedere dag ging Nathan nu een kleine positieve daad doen. Met iedere daad viel er weer een nieuwe lichtstraal in zijn hart. 
Hij ging weer vroeger opstaan. 
De volgende dag deed hij weer zijn ochtendgebed, want soms is het lot zwaarder dan de ziel en helpt de Eeuwige een beetje meedragen. 
De dagen daarna ruimde hij zijn schuur op en werkte hij zijn boeken bij. 
Hij bracht zijn weegschaal in orde en ijkte zijn gewichten. 
Hij ging naar de markt en groette de mensen met een glimlach. Hij begon de zieken in het stadje te bezoeken. De mensen praatten graag met hem en stortten hun hart bij hem uit. Ze voelden dat Nathan wist waar ze het over hadden. 

Na jaren stierf Rabbi Nachman, nog geen veertig oud was hij. Hij benoemde zijn leerling Nathan als zijn opvolger. De wereld is een smalle brug, maar de hoofdzaak is om niet bang te zijn, zong Rabbi Nachman altijd en Rabbi Nathan zong het hem na en daarna heel Israël tot op de dag van vandaag; in het Hebreeuws klinkt het zo: “Kol ha-olam koelo gèsjèr tsar me’od, we ha’ikar lo lefached klal”. 

RC juni 2016

Bronnen
Het verhaal is fictie maar bevat elementen uit de Chassidische werkelijkheid van de 18e en 19e eeuw. Rabbi Nathan, geboren in Nemirov, heeft werkelijk bestaan (Nathan van Breslov , 22 januari 1780 – 20 december 1844, ook bekend als Reb Noson, geboren als Nathan Sternhartz , was de belangrijkste leerling en secretaris van Rebbe Nachman van Breslov , stichter van de Breslover Hasidim 
Ons verhaal over de depressie en over hoe Nathan leerling werd van Rebbe Nachman is louter fictie. 
Nemirov is een bestaand stadje in het westen van de tegenwoordige Oekraïne. De pogrom van de Kozakken van Chmielnicki medio 17e eeuw roeide de meeste joden van Nemirov uit. Later herstelde het stadje zich en werd weer een centrum van joodse studie en Chassidisme, tot de Tweede Wereldoorlog en de Sjoa. 
De twee verhalen over de waterdrager en de edelsteen stammen uit de Chassidische sfeer en heb ik bewerkt op basis van de Breslover internet site http://www.davka.org/what/text/sermonics/srmnyk64perfect.html 

DE BA’AL SHEM TOV EN DE KOLENBRANDER

Een verhaal verteld door Rabbi Zalman Schachter, zoals weergegeven door Rabbi David Cooper in: ‘God is a verb; Kabbalah and the practice of mystical judaism’ (Riverhead books, 1997), vertaald en bewerkt door Rob Cassuto.

Rabbi Zalman vertelde: ‘Toen Israël ben Eliezer ofwel de Baäl Sjem Tov tien jaar oud was, werd hij de helper van de schoolmeester in het dorp Horodenka. Het was zijn taak om de jongere kinderen elke ochtend naar school en ‘s-middags weer terug naar huis te brengen. Hij deed het fantastisch met de jongere kinderen, en al spoedig gingen ze stralen. Vaak kwamen de kinderen te laat aan op school of kwamen ze te laat thuis, maar de ouders vonden het niet erg omdat de kinderen zo vrolijk leken; hun wangen waren roze van het lachen, want ze waren constant aan het zingen. De volwassenen waren blij dat hun kinderen zo gelukkig waren.
Alleen de kinderen wisten dat Israël hen van en naar school bracht langs een omweg. In plaats van over de weg, zoals de meeste mensen zouden hebben gedaan, liepen ze dwars door de velden en door het bos. Zij riepen naar de grondeekhoorns en ze floten met de vogels. Maar meestal zongen ze liedjes voor de Eeuwige die Israël hen leerde. Prachtige wijsjes zongen ze. En zoals het ons ook zou kunnen gebeuren, kende de blijdschap van de kinderen geen grenzen. Hun liedjes waren zo vervuld met pure liefde dat ze door de barrières braken die de hemelse sferen bewaken. Spoedig vervulden deze liedjes de paleizen van het Goddelijke, en een gerucht begon de ronde te doen, dat de Messiaanse tijd was gekomen.
Toen Satan, de Vijand, dit gerucht hoorde, verscheen hij direct in de hemelse hoven, en met een woede die een grote donderslag veroorzaakte, riep hij uit: “Er is ergens een bemoeial aan het werk en die moet gestopt worden”.
De profeet Elia, wiens taak het was om de komst van het messiaanse tijdperk aan te kondigen, kwam naar voren en zei: “Het zijn maar kinderen.” Maar eigenlijk was Elia zelf onzeker. Zo dichtbij was de wereld nog nooit gekomen. Misschien was de pure vreugde van de kinderen werkelijk een voorteken van de komst van het Messiaanse tijdperk.
Satan wierp een boze blik naar Elia en eiste van God met een bulderende stem, “Laat me deze kinderen uitdagen!”
God zei rustig, “Ga je gang”. *)

Satan kwam dus op aarde en begon zijn zoektocht naar iets of iemand die zijn werk kon doen. Zoals iedereen weet, kan de vijand aanzetten tot dingen, maar de werkelijke daden moeten worden uitgevoerd door levende wezens.
Satan ging de hele insectenwereld af, op zoek naar het insect, dat zijn gif zou brengen in de bloedbaan van de jongen genaamd Israël. Geen enkel insect stemde toe. Hij ging alle dieren af en keek of er een dier was die Israël wilde aanvallen. Maar de jongen kende de taal van de natuur, en alle dieren weigerden. Er was geen enkel levend wezen te vinden, dat wilde samenwerken met de vijand om de jongen kwaad te doen.
Eindelijk vond Satan een oude man die leefde als een kolenbrander. Hij was één van een zeer zeldzame soort, want hij was geboren zonder ziel. Zijn lichaam functioneerde als een normaal lichaam. Maar gevoelens waren absoluut afwezig. Hij kon goed en kwaad niet onderscheiden. Hij kon niet met mensen verkeren.
Toen hij werd geboren had zijn moeder hem dan ook in het bos achtergelaten, want instinctief wist ze dat hij meer dier was dan mens. Hij werd verzorgd door een berin en leerde om te overleven door het eten van mieren en larven.
Maar slim was hij wel en hij bespioneerde mensen die kampeerden in de bossen. Zo leerde hij dingen over vuur, en met die wetenschap leerde hij hoe houtskool te maken. Hij was meermalen gesignaleerd, maar hij zag er zo eng uit en maakte zulke vreemde geluiden, dat de mensen contact vermeden. Toch hadden ze medelijden met hem. Mensen die houtskool wilden, namen wat ze nodig hadden en in ruil lieten ze eten en drinken achter. Hij verstopte zich altijd, wanneer mensen langskwamen om zijn zwartgeblakerd hout mee te nemen. Op die manier hoefde de kolenbrander zijn hele leven lang dan ook geen mens tegen te komen.
Dit was het perfecte schepsel voor het doel van de Vijand, eentje die geen nee kon zeggen tegen zijn boze plannen. Toen hij de kolenbrander slapend aantrof, greep hij in zijn lichaam en nam zijn hart weg. Toen pakte Satan een stuk van zijn eigen hart, het hart van het kwaad, de kern van de donkerste leegte, en plaatste dit zwarte hart in de lege borstkas van zijn schepsel.

De volgende ochtend leidde Israël de zingende kinderen over de velden in de richting van de rij bomen die het bos markeerde. Toen ze bij de bomen waren, stapte plotseling een reusachtig, duister wezen uit het donkere woud, grauwend, grommend, spugend. Zijn ogen glansden rood, uit zijn neusgaten schoten pluimen van oranje mist, die kringelden in de vroege ochtendlucht. Staande op zijn achterpoten was het wezen zo groot als een boom, twintig voet lang. Toen het zijn harige armen spreidde, kon het wel een span paarden omvatten.  Maar het meest angstaanjagende was het gejammer; het wezen huilde en jankte en gilde.
De kinderen vielen ofwel stante pede flauw of ze renden voor hun leven. Ze verstrooiden zich in alle richtingen. Israël was de enige die stand hield, oog in oog met dit monster, en hij bewoog geen spier. Na een tijdje trok de immense weerwolf zich terug in het bos, en de rust was weergekeerd. Steeds als  Israël een van zijn flauw gevallen pupillen weer bijbracht, schreeuwde het kind bij het ontwaken en rende rechtstreeks terug naar huis. Weldra stond Israël helemaal alleen aan de rand van het bos.
De ouders van het dorp waren boos op Israël omdat hij de kinderen door het bos had geleid. Iedereen wist dat er een weerwolf woonde, al dachten de ouders dat de kinderen zijn omvang overdreven. Toch was het dom geweest om ze in het bosgebied te brengen. Nauwelijks beseften ze, dat de kinderen helemaal niet overdreven.
Israël vertelde de volwassenen dat er niets was om zich zorgen over te maken. In feite was niemand gewond geraakt. De kinderen waren bang geweest, dat was alles. Hij verzekerde hen dat ze de volgende dag over hun angst heen zouden raken, en dat zou een goede zaak zijn.
Na een tijdje stemden de ouders met Israël in en zeiden hem dat hij de kinderen de volgende dag kon begeleiden.
De volgende ochtend kropen de kinderen samen toen ze bij de bomen kwamen die het begin van het bos markeerden. En ja hoor, op dezelfde plaats als de vorige dag dook het afzichtelijke beest weer op, brullend en jankend aan de rand van de rij bomen. Israël waarschuwde de kinderen om zich stil te houden of om te gaan liggen en als ze wilden hun gezichten te bedekken. Hij zou het schepsel aanpakken. Israël liep alleen naar voren en plaatste zich direct tussen de weerwolf en de kinderen. Naarmate hij dichterbij het beest kwam, doemde het groter en groter op, totdat het als een zwarte wolk hem omhulde. Bang was hij zeker, maar de woorden van zijn vader op zijn sterfbed bleven zich herhalen in zijn geest: “Wees niet bang voor de vijand, want God is altijd bij je”. Hij bleef lopen. De weerwolf verroerde zich niet. Dichter en dichterbij. Hij liep tot hij bij hem was. Toen kwam de donkere wolk neer, en Israël bevond zichzelf midden in de demon. In de duistere schaduwen zag hij zijn gladde, zwarte hart, het hart van de duisternis. Hij strekte zijn hand uit, nam het in zijn handen, en stapte achteruit. En buiten het lichaam van het schepsel was hij weer.
Het hart kronkelde en klopte in zijn handen. Het was glibberig en weerzinwekkend, maar Israël hield het vast in zijn greep. Op dat moment had de jonge Israël het in zijn macht om het hart van het kwaad te kunnen vernietigen. Als hij dat zou doen, zou de wereld nooit meer hetzelfde zijn. Maar hij zag een druppel bloed langs de ene kant van het hart druppelen, en zijn ziel werd in zijn diepste diepten geraakt. Hij kon zien dat dit hart gefolterd werd; het was in doodsangst. Ook dit hart leed onder de immense pijn van de scheiding, net zoals iedereen in de wereld. Want zelfs het hart van het kwaad heeft een vonk van het Goddelijke in zich, en ook dat hart verlangt om te worden teruggestuurd naar zijn bron.
Zo opende het mededogen van de jonge Israël zich wijd en zijn enige keuze was om het hart te verlossen. Hij zette het neer op de aarde. Op dat moment spleet de aarde open en slikte het hart de diepte in.

De volgende dag vonden de dorpelingen het lichaam van de kolenbrander. Er wordt gezegd dat hij een rustige blik op zijn gekwelde gezicht had. Er wordt ook gezegd dat de kinderen nooit meer zo gelukkig waren, want het hart van de duisternis bleef zijn werk doen. De vrees die het had achtergelaten was nu in de kinderen en beïnvloedde hun daden, gevoelens en gedachten. Eigenlijk waren ze nu meer als hun ouders en niet meer de onschuldige kinderen die zij vroeger waren.

Rabbi Zalman zei: “Vrienden, het lijkt eerst een treurig verhaal – zou het misschien beter zijn geweest als Israël het hart had vernietigd? –, toch is het is een verhaal van groot optimisme . Want het leert ons een grote les. De les is dat zelfs het hart van Satan een goddelijke vonk bevat, zelfs het hart van het kwaad verlangt om verlost te worden.
Dit is belangrijk, omdat we weten dat het onze taak niet is een slagveld te formeren om het kwaad uit te roeien, maar om naar haar vonk van heiligheid te zoeken. Het is onze taak niet te vernietigen maar om te bouwen, niet te haten, maar naar een plaats te zoeken waar het mogelijk is om mee te geven, niet te polariseren, maar om punten van gemeenschappelijkheid te ontdekken, zodat we samen kunnen werken. Leer deze les, lieve vrienden, het zal u goed van pas komen”.

RC

De legende bevat een aantal essentiële noties: 
de vonk van de Universele Schepper is overal, zelfs in het kwaad
 
zoek die vonk in alles
 
onvermijdelijk beleeft iedereen als kind ooit een keer het kwaad en behoudt de sporen daarvan in zijn hart
 
loop niet weg voor het kwaad, zie het in de ogen
oefen compassie voor alles

*) De Joodse uitleg van de Bijbel (midrasj) spreekt niet van de Duivel in christelijke zin als een (bijna) gelijkwaardige tegenstander van God, maar van de Satan die handelt als een procureur/aanklager in het hof van God. Echter, de Satan heeft geen macht uit zichzelf, hij moet toestemming krijgen van God om alles te doen . ( http://mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/19118-joodse-visie-de-satan-bestaat-wel-de-duivel-niet.html )

HOGER DAN DE HEMEL

een chassidische vertelling

verteld door Isaac Leib Perez *)

In het vorderende najaar vallen voor de joden de zogenaamde Hoge Feestdagen, dat zijn het Joods Nieuwjaar en de Grote Verzoendag. De weken vóór die Hoge Feestdagen zijn een periode van inkeer en overdenking over de levenswandel van het afgelopen jaar en in de diensten in de synagoge worden die weken smeekbeden tot de Eeuwige gebeden om hem te bewegen tot vergeving van de verkeerde daden van dat afgelopen jaar en tot het geven van zegen en bescherming voor het komende jaar.

Zo gebeurde dat ook lang geleden in het stadje Niemirov, ergens in Oost-Europa, een stadje met veel chassidische joden, arme mensen met een spontaan en diep geloof in God en vertrouwen in hun rebbe.

Tijdens die dagen van de smeekgebeden ging de Rebbe van Niemirov altijd vroeg van huis en dan was hij nergens meer te vinden. Hij was niet in de synagoge, hij was niet in de twee leslokalen, ook niet bij een of andere gebedsbijeenkomst en helemaal niet in zijn huis, je kon het zo controleren: de deur stond altijd open. Iedereen kon in en uitgaan, want wie zou er nou stelen bij een Rebbe?

Waar kon de Rebbe zijn? De joden van Niemirov hadden de oplossing; waar kon hij anders zijn dan in de hemel! Natuurlijk dáár moest hij zijn.
Want had de Rebbe daar in de hemel vóór die ontzagwekkende dagen van de Hoge Feestdagen, niet heel veel in orde te maken voor zijn gemeente? Zoals het afsmeken van een baantje voor de arme joden, vrede voor de gemeenschap, gezondheid voor de mensen en een goede echtgenoot zijn voor de kinderen. Natuurlijk was het de opdracht om goed te leven en vroom te zijn, maar ja, groot in aantal zijn toch de zonden en Satan met zijn duizend ogen speurt de wereld af van het ene eind naar het andere en wat hij ziet klaagt hij daarboven in de hemel aan. En wie kan er dan in die hoge sferen anders helpen dan de Rebbe?
Zo dachten de mensen.

Maar eens kwam er een jood uit Litouwen in het stadje. Hij dreef de spot met de mensen die zo dachten. Die Litouwse joden, moet u weten, die verdiepen zich niet in de praktijk van het boete doen en wat daar allemaal bij komt kijken, die studeren de hele dag uit de boekdelen van de Talmoed en lezen boeken over de Talmoed en boeken over die boeken en ze praten heel geleerd met elkaar.
Die geleerde Litouwer raakte in gesprek met de gelovige Chassidische joden en in dat gesprek kwam hij met het argument: “Hoe kan de Rebbe nou in de hemel zijn? Zelfs onze leraar Mozes steeg tijdens zijn leven niet op in de hemel. Hij bleef zoals bekend op aarde, diep onder de hemel….”Sulam_Yaakov
De chassieden keken elkaar aan; wat kan je nou inbrengen tegen een Litouwer?
“Maar waar is de Rebbe dan?” vroegen ze.

“Is mij dat een zorg?”, antwoordde hij schouderophalend.

Maar tegelijk (wat zo’n Litouwer toch niet allemaal voor elkaar krijgt!) besloot hij de zaak te onderzoeken.

Nog die avond, meteen nadat het avondgebed was uitgesproken, sloop de Litouwer stiekem de kamer van de Rebbe in, kroop onder zijn bed en bleef stil liggen. Hij besloot de nacht daar wakend door te brengen om te kijken waar de Rebbe naar toe verdween en wat hij in de tijd van de smeekbeden deed.

Een ander zou misschien indutten en de tijd verslapen, maar de Litouwer vond een oplossing: uit zijn hoofd mompelde  hij een heel hoofdstuk uit de Talmoed voor zich uit!
Tegen de dageraad hoorde hij hoe men de vrome joden wekte voor de smeekgebeden in de synagoge.

De Rebbe sliep allang niet meer. Al een uur lang hoorde hij hem kreunen.
Wie de Nemierover Rebbe een keer had horen kreunen, weet hoe het lijden van het joodse volk de Rebbe aangreep, hoeveel smart er in iedere zucht van de Rebbe lag….Het was hartverscheurend, als je zijn gekreun hoorde! Maar een Litouwse intellectueel heeft een hart van staal. Hij hoorde het gekreun en bleef toch rustig liggen onder het bed en verroerde zich niet. Ook de Rebbe bleef nog liggen: de Rebbe, moge hem een lang leven zijn beschoren, op het bed, de Litouwer onder het bed.

Even later hoorde de Litouwer hoe de bedienden wakker werden, hoe ze de ochtendgebeden mompelden, water over de vingernagels goten en hoe de deuren open en dicht gingen. Toen verlieten de mannen het huis. Het werd weer stil en donker en door het raam drong bleek maanlicht de kamer binnen.

Later bekende de Litouwer, dat angst en een eerbiedige huiver hem overviellen, toen hij met de Rebbe alleen achterbleef. Hij voelde rillingen over zijn huid. De wortels van zijn slaaplokken staken hem als naalden. Stel je eens voor hoe het is om tijdens de dageraad in de tijd van de smeekbeden met een chassidische rebbe alleen in zijn slaapkamer te zijn…

Maar een Litouwer is koppig en hoewel hij trilde als een riet, bleef hij liggen.

Eindelijk stond de Rebbe, moge hem een lang leven zijn beschoren, op

Nadat hij water over zijn vingernagels had gegoten, opende hij de kledingkist en nam er een pak boerenkleren uit: een broek van grof linnen, grote laarzen en een pelsmuts met een brede lederen band, geheel verstevigd met koperen spijkers.

De Rebbe trekt de boerenkleren aan…

Uit de zak van zijn overjas kijkt het topje van een groot touw naar buiten – een boerentouw!
De Rebbe gaat de kamer uit, de Litouwer achter hem aan.

Uit de gang komt de Rebbe de keuken in, buigt zich onder een bed en haalt een bijl tevoorschijn, bergt die in een vouw van zijn jas en verlaat het huis.
De Litouwer volgt bevend van angst de Rebbe.

Over de stegen zweeft een sfeer van berouw en boetedoening. Uit een van de gebedsruimten klinkt vol weemoed de roep van iemand die de smeekbeden bidt. Dan uit een nachtdonker raam het gekreun van een zieke. De Rebbe stapt langs de kant van de weg in de schaduw van de huizen. De Litouwer volgt hem.

Het hart van de Litouwer bonst op de maat van de zware stap van de Rebbe.

Tegelijk met de Rebbe raakt hij buiten de stad.

Buiten de stad bevindt zich een bosje.

De Rebbe, lang moge hij leven, loopt het bosje in.
Na dertig of veertig stappen blijft hij staan voor een boom. De Litouwer schrikt; hij ziet, hoe de Rebbe uit de vouw van zijn jas de bijl tevoorschijn haalt en hoe hij begint met het kappen van de boom.
Krachtig zwaait de Rebbe de bijl, de boom begint te kraken en valt dan op de grond. De Rebbe splijt het hout in kleinere stukken. Met het touw uit de zak bindt de Rebbe de stukken hout tot een bundel samen en dat gooit hij over zijn schouder.
Dan steekt hij de bijl weer weg in de vouw van zijn jas, verlaat het bosje en loopt langzaam weer terug naar de stad.

In een donker achteraf steegje blijft hij voor een armoedig half weggezakt huisje staan en klopt op het raampje.
“Wie is daar?” klinkt een geschrokken zwakke stem uit het raampje naar buiten. De Litouwer herkent de stem van een zieke vrouw.
Ja, ik!” antwoordt de Rebbe in het taaltje van de boeren, dat wil zeggen op z’n Witrussisch.
“ Kto ja” Wie is ik?” vraagt de vrouw uit de kamer. En de Rebbe antwoordt weer op z’n Witrussisch:
“Ja, Vasil!”
“Welke Vasil en wat wil je, Vasil?”
“Vasil de houtkoper”, zegt de als Vasil verklede Rebbe. “Hout heb ik te koop … voor bijna niets.”
En zonder een antwoord af te wachten stapt de Rebbe de kamer binnen.

De Litouwer sluipt er achteraan, en bij het bleke licht van de vroege morgen ziet hij een armoedig ingericht vertrek met kapotte meubels. In bed ligt een oude vrouw gehuld in vodden. Met bittere stem zegt ze:
“Kopen? Waarmee moet ik het kopen? Waar moet ik, arme weduwe, het geld vandaan halen?”
“Ik geef het je op krediet”, antwoordt de verklede Vasil. “Het gaat maar om zes stuivers.”
“Hoe betaal ik je dat ooit?” zucht de oude vrouw.
“Doe niet zo moeilijk”, zegt de Rebbe berispend. “Jij bent een arme zieke jodin en ik laat hier voor jou dit beetje hout achter, zo zit dat. Ooit betaal je het me wel een keertje terug. Mijn vraag aan jou is: Geloof en vertrouwen, kan je dat ergens in jezelf vinden? Dan kan je zeggen, God, wat ongelooflijk weinig, maar zes stuivers voor zo’n bundel hout!”

“En wie moet voor mij de kachel aanmaken?” klaagt de weduwe. Heb ik de kracht om op te staan? Mijn zoon is tijdens zijn werk omgekomen …”
“Ik zal ook de kachel aanmaken”, zegt de Rebbe.
En terwijl hij het hout in de kachel legt, mompelt de Rebbe licht kreunend het eerste gebed van de drie voorgeschreven smeekgebeden (slichot).
Het vuur in de kachel ontvlamt en het hout begint knappend te branden. Op dat moment spreekt de Rebbe het tweede smeekgebed.
Het derde smeekgebed in de reeks van smeekgebeden sprak de Rebbe toen het hout al was opgebrand en hij het deurtje van de kachel sloot.

De Litouwer, die het allemaal gezien had, werd toen voor de rest van zijn leven een chassied, een vrome aanhanger van de rebbe van Niemirov.

Als dan later een Chassied begon te vertellen, dat de Rebbe van Niemirov tijdens de smeekgebeden bij het aanbreken van de dag in de hemel was, lachte de Litouwer niet meer, maar voegde er stilletjes aan toe:

“hoger dan de hemel!”

*)

uit: Die Seelenwanderung einer Melodie, Erzählungen, (uit het Duits vertaald en bewerkt door Rob Cassuto)

DE PAARDENLUISTERAAR

Hoe Rabbi Israël door zijn begrip van de taal der dieren een gekwelde ziel verloste.

Vaak placht Rabbi Israël op zijn tochten naar verre dorpen de nacht door te brengen in het huis van de herbergier, wiens kind hij had gered van het boze oog van de Poolse landedelman. Meestal reisde Rabbi Israël in zijn eigen kleine wagen; maar af en toe reed hij mee met de diligence. De koetsier heette Chaim en Chaim hield wel van een slok.

Vlak voor de herberg lag een erg steile heuvel. Als een wagen die heuvel op moest zweetten de paarden en de koetsiers vloekten en klapten met hun zwepen, en vaak moesten de passagiers uitstappen om de paarden te helpen hun last de heuvel op te sjorren. Maar Chaim was met geen enkele andere koetsier op de weg te vergelijken. Chaim liet zijn paarden in één ruk de heuvel opdraven. Alleen, vóór hij deze prestatie leverde had Chaim een slok nodig. Iedere keer als hij bij de heuvel aankwam stopte hij zijn paarden, haalde een fles uit zijn zak en nam een stevige teug. Dan zei hij tegen de mensen in zijn wagen, “Neem er ook eentje!”, en hij bood hen de fles aan. En Rabbi Israël dronk dan met hem mee, want wanneer mannen samen drinken zijn ze vriendelijk voor elkaar en hun blijdschap is pure eredienst.
Wanneer de paarden op de top van de heuvel kwamen, had Chaim nog een slok nodig en daarvoor ging hij de herberg binnen.
Chaim zat dus iedere dag in de herberg te drinken en iedere dag was hij de herbergier meer geld schuldig.
“Eens zal ik je betalen!” zwoer hij, “zelfs al zal ik mijn ziel ervoor moeten verpanden!”
“We leven maar één keer!”zei Chaim altijd. “Op het leven!” En wie kon dat niet met hem eens zijn?”
Op een keer gebeurde het dat Chaim in zijn opgetogenheid van zijn wagen viel, zijn nek brak en stierf. Alle Joden in die streek waren verdrietig, want op de weg was er nooit zo’n goeie koetsier geweest als Chaim. Maar de herbergier was het verdrietigst van allemaal, want Chaim was hem een hele hoop geld schuldig.

Een paar jaar later kwam Rabbi Israël die kant uit en hield halt bij zijn oude vriend de herbergier. Rabbi Israël kwam in zijn eigen wagen en verzorgde, zoals zijn gewoonte was, zelf zijn paard. ‘s-Avonds ging hij naar buiten naar de stal om zijn paard te voeren en toen hij in de schuur was keek hij om zich heen om te zien hoeveel beesten meer of minder dan het vorig jaar de herbergier in zijn schuur had. En hij zag dat het de herbergier goed ging. Hij bekeek het ene paard na het andere, klopte op hun flanken en wreef ze op met zijn handpalmen. Daar hij de taal van vogels en viervoeters verstond praatte hij nog een poosje met ze. Terwijl hij de stallen doorging zag hij een klein paard dat naar hem toe wilde komen. Hij rukte aan zijn hoofdstel en schudde zijn hoofd op en neer. Hij riep als het ware de rabbi.

Rabbi Israël liep naar hem toe en ging met zijn hand langs de neus van het paard. Toen luisterde hij naar het paard. Daarna ging hij weg en haalde haver uit zijn eigen zak en gaf het aan het paard. En hij haalde een emmer vers water voor het dier. Hij ging weer naar de herberg maar kwam snel terug in de schuur en goot een scheutje whisky uit een fles in de emmer van het paard.
Toen de Rabbi terug was in de herberg zij hij tegen de baas: “Weet je wat, verkoop mij dat kleine paardje dat je in de schuur hebt, dat dier dat kleiner is dan alle anderen.”
De herbergier antwoordde: “Meester, u weet dat ik graag alles wat ik bezit aan u zou willen geven. Neem een van de andere paarden. Neem twee van de andere paarden. Het zijn mooie paarden en meer waard dan dat kleintje”.
“Maar het is juist dat kleine paard dat ik graag wil hebben,” zei de Baal Shem Tov, “Ik vind hem heel aardig. Zeg me, waarom geef je me liever twee betere paarden dan dat je deze zou verkopen?”
“’t Is vanwege de heuvel,”zei de herbergier. “Je kent die steile heuvel daar, voor het huis. Hij is het enige paard, dat een wagen helemaal op z’n eentje de heuvel op kan trekken. Als hij bij die heuvel komt trekt hij als drie paarden in plaats van één.
Rabbi Israël lachte zachtjes. Hij zei er verder niets meer over.
Maar een uur later zei hij tegen de herbergier, “Zeg me, gaat het je hier goed?”
“Met Gods hulp, ja,” zei de man.
“Zijn veel mensen je geld schuldig?”
“Wel, af en toe zijn ze me geld schuldig. Als ze kunnen betalen, doen ze dat”.
“Laat me de papieren zien die jij hebt van de mensen die een schuld aan je hebben,” zei de Baal Shem Tov.
De herbergier begreep niet wat hij met die zaken wilde; maar hij ging de papieren toch halen.
De Baal Shem Tov bekeek het ene papier na het andere.
Ten slotte zei hij, “Wil één van die schulden aan mij overdoen?”
“Kies er maar eentje uit,” zei de baas.
Rabbi Israël pakte een van de papieren uit de bundel en gaf de rest terug aan de waard. De waard keek naar de naam op het papier dat de Rabbi had gekozen en barstte in lachen uit.
“Wat wil je hier nou mee!” zei hij. “Zie je niet dat dit gaat over de schuld van Chaim de koetsier? Hij is al drie jaar dood, Rabbi! Van hem krijg je geen cent meer!”
“Toch wil ik dat je deze schuld aan mij overdoet,” zei de Rabbi.
De herbergier overhandigde hem het blaadje papier. De Baal Shem Tov nam het, scheurde het in stukjes en wierp die in het vuur.
“Ga naar het kleine paard in de stal kijken,” zei de Baal Shem Tov tegen de herbergier.
De man krabde zich op het hoofd, hij begreep niet wat er aan de hand was. Maar hij pakte een lantaarn en ging naar de stal en zocht naar zijn paardje, dat beest dat wagens de heuvel optrok als drie paarden bij elkaar.

Het paard lag dood op de grond.

Rabbi Israël zei tegen de herbergier: “Weet je nog, hoe Chaim zwoer dat hij jou zijn schuld zou betalen? Toen hij gestorven was kon zijn ziel de hemel niet binnen totdat hij zijn schuld had betaald. Daarom ging zijn ziel in het paard en om zijn schuld te vereffenen werkte hij als drie paarden bij elkaar. Deze avond smeekte hij mij hem te helpen. Hij sprak met mij en ik zag dat het tijd was voor zijn ziel om verlost te worden”.

De herbergier verwonderde zich meer dan ooit over de wijsheid van Rabbi Israël.

Vraag van de Mussar redactie:

“Hoe voelt dit verhaal? Hebben wij hier te maken met Chessed (barmhartigheid) of raakt dit toch ook wel Nedivut (vrijgevigheid), een vorm van barmhartig geven zonder eigen winstoogmerk of eigen belang?”

Vertaald uit: Meyer Levin, Classic Chassidic Tales, Jason Aronson, 1996

HET LIED VAN DE JONGEN

Een verhaal op basis van Chassidische legenden, door Rob Cassuto.

Het speelde zich een flinke tijd geleden af, toen de wereld omhuld leek met een zware, dikke deken. De verbinding met de hemel was verbroken en – wat op hetzelfde neerkwam – een barrière stond het contact van de mensen met hun ziel in de weg. Hun innerlijk kwam in het nauw, hun geest verdroogde en een droevige schemering flakkerde achter hun ogen.
De mensen praatten met elkaar over wat er precies aan de hand was, ze hielden conferenties, symposia en hielden massale gebedsbijeenkomsten. De stortvloed van woorden werd steeds groter, maar de woorden stegen niet op, maar sloegen neer en bedekten de aarde in steeds dikkere lagen. Ook in het verre land Podolië, waar heel veel Joden woonden, deed de benauwenis zich voelen. De synagoges liepen vol en de mensen zwoegden in de vorm van eindeloze gebeden en smeekbeden .
Nu woonde er in Podolië de beroemde rabbijn Israël, de zoon van Eliëzer. Hij had als bijnaam de Ba’al Shem Tov, wat een erenaam was voor een wijze rabbijn, die zelfs af en toe een wonder kon doen. Hij reed met zijn wagen het hele land af om genezing en heling te brengen en dienst te doen in de synagogen, die op zijn weg lagen.

Toen eens Rabbi Israël op het punt stond een synagoge binnen te gaan, stopte hij voor de deur en zei, “Ik kan hier niet naar binnen. Er is geen plaats voor mij.”
Zijn metgezellen en leerlingen, de chassidiem, zeiden, “Zoveel mensen zijn er toch niet in de synagoge?”
“Het huis is van de bodem tot het dak gevuld met gebeden!”, zei de Meester.
Hij zag dat zijn woorden de Joden van de synagoge met trots vervulden; ze vatten zijn woorden op als een compliment voor hun vroomheid. Snel sprak de meester toen, “Die gebeden zijn allemaal dode gebeden. Ze hebben geen kracht om naar de hemel te vliegen. Ze zijn neergestort, ze liggen boven op elkaar, het huis is er helemaal vol van.”
En hij keerde terug naar Medzibuz, het stadje waar hij woonde.
Rabbi Israël, bijgenaamd de Ba’al Shem Tov, voelde de zware deken steeds dichter op hem en zijn gemeenschap drukken. Hoe kon hij die barrière doorboren en een opening naar de hemel maken?

Op een tocht door de omgeving van het stadje Medzibuz kwam rabbi Israël eens langs de eenvoudige woning van een Joodse herder. Deze was zeer vereerd met het bezoek van de befaamde rebbe met zijn imposante bonthoed en baard. Zijn vrouw schonk een kop thee uit de samowar en offreerde latkes, aardappelkoekjes. Toen nam de man schuchter het woord: ‘meester, ik heb een grote zorg, ik heb maar één zoon, David, die niet kan leren. Ik weet niet of hij niet wil of niet kan, maar het alfabet kan hij niet onthouden.
Zo is hij als hopeloos geval van school gestuurd. Hij is nu bijna elf jaar, een sombere knaap,die weigert een boek in te kijken en amper praat met mensen. Hij dwaalt van ‘s ochtends vroeg tot ’s avonds laat door velden en bossen en speelt eindeloos op zijn mondharmonica hetzelfde eentonige wijsje.

Wat kan ik doen?’ De rebbe zei: ‘Gaan jullie de kamer uit en stuur hem naar binnen. Ik zal de knaap streng toespreken.’ Zo deden ze en de jongen kwam binnen en bleef staan. Rabbi Israel wenkte – kom maar David – en David schuifelde wat nader. De Rebbe ging naar de jongen toe en legde teder zijn armen om hem heen. Eerst verstijfde de jongen, toen ontspande hij zich geleidelijk. Hij liet zijn armen hangen en stond de omhelzing toe. De Rebbe trok hem tegen zijn borst en de jongen hoorde het hart van de rebbe kloppen. Zo stonden ze een tijd en hun adem ging tegelijk in en uit.
En?, vroegen de ouders bedeesd maar nieuwsgierig, toen de jongen de kamer uitkwam.
‘We zullen zien, zei de rebbe, kom volgend jaar met de jongen naar Medzibuz, naar de synagoge op Grote Verzoendag.’
De weken die volgden lieten een opmerkelijke verandering zien. Geleidelijk werd de jongen wat spraakzamer. Hij raakte wat meer geïnteresseerd in andere mensen. De stemmingen van andere mensen bleek hij goed te kunnen peilen en hij kwam soms met opmerkelijke observaties van andermans zielenleven. Ook bood hij aan om de schapen van zijn vader te hoeden en op de afgelegen weiden waar hij bij zijn schapen zat klonken uit zijn mondharmonica niet de eentonige wijsjes van vroeger meer, maar gevarieerde melodieën, die wisselden van diep droef tot hemelhoog juichend, maar niemand die ze hoorde behalve de vogels en de Almachtige.
Toen de dag naderde van de Grote Verzoendag nam de vader zijn zoon mee naar Medzibuz en kocht voor hem een nieuwe pet en nieuwe schoenen.
In zijn zak had de jongen steeds zijn trouwe mondharmonica.

Zijn vader nam hem mee naar de synagoge van Rabbi Israël. Anderhalve dag – de vooravond en de hele volgende dag – zijn de mannen op Grote Verzoendag in de synagoge bezig met vasten, gebeden reciteren en zingen uit hun gebedenboek. Samen met zijn vader zit David tussen de andere mannen. De middagdienst is eindelijk aangebroken en wederom slaat zijn vader net als andere mannen zijn gebedenboek open en daar beginnen ze weer te bidden en te zingen om de Almachtige te bewegen hun verkeerde daden van afgelopen jaar met mildheid te bezien en hen te helpen het volgend jaar betere dingen te denken en betere dingen te doen.
De mannen werken hard en de synagoge lijkt wel een werkplaats waar arbeiders hun uiterste best doen een maximale productie te halen. Het is heet en het gezicht van Rabbi Israël is bleek en verwrongen. Kunnen de gebeden ditmaal omhoogstijgen of is het allemaal voor niks?
David trekt aan de arm van zijn vader.
“Vader,” zeg hij, “Ik wil ook zingen. Ik heb mijn mondharmonica in mijn zak. Ik haal hem tevoorschijn en ga zingen.” Maar zijn vader pakt zijn hand.
“Stil!” fluistert hij, “Wil je de Rabbi boos maken? Stil!”
David zit weer stilletjes in zijn bank.
Maar als de mannen opstaan voor het laatste deel van het middaggebed, staat de jongen ook op.
“Vader,“ zegt hij, “Ik wil ook zingen!”
Zijn vader fluistert vlug, “Waar heb je je mondharmonica?”
“Hier in mijn zak.”
“Laat zien.”
David haalt de mondharmonica uit zijn zak en laat hem aan zijn vader zien.
Zijn vader trekt het ding uit zijn hand. “Ik houd hem wel voor je vast,” zegt hij.
David wil gaan huilen, maar hij is bang en houdt zich stil.
Eindelijk breekt het slotgebed van Grote Verzoendag aan. De kaarsen branden trillend in de avondwind en de harten van de gelovigen trillen van verlangen als de vlammen van de kaarsen. Door het hele huis heerst een gewijde stilte als de mogelijkheid van een heilig moment. Het lijkt wel of de Almachtige op het punt staat hun gebeden audiëntie te verlenen. Dan heft de Rabbi zijn handen over hen en begint de woorden te spreken van het centrale gebed van deze avonddienst.
De jongen kan zijn verlangen niet langer onderdrukken. Hij grijpt de mondharmonica uit de hand van zijn vader, zet hem aan de mond en begint zijn muziek te spelen, een hartstochtelijke melodie zuiver en droef en jubelend en schoon tegelijk.
Maar een stille doodschrik overvalt de gemeente. Ontzet kijken ze naar de jongen, hun ruggen ineengekrompen, alsof ze verwachten dat de muren ieder moment op hen zouden kunnen gaan vallen. Dit is een pure ontheiliging, schreeuwt een aantal mannen. Ontoelaatbaar deze breuk in het sacrale ritueel. Een aantal mannen maakte aanstalten om de jongen bij zijn lurven te grijpen en de synagoge uit te gooien.
Maar blijdschap overstroomt het gezicht van Rabbi Israël.
‘Stop!’, riep hij en hij heft zijn gespreide handpalmen over de jongen David.
“Tot op dit moment voelde ik, dat onze gebeden werden tegengehouden als door een deken van dichte wolken, zodat zij niet voor de Almachtige konden komen. Maar dit spel van deze jonge herder was zo zuiver, dat het een opening in het wolkendek om de aarde heeft gemaakt, een doorbraak, waardoor onze gebeden konden opstijgen en voor het aangezicht van de Almachtige konden komen”.
Na afloop van de dienst was er een feestelijke maaltijd om de vasten te breken. David zat met zijn vader naast de meester.
“Graag zou ik willen leren lezen”, zei David tegen de rebbe, “zodat ik ook wijs kan in het gebedenboek en de bijbel”.
“Je kan meteen beginnen op mijn school”, zei de rebbe. Zo begon de loopbaan van David als de grootste rebbe van zijn generatie.

Vraag van de Mussar redactie:

“Heb je in het verhaal de mida Chesed kunnen ontdekken?”

bronnen: 

Classic Chassidic Tales, Meyer Levin, 1932, 1975, Aronson
Chassidische Vertellingen, Martin Buber, 6e druk, 1986, Servire
http://www.hasidicstories.com/Stories/Other Early_Rebbes/how_torah.html

De Opvolger

Na Pesach – het joodse paasfeest – werd de grote chassidische leraar uit het 18e-eeuwse Oost-Europa, Rabbi Israel ben Eliezer – bijgenaamd de Ba’al Shem Tov – ziek. Het werd erger en het zag er somber uit voor de Tsaddik, de rechtvaardige mens. Zijn vertrouwde leerlingen, de chassidiem, verzamelden zich in een belendende kamer, het waren er minstens tien, het minimum voor het bidden van de Joodse gebeden, zodat ze met hun meester de vereiste gebeden konden volvoeren.  Dag na dag hielden ze de wacht in de zeven weken tussen Pesach en het Wekenfeest.
Stille momenten wisselden zich af met perioden, waarin ze spraken over de ziel en het lichaam en de komende wereld en het lot van de ziel na het sterven. nu eens de een, dan weer een ander kwam met een anekdote of een verhaal en daarover discussieerden ze dan en zo gingen de dagen voorbij.

Een van de leerlingen herinnerde zich een bekende parabel uit de Talmoed.
Hij vertelde: ‘Lang geleden in de eerste eeuwen van de gewone jaartelling werd een rabbijn ontboden bij de Romeinse keizer Antoninus, het was Rabbi Juda haNassi, de grote meester die de Miesjna heeft samengesteld, de kern van de Talmoed.
Antoninus, bijgenaamd de vrome, hield wel van een filosofische discussie.
De keizer zei tegen Rabbi Juda haNassi: ‘het lichaam en de ziel kunnen ieder op hun beurt zich vrijpleiten van het oordeel. Het lichaam kan zeggen: het is de ziel die heeft gezondigd, van de dag dat zij me verlaten heeft lig ik stom als een steen in mijn graf. En de ziel kan zeggen: het is het lichaam dat over de schreef is gegaan. Van de dag af dat ik het heb verlaten vlieg ik rond in de lucht als een vogel!’.
Rabbi Juda zei:
‘Er was eens een koning, die een mooie boomgaard had met prachtige vijgen. Hij benoemde twee bewakers voor zijn boomgaard. Een bewaker was verlamd en de ander was blind.
Op een dag zei de lamme tegen de blinde: “ik zie prachtige vijgen in de boomgaard. Kom, ik ga op je schouders zitten en we plukken ze en eten ze op”. En zo gebeurde het, de lamme reed op de schouders van de blinde en ze plukten het fruit en aten het op.
Een poos later kwam de eigenaar langs en hij vroeg hen,
“Waar zijn die mooie vijgen gebleven?”
“Heb ik voeten om mee te lopen?”, antwoordde de lamme en de blinde zei,
“Heb ik ogen om mee te zien?”
Wat deed de koning? Hij zette de lamme bewaker op de schouders van de blinde bewaker en velde zijn oordeel over hen tezamen. Zo vergaat het ook ziel en lichaam’, aldus sprak Rabbi Juda en de keizer zweeg”.

Daar discussieerden de chassidiem een poos over. Weer was het een tijd stil. Bedruktheid over het onvermijdelijk heengaan van de tzaddiek hing in de lucht en droefenis over de vergankelijkheid van de materiële wereld. Dat bracht een van de studenten op een verhaal.

“Van mijn vader, gezegend zij zijn nagedachtenis, heb ik het verhaal van de vos en de wijngaard, misschien kennen jullie het wel.
Een sluwe vos kwam langs een schitterende wijngaard. Een hoge en dikke schutting omgaf de wijngaard aan alle kanten. De vos liep om de hele schutting heen en hij vond een gaatje, dat net groot genoeg was om zijn kop door te laten. De vos kon zien hoe weelderig de druiven in de wijngaard groeiden en het water kwam in zijn mond. Maar het gat was te klein voor hem.
En wat deed de sluwe vos? Hij vastte drie dagen tot hij zo mager was dat hij door het gat kon.

Eenmaal binnen begon de vos naar hartelust te eten. Hij werd dikker en dikker, dikker dan hij ooit geweest was. Toen wilde hij weer weg uit de wijngaard, maar helaas! Weer was het gat nu te klein voor hem. Dus wat deed hij? Hij vastte weer drie dagen lang en toen kon hij net weer door het gat en was hij weer buiten. De arme vos wendde zich naar de wijngaard en zei: “ Wijngaard, o wijngaard! Hoe mooi zie je eruit en hoe mooi zijn je vruchten en je ranken. Maar wat heb ik eraan? Precies zoals ik bij je kwam, zo ga ik ook weer bij je weg”.
Ja, zei een van zijn chassidische makkers, mooi is de wereld, maar zoals koning Salomo al zei: naakt kom je uit de buik van je moeder, naakt ga je weer, niets neem je mee.

Een ander wilde laten zien hoe goed hij de bijbel kende en zei deze zin uit het boek prediker in het Hebreeuws:
‘Ka-asjer jatza mi-bètèn imo, aroem, jasjoev lalèchèt kesje-ba’ כַּאֲשֶׁר יָצָא מִבֶּטֶן
אִמּוֹ, עָרוֹם יָשׁוּב לָלֶכֶת כְּשֶׁבָּא*.Alleen wat je leert van de Tora, de plichten die je vervult en je goede daden, die neem je mee, vulde weer een ander aan.

Zo vertelden ze elkaar nog vele verhalen en anekdoten. Het was niet allemaal even ernstig.
Want tenslotte zeggen de Oude Wijzen: Wie slechts geloof heeft, loopt gevaar een kwezel te worden. Wie slechts humor heeft, dreigt cynisch te worden. Wie geloof én humor heeft, vindt het evenwicht waarmee hij in het leven rechtop kan blijven. 

Een van de studenten herinnert zich een gesprek van een rabbijn met een lid van zijn gemeente.
Dat gemeentelid Chaim Goldstein sprak over zijn vrouw, hoe goed die voor hem was geweest en wat een boffer dat hij haar had getroffen….
Hij vroeg, Waarom zou de Eeuwige haar zo’n goed hart hebben gegeven?
De rabbijn antwoordde: Opdat jij van haar zou kunnen houden, mijn zoon.
En waarom heeft de Eeuwige haar zo’n knap uiterlijk gegeven?

Opdat jij van haar zou kunnen houden, mijn zoon.
En waarom heeft de Eeuwige haar zo’n goede kok gemaakt?
Opdat jij van haar zou kunnen houden, mijn zoon.
Chaim Goldstein dacht hierover na.
Toen zei hij: Ik wil niet ondankbaar wezen of zo, maar waarom heeft de Eeuwige haar zo dom gemaakt?
Opdat zij van jou zou kunnen houden, mijn zoon, antwoordde de Rabbijn.

Een van de chassieden zei met een knipoog:
Ooit probeerde ik iets van de aard van God te begrijpen en vroeg:
God, hoe lang is een miljoen jaar voor U?
God antwoordde: een miljoen jaar is als een minuut.
Toen vroeg ik: een miljoen roebel, hoeveel is dat voor U?
God: als een kopeke.
Toen vroeg ik: God, zou U mij een kopeke kunnen geven?
God antwoordde: over een minuut…

10anavah humility (mussar)

De dagen en weken gingen voorbij, en de toestand van rabbi Israel, de Ba’al Shem Tov, verslechterde. Het Wekenfeest was aangebroken en overdag, voor de avond dat het feest zou beginnen – joodse feesten beginnen op de vooravond – riep de tsaddik zijn leerlingen bij zich.
Hij zei, ik weet dat jullie erop wachten, dat ik onthul, wie mijn opvolger zal zijn.
Maar dat doe ik niet. Jullie zullen hem zelf moeten zoeken onder de leraren van deze tijd.

De chassidiem keken elkaar aan.
Hoe zullen we hem dan herkennen, vroegen ze, bijna in koor.
De Baal Shem Tov antwoordde: een vraag moeten jullie hem stellen, “hoe raakt een mens zijn hoogmoed kwijt?”
En als hij het antwoord weet, is hij dan onze leraar?
Integendeel, zei de Ba’al Shem Tov, iedereen die zegt te weten hoe je bevrijd wordt van hoogmoed is een leugenaar. Hoogmoed en eigendunk zijn vervlochten met het hebben van een ego, en het ego kan zich niet kan ontdoen van zichzelf. En vind je dat het wel kan, dan is dat het toppunt van hoogmoed.
En toch, zei een leerling, is het niet zo dat we zijn geschapen naar het beeld van God? Weerspiegelen wij niet het Goddelijke in onszelf? God is niet gevuld met hoogmoed, dus hoe kunnen wij dat dan wel zijn?

De Ba’al Shem Tov antwoordde: In de Psalmen lezen we: ‘God regeert, bekleed met majesteit’ **. God’s ‘majesteit’ is in feite nederigheid, en de Oneindige God draagt ​​gewaden van oneindige nederigheid. Nu is het waar dat mensen God weerspiegelen, maar net zoals een spiegel. Een spiegel keert om wat het spiegelt, links wordt rechts en rechts wordt links, zo weerspiegelt de menselijke wereld vaak het goddelijke dus omgekeerd.. Als de nederigheid van God oneindig is, dan is de overmoed van de mensheid dat niet minder..

Toen de volgelingen van de Rebbe de kamer uit waren brak na een korte stilte een discussie los.
Hoe kan dat nou, majesteit van God is in feite de nederigheid van God?, zei er een, het woord majesteit alleen al, dat suggereert een glorieuze aanwezigheid; de majesteit van een koning of een koningin is toch ook niet verborgen, maar wordt vereerd.
Denk aan de majesteit van een zonsondergang, die kan zo indrukwekkend zijn, dat het je de adem beneemt. God’s majesteit kan toch niet heel anders zijn?

Een andere leerling zei: Ik denk dat onze meester zou zeggen, inderdaad heel anders is God’s majesteit. Wat de Ba’al Shem Tov bedoelt is, denk ik, dat onze wereld het goddelijke weerspiegelt en het dus omkeert. Wij denken, dat de grootheid van God boven ons is, maar in feite is hij onder ons, beneden ons!

De leerlingen keken hun makker bewonderend en een beetje jaloers aan over dit inzicht.
Hij was de meest geliefde student van de Ba’al Shem Tov.
Dat klopt met Genesis 1:2, riep er een, daarin staat, dat God zweefde over de wateren, en waar woont het water anders dan in lage plaatsen?

De chassidiem ervoeren een gemeenschappelijke aha-erlebnis; ze kregen nu de geest en opgewonden riepen ze door elkaar.
Dan is God is niet de machtige koning die heerst over ons uit de hoogte, God is de subtiele gids die ons steunt vanaf beneden!
God zit niet ergens boven en je hoeft niet op pure wilskracht de hoogste bergtoppen te beklimmen naar de verlichting!
Als God te vinden is op de laagste plaatsen, gaat het in de praktijk om een soort overgave aan de zwaartekracht, dan is het moeiteloos en natuurlijk.

De studenten van de Rebbe werden nu rustiger. Kalm zei een van de chassieden:
Het maakt ook nederig. Waar zit er overwinning, als je van de berg afglijdt? Waar is er trots in overgave? Er is geen overwinning of trots, en dat is de Baal Shem Tov’s punt. Iemand die beweert hoogmoed of eigendunk of ego onder de knie te hebben is een ego, dat nog steeds klimt, in de hoop zijn vlag op de bergtop te planten. Iemand die deze verwaandheid kent en beseft, dat je er niet aan kunt ontsnappen, die is eraan toe om zich over te geven aan het feit dat je niet naar God toe kan komen, maar alleen aan God toe kan geven.

Rabbi Israel ben Eliezer, de Ba’al Shem Tov, die een scherp gehoor had, dat ver reikte, glimlachte in zijn bed; het zou met zijn leerlingen wel goed komen.

Die avond, toen het Wekenfeest begonnen was, kwamen de mensen van de gemeente van het stadje Medzibuz, waar de Rebbe woonde, naar het huis van de Rebbe en deze sprak tot hen over de openbaring van de Tora op de Sinaï, zoals de gewoonte is op dat feest.
De volgende ochtend regelde hij met een aantal leerlingen zijn begrafenis. Later op die dag ging hij op de rand van zijn bed zitten en sprak kort over de tocht van de ziel van het onderste naar het bovenste paradijs, naar de “Boom des Levens”. Toen trok hij zijn voeten op bed en ging liggen.
Hij zei nog: Ik kom zeker nog terug, maar niet zoals ik nu ben.
Toen gaf Rabbi Israel ben Eliezer, de Ba’al Shem Tov, de geest.

Toen de tijd van rouw over hun leraar voorbij was, gingen zijn ouderejaars studenten op zoek naar zijn opvolger. Ze spraken met vele grote leraren en heiligen, en aan ieder vroegen ze hoe je hoogmoed en eigendunk kan verwijderen uit je hart. Iedere rabbi gaf hen wijze raad. Tenslotte kwamen ze bij Rabbi Pinchas van Korets en stelden hun vraag.
De tsaddik schudde zijn hoofd en zei: “Ik ben hier ook bang voor en ik weet geen uitweg.”
“Deze man”, zeiden de Chassidim, “is onze nieuwe rebbe.”

humble

* Pred 5:14 

Zoals iemand uit de moederschoot gekomen, naakt, zó keert hij ook terug. 
Niets van wat hij heeft verworven en in handen dacht te hebben, neemt hij mee.
** Psalm 194: 

1 Prijs de Eeuwige, mijn ziel. Eeuwige, mijn God, hoe groot bent u. Met glans en glorie bent u bekleed,
2 in een mantel van licht gehuld.

___________________________________________________________________________

Gebruik is gemaakt van:

  • Rabbi Rami Shapiro, Hasidic Tales, SkyLight Paths Publications, 2004, pp. 33-35
  • Martin Buber, Chassidische vertellingen, Servire, 6e druk, 1989
  • http://www.chabad.org voor de Lamme en de Blinde en De vos en de Wijngaard.

RC feb. 2016

Waar ben jij? Waar ben ik?

Vooral in de 19e eeuw, toen er nog heel veel Joden in Oost-Europa woonden, – het was nog voor de twee wereldoorlogen – deden veel verhalen en anekdotes de ronde en de oude rabbi kende er heel veel. ‘Waar ben jij? Waar ben ik? Dat lijkt een gekke vraag’, zei hij en keek de kring van zijn leerlingen rond. Maar luister eens naar het volgende verhaal.

‘Er was er eens een man, die erg vergeetachtig was. Het was zelfs zo erg, dat wanneer hij ‘s-ochtends wakker werd hij zich niet kon herinneren waar hij de vorige avond zijn kleren had gelegd. Op den duur kon hij niet meer in slaap komen, zo zenuwachtig was hij dat hij de volgende ochtend zijn kleren niet meer kon terugvinden.

Maar toen kreeg hij een briljant idee. Hij pakte potlood en papier en schreef precies op waar hij ieder kledingstuk had gelegd. Toen legde hij het briefje op zijn nachtkastje naast het bed en snel viel hij in slaap, vol vertrouwen dat hij de volgende ochtend alles netjes zou terugvinden.
En zo gebeurde het. Hij werd wakker, pakte zijn briefje van het nachtkastje en las ieder kledingstuk op: ‘broek over de stoelleuning’, en waarachtig daar hing hij, en hij deed zijn broek aan. ‘Overhemd over de bedstijl’, en hij deed zijn overhemd aan. ‘Schoenen onder de kast’, en hij deed zijn schoenen aan. ‘Pet op de tafel’, en hij deed zijn pet op zijn hoofd. In een paar minuten had hij al zijn kleren aan. Maar plotseling werd hij ontzettend bang.

‘Ja, ja, alles goed en wel’, zei hij hardop, ‘hier is mijn broek, mijn overhemd, mijn schoenen en mijn pet, maar waar ben ik?’
Hij zocht en zocht, keek overal, maar hij kon zichzelf niet vinden’.

De rabbi was even stil. Toen zei hij: ‘en zo is met ons allemaal, we zoeken en zoeken, waar zijn wij? Die vraag van ‘Waar ben ik?’ is misschien nog wel belangrijker dan de vraag ‘Wie ben ik?’. Want voor de vraag ‘Wie ben ik?’ ga je je naar binnen keren, je sluit je af en je isoleert jezelf. Voor de vraag ‘Waar ben ik?’ moet je naar binnen gaan én ook naar buiten. Je moet denken over jezelf en over je omgeving, de anderen en de wereld. Je moet een link leggen tussen binnen en buiten, verbinding maken’.

De oude rabbi had al eerder te maken gehad met die vraag van ‘Waar ben ik?’ En hij vertelde  over de kapitein van de bewakingsdienst in het huis van bewaring, waar hij ooit had vastgezeten, want de Russen hadden in die 19e eeuw niet veel op met Joden en hij had iets onwelgevalligs gepubliceerd.

‘In die tijd kwam de kapitein van de bewakingsdienst eens mijn cel binnen. Ik was in mij­zelf verzonken en merkte hem aanvankelijk niet eens op. Hij vermoedde dat zijn gevangene een bijzonder mens moest zijn. ‘De rabbi wist natuurlijk veel over de bijbel’, dacht hij. ‘Misschien kan de oude man een vraag beantwoorden, waar ik al lang mee zit’.

Want de kapitein las ook vaak in de bijbel en dan dacht hij na over wat hij had gelezen. Een vraag was bij de kapitein opgekomen tijdens het lezen van het begin van de bijbel over de schepping van de mens, van Adam en Eva. Het zijn de verzen, waarin Adam net uit het paradijs is verbannen en zich met Eva tussen de bomen heeft verborgen. God wandelde in de koelte van de avondwind door de tuin en Hij riep ‘Adam: Waar ben je?’ Hoe kan dat nou, dacht hij, God weet toch alles, waarom vraagt hij dat nou? De kapitein zag dat ik vaak verdiept was in meditatie en gebed. Hij besloot eens op bezoek te gaan, kwam mijn cel binnen en begon een gesprek over de bijbel en kwam al snel op die passage in Genesis. De kapitein vroeg “Hoe moet ik dat nou opvatten, God, die alles weet, roept, Adam, waar ben je?”.
“Geloof je”, antwoordde ik, “dat de Bijbel voor ieder tijdperk, elk geslacht en ieder mens een boodschap heeft?”.
“Dat geloof ik”, zei hij.
“Nou”, zei ik “op ieder moment richt God zich tot elke mens: ‘Waar ben je in jouw wereld? Er zijn in je leven al heel wat jaren en dagen verstreken, hoever ben je intussen gekomen in jouw wereld?’
Zo vraagt God bijvoorbeeld op dit moment aan jou: ‘Zes en veer­tig jaren heb jij tot nu toe geleefd, waar ben jij nu?'”
Toen de kapitein hoorde hoe ik het aantal van zijn levensjaren noemde, werd hij behoorlijk bang. Maar hij vermande zich en legde zijn hand op mijn schouder.
„Bravo!”, riep hij, maar met angst in het hart.

De kapitein wilde de bijbel op een tegenstrijdigheid betrappen. Maar hij kreeg als reactie eigenlijk geen antwoord. Als reactie werd hij wel persoonlijk geconfronteerd met een belangrijke levensvraag: waar ben jij met je leven?

De oude rabbi zat op zijn praatstoel, hij had veel nagedacht over de Genesisverhalen.
‘Die Adam, mens, en Eva, de geefster van leven, hadden zich verborgen, toen de vraag hen werd toegeroepen, de eerste vraag, die God aan de mens in het verhaal van de schepping heeft gesteld. Vanaf dat moment gaat die vraag door de wereld, gaat op de wind, door alle tijden, door alle eeuwen, naar ieder mens toe, waar ben je? Dan is de vraag die door de bomen waait en naar je toekomt vanuit het bestaan, van God kan je zeggen, behoorlijk confronterend. De vraag is tegelijk een appel, een uitdaging om tevoorschijn te komen uit die schuilplaats. Als de Eeuwige Adam en Eva roept komt Adam toch samen met Eva tevoorschijn. De mens erkent, dat hij bang is. Hij schaamt zich. Maar hij komt wel uit voor zijn gevoelens. Hij neemt verantwoording.
Dat is voor mij en jou ook een mogelijkheid, om uit je schuilplaats te komen.

Want als je probeert te ontdekken waar je eigenlijk bent kan het voorkomen, dat je ontdekt, dat je in een schuilplaats zit. Je hebt je verscholen. Je bent niet echt hier. Waarom? Misschien ben je bang of schaam je je over iets. Voor wie ben je verscholen, ga maar na, ieder voor zich. Durf je tevoorschijn te komen? Dat is soms nog een hele toer. Soms spring je plotseling te voorschijn en zeg je ‘Hallo, hier ben ik!’
Maar meestal gaat het stapje voor stapje en soms doe je er een heel of half leven over om uit de schuilplaats te komen’.

TheRoosterPrince-040810

Opeens moest de rabbi denken aan rabbi Nachman van Breslow. Hij kreeg lichtjes in zijn ogen en lachrimpels om zijn mond. ‘Horen jullie eens’, zei hij tegen zijn nieuwsgierige leerlingen:
‘Die Nachman van Breslow maakte het in zijn verhaal over een prins wel heel bont. Die prins had zich niet alleen verborgen, hij had zichzelf wijsgemaakt, dat hij helemaal iemand anders was dan hij was. De prins dacht namelijk dat hij een kalkoen was en hij verborg zich naakt onder de eettafel en leefde van de kruimels die van de tafel vielen. De koning was wanhopig, geen dokter kon de prins genezen. Een zwervende wijze hoorde hierover en bood zijn diensten aan. De koning ging daar graag op in en de wijze kleedde zich uit en woonde samen met de prins naakt onder de tafel en stelde zich voor als medekalkoen. Na een paar weken stelde de wijze voor een jas aan te doen.
Onzin, zei de kalkoen-prins, kalkoenen dragen geen jas.
Er is geen wet, die kalkoenen verbiedt een jas aan te doen, zei de wijze man en gaf een jas aan de prins, die hierover even nadacht en de jas toen maar aantrok.

Een paar dagen later liet de wijze man, gekleed in zijn jas, een heel diner onder tafel opdienen.
Wat doe je nou? Vroeg de kalkoen-prins.
Er is geen enkele reden, waarom kalkoenen moeten leven van kruimels en brokjes, als er een heel diner op ons wacht. De prins deed ook maar mee en samen met de wijze at hij van het feestelijke maal.

Toen een week later het diner eraan kwam stelde de wijze man voor om het maal te gebruiken aan tafel gezeten in een stoel. Jaja, ik weet al wat je gaat zeggen…Hij was het protest van de prins voor en zei: er is geen wet die het kalkoenen verbiedt om aan tafel te zitten. Bovendien gaat het eten op die manier veel gemakkelijker. Kom maar en kijk zelf maar.
Dat deed de prins en zo genas hij geleidelijk van zijn illusie.
De moraal van dit verhaal?
Je kan in je hart denken, dat je een kalkoen bent en dat je plaats onder tafel is om de kruimels te eten, je kan denken, dat je een schurk, een dief, en slecht mens of een loser bent, dat is vaak moeilijk te veranderen, je innerlijke gedachten zijn vaak zo hardnekkig. Maar je kan wel luisteren naar de wijze raad van je innerlijke Wijze Man of Vrouw en anders gaan handelen. Je kan je gedragen alsof je een prins bent en gebruik maken van de faciliteiten van het paleis, van je status en wie weet veranderen je gedachten op den duur ook wel in die prinselijke richting’.

RC jan 2015

Bronnen: Rabbi Rami Shapiro, Hasidic Tales, Skylight Paths Publishing, 2004
Martin Buber, DE WEG VAN DEN MENS VOLGENS DE CHASSIDISCHE LEER, 
Den Haag, LJC Boucher, 1956, oorspr. titel: “Der Weg des Menschen”. 

De rijke tobber in Lublin

Lang geleden woonden in Lublin, een stadje in Polen, veel Joden. De meesten waren arm, maar Jakov, de lakenkoopman, was heel rijk en woonde in het rijke deel van de Joodse wijk in een statig herenhuis. Toch was hij niet gelukkig en zocht hij overal oplossingen voor zijn sombere stemmingen. Hij had braaf gestudeerd in dikke en vrome boeken om de beste adviezen te vinden tegen depressie, Hij had lange gebeden gezegd voor genezing van ziekten. Hij had zelfs peperdure pillen geslikt, die waren voorgeschreven door een beroemde dokter in Warschau. Hij had ook gehoord over Elia, de profeet Elia. Die was zoals de bijbel verhaalt ooit ten hemel opgestegen in een vurige wagen en hij zou nog steeds af en toe afdalen om mensen in nood bij te staan. Elia zou hem misschien kunnen helpen. Maar ja, waar was hij? Dat was de vraag.
De Baäl Sjem Tov was de man om die vraag voor te leggen. De Baäl Sjem tov was een rondreizende wijze Rabbijn en heelmeester, die toevallig een paar weken logeerde in een logement in Lublin, waar hij zijn volgelingen ontving en hen van advies diende.
‘Geen idee’, zei de Rabbijn, ‘waar Elia is te vinden’.
‘Ik weet het echt niet’, zei hij de volgende dag, toen Jakov weer langs kwam.
Een paar dagen lang poogde de rijke man opnieuw een antwoord aan de Baäl Sjem Tov te ontlokken. Tevergeefs.
Eindelijk, op een vrijdagochtend, gaf de wijze rabbijn sjoeche.
‘Deze sjabbat kan je Elia ontmoeten’, zei hij, ‘dit moet je doen: laad je wagen vol met alles wat nodig is om een feestelijke sjabbat te vieren: brood, wijn, groenten, kip, koeken, fruit en een keur aan lekkernijen. Rijd de stad uit naar het bos. Midden in het bos staat een hut. Vraag of je daar de sjabbat mag doorbrengen’.
Jakov sprong op en ging alles voorbereiden. De sjabbat begint altijd al aan het begin van de vrijdagavond, dus hij moest voort maken. Zo reed hij die middag een paar uur lang met een beladen wagen het bos door langs kronkelige paden, tot hij bij een armoedige hut kwam. Hij klopte aan. Een vrouw in een opgelapte oude jurk deed open, kinderen staken nieuwsgierige hoofdjes tussen haar armen door.
‘Zou ik bij u de sjabbat mogen doorbrengen?’
‘Maar natuurlijk!’, zei de vrouw, ‘ Jankele, we hebben een gast’, riep ze verheugd naar achter en een bevestigende brom van haar man klonk ergens.
‘We hebben niet veel, maar we delen natuurlijk wat we hebben’.
‘Dat is geen probleem’, zei de rijke man,’ ik heb het nodige bij me’.
Jankele, zijn vrouw Sara en de zeven magere kindertjes zagen verbijsterd hoe de welgevulde en goedgeklede koopman de spullen voor de sjabbat binnenbracht, de vette kip, de sla, de sperziebonen, tomaten, uitgelezen kruiden, broden, de sjabbatwijn, amandelkoeken, chocolade bonbons, druiven, dadels en vijgen, een roompudding, en ook nog een mooi wit kleed en zilveren kandelaars voor de twee sjabbatkaarsen. Het gezin stond als bevroren met open mond toe te kijken. Toen sprongen de kinderen op en buitelden over elkaar heen van blijdschap. Sara brak in snikken uit bij het zien van zo’n overvloed en Jankele nam haar troostend in zijn armen. Toen ging ze aan de slag en het povere keukentje vulde zich met heerlijke geuren.
Er volgde een sjabbatavond zoals het gezin nog nooit had meegemaakt. Ze dronken, aten, zeiden hun gebeden en zongen met overgave de speciale sjabbatliederen. De rijke man keek af en toe speurend naar de arme vader. Zou Jankele, deze arme sloeber, Elia zijn? Jakov vroeg hem iets uit de bijbel te citeren, maar de man was ongeletterd. Hij schrokte met veel genot het eten naar binnen, slurpte smakkend zijn wijn op, liet een boer en pulkte wat voedselresten tussen zijn tanden weg. Nee, dit was Elia niet.
De hele nacht en de volgende dag wachtte de rijke man ongeduldig op het verschijnen van Elia. Maar nergens was een teken van de heilige profeet te bekennen.
Begin van de zaterdagavond kwam de sjabbat aan zijn eind. Jakov, de rijke lakenkoopman, werd heel boos. Zeg maar razend.
‘Die rabbijn, die Baäl Sjem Tov, die heeft me wat geflikt, hij heeft me gewoon belazerd’, dacht hij. Hij zei de familie goedendag en beende met boze stappen het pad af  naar zijn wagen. Onderweg bleef zijn laars steken in de modder. Geërgerd begon hij zijn laars eruit te trekken. Hij viel half voorover en daar zat hij op handen en knieën in de modder.
Intussen klonken uit de hut blije geluiden van de kinderen; ze huppelden en slaakten kreten van vreugde, wat een belevenis was deze sjabbat geweest.
De vrouw vroeg aan de man: ‘Wie was die man toch, die ons al dat eten heeft gebracht?’
De man antwoordde: ’maar begrijp je dat dan niet, het was Elia, die langs kwam om ons te zegenen!’
De rijke man zag opeens, wie Elia was. Licht en ruimte vulde zijn hoofd.
‘Jakov’, zei hij tegen zichzelf, ‘Jij bent het zelf, jij bent Elia’.

Later vertelde de Baäl Shem Tov, de spirituele leraar, dit verhaal aan zijn leerlingen.
‘Zo vaak herkennen we de rol niet die we kunnen spelen om deze gebroken wereld te helen.  We hebben allemaal een beetje Elia in ons. We hebben zo veel meer in onze mars, zoveel meer mogelijkheden om vrede te maken, te vergeven, te troosten, anderen te helpen in hun nood. Hoe zou de wereld eruit zien als we allemaal die verborgen gaven zouden aanspreken en onze verborgen kracht zouden gebruiken om de wereld te helen? Als jullie morgen opstaan en in de spiegel kijken, zeg dan tegen jezelf eens: Elia, dat ben ik, ik ben een helper’.
‘Dat klinkt goed’, zeiden de leerlingen, ‘gaan we doen. Maar hoe ging het dan verder met die rijkaard, met die Jakov?’

‘Ik was niet zo lang geleden weer in Lublin’, zei de grote meester, ‘en ik kwam Pinchas de schoenlapper tegen en van hem hoorde ik het volgende.
De rijke Jakov ging blijer dan hij ooit geweest was weer naar huis. Je voelt je beter als je geeft van je eigen rijkdom, want rijk ben je, ook van binnen, rijker dan je denkt, zo had hij uitgevonden. De praktijk stelde hem niet lang daarna op de proef. Want een mooi inzicht is meegenomen’, zei de meester,’maar dan moet je het in de werkelijke wereld waarmaken en de praktijk is weerbarstig.  De lakenkoopman Jakov kreeg bezoek van Pinchas de schoenlapper. Je kan je nauwelijks voorstellen hoe arm Pinchas was. Niet meer dan een krot kon hij zich veroorloven als woning en daar moest hij dan vijf roebel huur per jaar voor betalen. En zelfs dat kon hij niet opbrengen. Hij moest uitstel aanvragen. Het volgend jaar ging het niet beter en weer moest hij uitstel vragen. Dat ging zo door,  jaar in jaar uit. Na zeven jaar had de huisbaas er genoeg van.
“Je bent me nu 35 roebel schuldig”, zei hij, “als je niet binnen en week betaalt, zet ik je op straat”.
Er restte Pinchas weinig anders dan naar de rijkste man van de Joodse wijk te gaan en dat was Jakov. Zo liep de arme man de marmeren vestibule door van Jakovs prachtige villa, door weelderig gemeubileerde zalen, tot hij voor de mahoniehouten deur stond van het kantoor van de rijkaard. Klop. Binnen. Pinchas stortte zijn hart uit over zijn ellende en tegenslagen.  Even tekende zich een tweestrijd af op het gezicht van de welgestelde koopman. Toen  gaf Jakov hem 5 roebel.
“De rest moet je maar aan de andere gemeenteleden vragen”, zei hij nors. Jakov stond bekend als gierig. Hij hield van zijn geld en zat stevig op zijn centen. Die gift van vijf roebel viel de arme schoenlapper hard mee. Pinchas bedankte uit de grond van zijn hart en verliet de kamer met een diepe buiging. Toen hij bijna aan het eind van de volgende kamer was ging de deur van Jakovs kantoor weer open.
“Hier heb je nog eens 5 roebel”, zei hij, “dan heb je tenminste al bijna een derde van de huur bij elkaar”.
Hij klonk bijna goedmoedig. Pinchas dankte hem wederom  hartelijk en vertrok weer.
Weer was hij bijna aan het eind van de belendende kamer, toen de rijkaard hem terugriep.
Weer gaf hij hem vijf roebel.
“Dat maakt bijna de helft van het bedrag”, zei hij en voor het eerst zag  hij met enige sympathie de armoedzaaier aan.
Het patroon herhaalde zich nog een aantal malen tot Pinchas het benodigde bedrag bij elkaar had.
Jakov bleef achter met een merkwaardig vreemd warm gevoel in zijn borst’.

De Baäl Shem Tov zweeg en keek de kring rond. Toen zei hij:
‘Het hart van Jakov was echt geraakt door wat hij op de sjabbat in het bos had meegemaakt; er was een vonkje compassie opgegloeid. Maar hij moest nog oefenen. Eerst gaf hij de arme Pinchas een klein beetje. Maar daardoor gloeide het vonkje weer wat verder op. Tenslotte gaf  hij de arme Pinchas de hele som van 35 roebel. Door steeds een kleine stap van geven te doen transformeer je onverschilligheid en hardheid naar compassie.

RC dec. 2015