Yitro

Torah vanuit een Mussar-perspectief

Parasha Yitro Exodus 18:1- 20:23

Rabbi Eric S. Gurvis

Het drama in onze wekelijkse parashot wordt week na week heftiger. Deze week bereiken we een hoogtepunt als Mozes de berg beklimt om Gods Torah te ontvangen. Vóór zijn opstijgen instrueert God Mozes hoe hij het Israëlitische kamp rond de berg moet inrichten. Dit volgt op Mozes’ schoonvader, Yitro, die hem instrueert om de last van Israël niet helemaal alleen op zich te nemen.

Als je Exodus 18:21 leest, lijkt het erop dat God het eens is met Yitro’s advies. God zegt tegen Mozes:

וְאַתָּ֣ה תֶחֱזֶ֣ה מִכׇּל־הָ֠עָ֠ם אַנְשֵׁי־חַ֜יִל יִרְאֵ֧י אֱלֹהִ֛ים אַנְשֵׁ֥י אֱמֶ֖ת שֹׂ֣נְאֵי בָ֑צַע

En ook moet je onder het volk uitkijken naar flinke mannen die ontzag hebben voor God, betrouwbare mannen, wars van eigenbelang en je moet over hen hoofdleiders over duizend-, honderd-, vijftig- en tientallen aanstellen.

In dit vers worden twee uitdrukkingen gebruikt om te verwijzen naar de typen leiders die Mozes moet identificeren: Anshei Chayil/bekwame individuen en Anshei Emet/waarheidslievende mensen.

In Chochmat HaMatzpun deelt Rabbi Moshe Igbui een les van Rabbi Shlomo Wolbe, waarin Rav Wolbe het volgende stelt:

Emet/Waarheid is een van de fundamenten van de nefesh/ziel. En de nefesh komt van boven, volgens een lering van Rabbeinu Yonah Gerondi in Sha’arei Teshuvah – “De Heilige is emet/waarheid. En de nefesh van elk individu is gebaseerd op emet.

Niettemin bestaat HaAdam (de Mens) uit shekarim/onwaarheden, tenminste vanuit het aspect van het lichaam en zijn krachten. De Heilige wenste dit om het mogelijk te maken dat alle leugens veranderd zouden kunnen worden, zodat ieder mens de potentie zou hebben om een ​​ish/isha emet/een persoon van waarheid te worden.

Men kan zeggen dat de waarheid in een individu ontstaat vanuit de nefesh. En de Avodah/Dienst van een persoon moet zodanig zijn dat de emet ook gerealiseerd zal worden in de mate dat zowel qua lichaam als qua inspanning, alles waar zal zijn.

Rav Wolbe vervolgt, en citeert Rashi die ons begrip van het vers uitbreidt: “ANSHEI EMET/MENSEN VAN WAARHEID — Dit zijn mensen die vertrouwen afdwingen — die het verdienen dat men op hun woorden vertrouwt.” Rav Wolbe leert, de essentie van een persoon van “emet is dat men zijn beloften nakomt, en dat degene die een belofte doet ook echt van plan is zijn belofte na te komen.” Toch breidt Rav Wolbe dit uit, en impliceert dat intenties alleen niet voldoende zijn. Men kan niet worden beschouwd als een ish/isha emet/een persoon van waarheid totdat men de waarheid van zijn belofte vervult.

Later in zijn lering stelt Rav Wolbe dat “we hebben geleerd dat de havtachah/belofte zelf geen emet is, totdat deze is gerealiseerd in koach/actie.”

In onze studie en beoefening van Mussar streeft ieder van ons ernaar onszelf te zien zoals we werkelijk zijn, en een betere versie van onszelf te visualiseren en daar naar toe te werken. Door onze Mussar-studie en -beoefening streven we ernaar een afstemming te creëren tussen onze gedachten, gevoelens, woorden, daden en kortom, onze nefesh – niet alleen maar “ziel,” maar ook ”wezen.”

Laten we onthouden dat onze leraar Alan Morinis ons heeft geleerd: “We hebben geen nefesh, we zijn een nefesh.”

Dit suggereert voor mij dat we ons weer kunnen richten op ons focusvers: En ook moet je onder het volk uitkijken naar flinke mannen die ontzag hebben voor God, betrouwbare mannen, wars van eigenbelang en je moet over hen hoofdleiders over duizend-, honderd-, vijftig- en tientallen aanstellen (Exodus 18:21)
Een ish Chayil worden gaat niet over macht en kracht, maar over oprechte inspanningen om ons potentieel te verwezenlijken. Samen met het streven om een ​​ish/isha emet/een persoon van waarheid te zijn, betekent dit dat we ons innerlijke zelf en uiterlijke zelf op één lijn brengen. Hoewel velen van ons naar deze afstemming streven, plaatst het leven in de echte wereld obstakels op ons pad. Soms zijn we ons eigen obstakel. Daarom moeten we ons bewust blijven van ons zielscurriculum en het werk dat we moeten verrichten om die afstemming te bereiken en te behouden.

Verderop in zijn lering maakt Rav Wolbe dit duidelijk wanneer hij stelt:

De Heilige verlangt dat het niet genoeg is dat God in ieder van ons een nefesh heeft geïmplanteerd, waarvan de basis emet/waarheid is. In plaats daarvan is het Gods ratzon/wil dat deze emet aantoonbaar wordt in elk woord of elke daad. Het lichaam moet waar zijn door keuzes te maken die waar zijn. We worden getest in die zin dat we onze yetzer/neigingen moeten overwinnen opdat het ons niet verzwakt. We moeten tikoen bewerkstelligen zodat onze yetzer kan worden hersteld in het licht van emet. Alleen dan kunnen we gezien worden als een ish/isha emet in werkelijkheid.

De uitdaging om te streven een ish/isha Chayil en een ish/isha emet te worden is een hele opgave. Het is een kwestie van waakzaamheid en standvastigheid in onze inspanningen om een ​​betere versie van onszelf te worden.

De leringen die Mozes in deze week (en daarna) op de berg Sinai ontvangt, zijn richtlijnen en wegwijzers om ons te helpen op ons pad, terwijl we ernaar streven de beste te worden die we kunnen zijn. Uiteindelijk is het aan ieder van ons om ons best te doen en dat te doen met emet/truth als ons baken om onze weg te verlichten.

VOOR FOCUS:

  • Kun je een stap terug doen en naar jezelf kijken en voorbeelden zien waarin je in staat was om een ​​ish/isha Chayil te zijn – een “bekwaam persoon” – iemand die zijn yetzer kanaliseert om het beste van jezelf te bereiken waartoe je in staat bent?
  • Kun je een stap terug doen en naar jezelf kijken en voorbeelden zien waarin je in staat was om een ​​ish/isha emet te zijn – een persoon van waarheid?
  • Op welke middot zou je het beste kunnen leunen terwijl je ernaar streeft om deze twee kwaliteiten te integreren, die door God zijn vastgelegd als eigenschappen om naar op zoek te gaan in de mensen waarop Mozes kon vertrouwen tijdens zijn leiderschap van de Israëlieten?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Beshallach

Torah vanuit een Mussar-perspectief

Parasha Beshallach – Exodus 13:17-17:16

Rabbi Eric S. Gurvis

In Exodus hoofdstuk 15 maken we kennis met een terugkerend motief van de woestijnervaring: kvetching. Onze Israëlische voorouders zijn nog maar net begonnen aan hun reis, als we deze openingsgedeelten van Sefer Shemot lezen. Nadat ze getuige waren geweest van hun redding van de Egyptenaren, die hen tot aan de oevers van de Rietzee hadden achtervolgd, en nadat ze veilig door de zee waren gegaan, ontsnapten ze aan de Egyptenaren, en in plaats van ontzag te hebben ​​voor wat ze zagen gebeuren, begonnen de kinderen van Israël snel tot inzicht te komen van de uitdagingen die voor hen lagen. En ze beginnen te klagen bij Mozes.

In zijn boek Eyes Remade for Wonder, gebaseerd op een Midrasj in Shemot Rabbah 24:1, biedt Rabbi Lawrence Kushner deze kijk op de oversteek van de Zee, waarover we in de parasha van deze week lezen:

De splitsing van de Rode Zee is volgens de Joodse traditie het grootste wonder dat ooit is verricht. En toch hebben we een midrasj die twee Israëlieten noemt, Ruben en Simon, die een andere ervaring hadden.

Blijkbaar was de bodem van de zee, hoewel veilig om op te lopen, niet helemaal droog maar een beetje modderig, zoals een strand bij eb.

Ruben stapte erin en krulde zijn lip. “Wat is dit voor modder?

Simon fronste, “Er is overal modder!

Dit is net als de slijkputten van Egypte!” antwoordde Ruben.

Wat is het verschil?” klaagde Simon. “Modder hier, modder daar; het is allemaal hetzelfde.

En zo ging het verder met die twee, mopperend over de bodem van de zee.

En omdat ze totaal nooit een keer om zich heen keken, begrepen ze nooit waarom iedereen op de verre kust zong en danste. Voor Ruben en Simon heeft het wonder nooit plaatsgevonden.

Heb je ooit de ervaring gehad, dat je zo in beslag werd genomen door uitdagingen, ongemak of afleidingen dat je iets miste dat grootser was dan wat je met het blote oog kon zien? Natuurlijk heb je dat. We hebben die ervaring allemaal wel eens gehad.

We kunnen een voorbeeld hiervan zien in Exodus 15:23-26, samen met een Mussar-lering over deze verzen. In het stuk van vandaag lezen we:

Ze kwamen bij Marah, maar ze konden het water van Marah niet drinken omdat het bitter was; daarom werd het Marah genoemd. En het volk mopperde tegen Mozes en zei: “Wat moeten we drinken?” Dus riep hij tot de Eeuwige, en de Eeuwige liet hem een ​​bepaalde houtsoort zien; Mozes gooide het in het water en het water werd zoet. Daar gaf God hen wetten en voorschriften, en daar werden ze op de proef gesteld.

God zei: “Als u de Eeuwige, uw God, nauwgezet zult gehoorzamen, en zult doen wat rechtvaardig is in Gods ogen, en u zult luisteren naar Gods geboden en u al Gods wetten zult naleven, dan zal Ik geen van de ziekten over u brengen die Ik de Egyptenaren heb gebracht, want Ik, de Eeuwige, ben uw genezer.”

In een commentaar in Leket Sichot Mussar leert Rabbi Yitzchak Eizek Sher:

Israël stak de Rode Zee over na de tien wonderen, die niet noodzakelijkerwijs wonderen waren om hen te redden van de zee en van de Egyptenaren, maar om hun erkenning van God’s liefde  voor hen te vergroten. Deze wonderen, de plagen, waren bedoeld om te communiceren dat Israël Gods eerstgeborene is, om hen zich te laten verheugen en om hen ruach/enthousiasme bij te brengen.

Rav Sher suggereert dat we de focus van de makkot/plagen moeten verleggen van het louter opmerken van bovennatuurlijke gebeurtenissen. Net als bij Rabbi Kushners les over de Midrash, leert Rav Sher dat er een grotere boodschap zit in Gods daden jegens Farao en Egypte – namelijk bnei Yisrael begrip bij te brengen van Gods bestaan, kracht en liefde voor Israël. De plagen zelf waren fysieke manifestaties – dat wil zeggen, voorbeelden van gashmiyut/lichamelijkheid oftewel fysiek-heid. Toch is het uiteindelijke doel met betrekking tot bnei Yisrael om ze naar een niveau van ruchaniyut/spiritualiteit te brengen. Zo ook met onze studie en beoefening van Mussar!

Rav Sher vervolgt:

De hemelen gingen open voor bnei Yisrael, en ze zeiden: “Dit is mijn God, en ik zal God verheerlijken.” Exodus 15:2 . . . Vandaar reisden ze de Wolk van God volgend, zich in deveikut aan God hechtend. Ze liepen drie dagen door de woestijn zonder water te vinden. Toch klaagden ze helemaal niet, omdat ze geen behoefte voelden om te drinken. Pas toen ze Marah bereikten en hoorden dat daar water was om te drinken . . . zeiden ze: “Wat zullen we drinken?” Dat is te zeggen, waarom zouden we moeten drinken als we kunnen zijn als malachim/engelen die deze behoefte niet hebben? En er staat dan geschreven: “de Eeuwige liet Mozes een houtsoort zien; Mozes gooide het in het water en het water werd zoet.” Exodus 15:25

Mensen hebben menselijke behoeften. Daarom wordt er niet van ons verwacht dat we volledig boven onze fysieke behoeften als mens uitstijgen. Toch wordt er van ons verwacht dat we boven onze lichamelijkheid uitstijgen terwijl we onze gashmiyut/lichamelijkheid overstijgen en naar ruchaniyut/spiritualiteit reiken. We moeten ernaar streven om te vervullen dat we geschapen zijn als Btzelem/“naar het beeld van God,” of zoals ons elders in onze traditie wordt geleerd, met een vonk van het Goddelijke Licht in ons.

Rav Sher vervolgt:

Zo gaf de Heilige opdracht dat het verplicht is voor een mens om een ​​mens te zijn, en dat dit zelfs grootser is dan een engel te zijn. De engelen hebben niets te maken met gashmiyut/lichamelijk bestaan ​of fysieke behoeften. Echter, als een adam/een mens beproevingen ondergaat en consequent al zijn dagen volhoudt, verkrijgen ze het vermogen om het bittere in zoet te veranderen, de duisternis in licht en het lichamelijke in dat wat spiritueel is.

Net zoals er over Mozes wordt gezegd dat hij Ish Ha-Elohim/de Man van God is, zo kan worden gezegd dat heel Am Yisrael Am HaShem/het Volk van God is, die ruchaniyut/het spirituele integreert met het gashmiyut/lichamelijke. Dit kan worden bereikt door te zorgen voor de behoeften van mensen en zich aan hun Schepper te hechten.

We worden allemaal geconfronteerd met beproevingen en uitdagingen in ons leven. Het is een onderdeel van het menselijke bestaan. Toch kunnen we, als we opletten, boven het puur lichamelijke uitstijgen en streven naar de kedushah/heiligheid waartoe we worden opgeroepen in Leviticus 19:2 – “Spreek tot de hele gemeenschap van Israël en zeg tegen hen: ‘Jullie zullen heilig zijn, want Ik, jullie God, ben heilig.’” Het vergt echter bewustzijn en bewuste betrokkenheid om verder te reiken dan het lichamelijke, om naar kedushah te streven en onze spirituele vermogens te vervullen.

Volgens de Midrash en Rabbi Kushners herinterpretatie van de scène zaten Ruben en Simon vast, niet alleen in de modder, maar op het niveau van gashmiyut/het fysieke. Zoals hij zegt, “omdat ze nooit verder keken” konden ze de nes/het wonder dat had plaatsgevonden niet zien. Ook konden ze hun gashmiyut niet overstijgen om naar ruchaniyut/het spirituele te reiken.

Als we ons leven in de fysieke wereld leiden, kunnen ook wij vastlopen in het alleen zien van het fysieke. Toch kunnen we door onze studie en beoefening van Mussar, en andere spirituele aspecten van onze traditie zoals gebed, onze ogen, en ook onze harten en zielen, verheffen door het spirituele potentieel te zien dat voor ons ligt. Zoals Rav Sher leert:

Als iemand beproevingen onder ogen ziet en consequent al zijn dagen doorzet, verkrijgt hij het vermogen om het bittere in zoet te veranderen, de duisternis in licht en het lichamelijke in dat wat spiritueel is… Moge het worden gezegd dat heel Am Yisrael Am HaShem/het Volk van God is, die ruchaniyut/het spirituele integreert met de gashmiyut/het lichamelijke. Dit kan worden bereikt door te zorgen voor de behoeften van mensen en zich te hechten aan hun Schepper.

Als we Shirat HaJam horen in de synagoge, zullen we opstaan, symbolisch voor onze ervaring van het staan ​​met onze voorouders toen zij bij de Zee stonden. Terwijl we dat doen, moeten we niet alleen in fysieke zin opstaan, maar ook onze harten en zielen zich laten verheffen. Mogen we onze ogen opslaan, zodat we de spirituele behoeften van ons leven, van dit moment, en ons potentieel kunnen zien, in de woorden van Rav Sher, om “te zorgen voor de behoeften van mensen en ons te hechten aan onze Schepper.”

VOOR FOCUS:

  • Kun je je een moment herinneren waarop je erg vast zat in gashmiyut/lichamelijkheid en je daardoor het grotere gevoel van wat er gebeurde miste?
  • Welke middot zouden kunnen hebben geholpen om gashmiyut en ruchaniyut/spiritueel bewustzijn met elkaar in evenwicht te brengen?
  • Hoe kun je je Mussar-tools gebruiken om het grotere plaatje te zien en niet verstrikt te raken in kleinere details die je vermogen om kedushah en ruchaniyut te bereiken belemmeren?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Bo

Torah vanuit een Mussar-perspectief

Parasha Bo – Exodus 10:1-13:16

Rabbi Eric S. Gurvis

In Exodus hoofdstuk 10:21-23 lezen we over de negende plaag die over Egypte werd gebracht, die van choshech/duisternis:

Toen zei de Eeuwige tegen Mozes: “Strek uw arm uit naar de hemel, zodat er duisternis over het land Egypte komt, een duisternis die kan worden aangeraakt.” Mozes strekte zijn arm uit naar de hemel en een dikke duisternis daalde neer over heel het land Egypte gedurende drie dagen. Mensen konden elkaar niet zien en gedurende drie dagen kon niemand zich bewegen; maar alle Israëlieten hadden wel licht in hun woningen. (Exodus 10:21-23)

In Siftei Chayyim geeft rabbijn Chaim Friedlander een les over waarom Farao zo koppig was in zijn ontmoetingen met Mozes en Aäron. Zijn leer is getiteld: “De Gey-ut/Arrogantie van Farao was zijn Ondergang.” Rav Friedlander leert:

De wortel van de slechtheid van Farao, en zijn koppigheid ten opzichte van de Heilige, ondanks alle eerdere makkot/plagen en straffen die hij en het land Egypte ondergingen, die steeds meer lijden voor hem en zijn volk veroorzaakten, laat de mate zien waarin de middah van ga’avah/trots (of arrogantie) in hem geworteld was. Dit is zoals onze Wijzen leerden:
Toen Mozes en Aäron bij Farao kwamen, “zei hij tegen hen: ‘Van het begin af aan vertellen jullie een leugen, want ik ben de heer van de wereld, en ik heb mijzelf en de Nijl geschapen,’ zoals er staat: “Mijn rivier is van mij, en ik heb mijzelf gemaakt” (Ezechiël 29:3).” En Farao geloofde beslist dat hij een god was. Zozeer zelfs, dat zijn gaavah hem ertoe bracht zichzelf voor de gek te houden door te denken dat hij echt een god was!

Vanwege zijn gaavah was Farao bereid om alle makkot/plagen te ondergaan, en ook om groot lijden over zijn volk te brengen.

We kunnen een voorbeeld hiervan zien in het een dag uitstellen  van het verwijderen van de plaag van kikkers. Toen Mozes hem vroeg: “U mag deze triomf over mij hebben: hoe lang zal ik u smeken?” antwoordde Farao: “Tot morgen!” Het was moeilijk voor Farao om het juiste en het ware te herkennen, namelijk dat het de Hand van God was die de plaag had veroorzaakt.

Gaavah/Trots (of Arrogantie) is de allereerste middah die wordt gepresenteerd in Orchot Tzaddikim – De Wegen van de Rechtvaardigen. In de opening van het hoofdstuk over Gaavah wordt ons geleerd:

Gaavah/Trots is de eigenschap die de Heilige Soeverein als tekortkoming heeft gemaakt, en in de Torah ons aanspoort: “Let op dat u de Eeuwige, uw God, niet vergeet.” (Deuteronomium 8:11) De persoon die vol trots is (dat wil zeggen, degene die arrogant is) vergeet zijn Schepper.”

Zonder enige twijfel is de patstelling tussen Mozes en Farao een worstelwedstrijd over wie Goddelijk is: Farao, of de Schepper van het Universum. Zoals we zagen in de parasha van vorige week, en zoals we ook weer zien in de parasha van deze week, is Farao behoorlijk koppig. Hij is domweg niet bereid om lang genoeg uit zijn gaavah te breken om zijn eigen beperkingen te zien.

We moeten onthouden dat Gaavah/Trots niet altijd ongepast is. Net als alle andere middot, moet het er in de juiste mate zijn. We moeten streven naar een middenpunt tussen arrogantie en narcisme aan de ene kant, en een totaal gebrek aan eigen trots aan de andere kant. We moeten ook onthouden dat ga’avah’s metgezel de middah anavah/nederigheid is.

Rav Friedlander vervolgt:

Zelfs ondanks alles wat er van Gods macht in Egypte is getoond, blijft Farao’s ga’avah intact, zelfs nadat hij de Israëlieten erop uitstuurt om God te aanbidden. Zoals onze wijzen leerden: “Op datzelfde moment dat Farao zei: ‘Sta op en ga’, achtervolgde hij hen niettemin, ving hen op en bracht hen terug, zoals er staat in Psalm 136:15: “Die Farao en zijn leger in de Rietzee stortte, Gods standvastige liefde is eeuwig.” Das pas verklaart Farao: “Misschien had ik hen niet moeten wegsturen!”

Rav Friedlander leert:

Toen de Kinderen van Israël vertrokken uit de vernedering en slavernij in Egypte, was het noodzakelijk dat ze onmiddellijk leerden om een ​​besef te hebben van de destructiviteit die kan ontstaan ​​als gevolg van ga’avah, evenals dat dit de basis oorzaak van Farao’s ondergang vormde. Ze moesten leren dat ze niet van avdut/dienstbaarheid naar gaavah/ongebreidelde trots moesten gaan.

Vervolgens brengt hij deze les voor ons mee. “We moeten onthouden dat er veel momenten in iemands leven zijn waarop iemand tot lijden kan worden gebracht vanwege zijn gaavah.” Hij citeert Talmoed Berachot 43b waar ons wordt geleerd,

Iemand die rechtop loopt en op een arrogante manier, zelfs maar vier ellen lang, dan is het alsof hij raglei haShechinah – de voeten van de Goddelijke Aanwezigheid – wegduwt.

Hij leert dat wanneer we onszelf gedragen met een houding die hooghartigheid uitstraalt, we Gods aanwezigheid wegduwen. Wat een belangrijke les is dit – voor Farao, voor Bnei Yisrael, terwijl ze zich voorbereiden op een leven ver weg van de slavernij in Egypte, en voor ons in onze tijd. Ik durf te zeggen dat ik dit zou willen uitbreiden naar onze leiders. In veel situaties – ongeacht welke ideologie ze aanhangen – moeten we allemaal onszelf gedragen ìn een evenwichtige balans tussen zowel Gaavah/Trots als Anavah/Nederigheid. Helaas leven we in een tijd waarin we een gebrek aan evenwicht zien met betrekking tot deze deugden bij zoveel individuen, ongeacht hun positie in het leven of in de gemeenschap.

We zijn teruggekeerd naar het lezen en bestuderen van de plagen die bedoeld waren om Farao en Egypte te overtuigen van de macht en kracht van de Ene God, zodat ze een gevoel van het juiste perspectief over zichzelf en hun krachten zouden kunnen leren. Dienovereenkomstig zouden we allemaal de tijd moeten nemen om diep na te denken over deze middot in de context van onze ziel, ons leven, onze relaties en hoe we ons in deze wereld gedragen.

VOOR FOCUS:

  • Kan je denken aan een moment waarop jouw ga’avah/trots uit balans was? Hoe kwam je daar achter en welke middot kun je inschakelen om een ​​juiste maatvoering te vinden?
  • Tot welke middot kun je je wenden als je ziet dat iemand anders handelt met een onevenwichtige mate van ga’avah?
  • Welke plaag uit de oudheid daagt je het meest uit vanuit een Mussar-perspectief? Hoe? Waarom?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Va-era

Torah vanuit een Mussar-perspectief

Parasha Va-era – Exodus 6:2-9:35

Rabbi Eric S. Gurvis

In de openingsverzen van onze parasha deze week instrueert God Mozes om naar de Israëlieten te gaan en te verklaren:

Zeg tegen het volk van Israël: Ik ben de Eeuwige. Ik zal u bevrijden van de werkzaamheden bij de Egyptenaren en u verlossen van hun slavernij. Ik zal u verlossen met een uitgestrekte arm en door buitengewone kastijdingen. En Ik zal u tot Mijn volk nemen, en Ik zal uw God zijn. En u zult weten dat Ik, de EEUWIGE, uw God ben die u bevrijdde van de arbeid van de Egyptenaren. Ik zal u brengen tot in het land dat Ik gezworen heb aan Abraham, Isaak en Jakob te geven, en Ik zal het u geven als een bezit, Ik ben de Eeuwige.” (Exodus 6:6-8)

We kennen deze verzen heel goed, omdat ze een belangrijk onderdeel vormen van het ritueel tijdens onze Seder Shel Pesach – die in april plaatsvindt. Deze verzen bevatten de beloften die onze wijzen koppelen aan de bekers wijn die we zegenen en drinken als onderdeel van het ritueel. Toen ik dit jaar echter onze parasha opnieuw bestudeerde, richtte mijn focus zich op het volgende vers:

וַיְדַבֵּ֥ר מֹשֶׁ֛ה כֵּ֖ן אֶל־בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְלֹ֤א שָֽׁמְעוּ֙ אֶל־מֹשֶׁ֔ה מִקֹּ֣צֶר ר֔וּחַ וּמֵעֲבֹדָ֖ה קָשָֽׁה׃

Maar toen Mozes dit aan de Israëlieten vertelde, wilden ze niet naar Mozes luisteren, hun geesten waren verpletterd door wrede slavernij. (vers 9)

Gezien de complexe reeks gebeurtenissen in de huidige tijd, voelde ik me aangetrokken tot de laatste zin van het vers: vlo sham-u el-Moshe mi-kotzer ruach u-mey-avodah kashah – “ze wilden niet naar Mozes luisteren, hun geesten waren verpletterd door wrede slavernij.” In zijn goed aangeschreven vertaling vertaalt Dr. Everett Fox dit als “ze luisterden niet naar Mozes, uit kortzichtigheid van geest en vanwege de harde slavernij.”

Heel vaak vind ik de vertaling van Dr. Fox meer getrouw aan de betekenis van de Hebreeuwse woorden. Toch word ik, zelfs als ik zijn vertaling lees, aangetrokken om het Hebreeuws iets anders te lezen – en wel door een Mussar-lens.

De uitdrukking kotzer ruach wordt over het algemeen begrepen als “ongeduld.” Toch is kotzer verwant aan het woord katzar, zoals in “kort.” En ruach heeft, zoals we weten, verschillende betekenissen – “wind,” “briesje,” “ziel,” en “geest.” Terwijl ik deze woorden voorbereid, ben ik me zeer bewust van onze Mussar Institute-bijeenkomst komende zondag – Ruach Chaim – Leven met Spirit, Ons Leven Verheffen in Moeilijke Tijden. Toen we dit thema in september kozen wisten wij niet dat het op zoveel niveaus zou resoneren.

Nu, in deze laatste dagen van januari, hebben we echt behoefte aan opbeuring, aangezien we rekening houden met het staakt-het-vuren in Israël en de vrijlating van drie gijzelaars, slechts enkele dagen geleden. We hopen dat de volgende groep in de komende dagen naar huis zal komen, en dat de resterende gijzelaars in de komende weken zullen worden teruggebracht. We kijken nog steeds naar de verwoesting van de verschrikkelijke bosbranden in Zuid-Californië. Deze week heeft een leiderschapswisseling in de VS plaatsgevonden, wat voor velen reden is om dat te vieren, maar wat voor anderen ook angst met zich meebrengt. En er is nog zoveel meer. Ik durf te zeggen dat we allemaal wel wat versterking van ruach kunnen gebruiken.

Voor mij resoneert de uitdrukking kotzer ruach krachtig als ik terugdenk aan de vele gesprekken van de afgelopen weken en maanden met mijn tienerstudenten; met de leden van mijn gemeente in Jackson, Mississippi; met leden van onze TMI-gemeenschap; en met familie en vrienden in Californië en in Israël. We leven in een wereld en tijd waarin we voortdurend met informatie (en desinformatie) worden gebombardeerd. De realiteit van kotzer ruach, die ik zie als een tekort of gebrek aan ruach/spirit, of als iets minder dan een complete ziel, is een uitdaging.

In een sectie van Ohr HaTzafun getiteld Amalut BaTorah – “Streven in Torah,” geeft Rabbi Nosson Tzvi Finkel, de Alter van Slabodka, commentaar op de uitdaging waarmee de Israëlieten werden geconfronteerd als gevolg van hun slavernij in Egypte. Hij leert:

We zien dat toen de kinderen van Israël een bepaald niveau van Emunah/geloof bereikten (in de parasha van vorige week), wat er over hen geschreven staat, וַֽיַּאֲמֵ֖ן הָעָ֑ם – Va-ya-ameyn Ha-Am — “En het volk geloofde.” (Exodus 4:31) Op dit punt verdienden ze geulah/verlossing. Toch weten we dat deze Emunah/geloof klushah/zwak was.

Vandaar dat we deze week lezen dat “Zij naar Mozes luisterden met kotzer ruach/ongeduld en avodah kasha/hard werken.” (Exodus 6:9)

Pas later, toen ze de Rietzee bereikten, getuigt de Torah over hen, dat zij tot volledig geloof kwamen, zoals geschreven staat: “En zij geloofden in God en in Mozes, Gods dienaar.” (Exodus 10:10)

In Shiurei Chumash Shemot voegt Rabbi Shlomo Wolbe toe dat “Het niet zo is dat de Israëlieten een gebrek aan emunah hadden, want we hebben al gezien (zoals opgemerkt door de Alter van Slabodka) dat hun emunah wordt erkend in Exodus 4:31.” We zouden onszelf dezelfde vraag kunnen stellen als we in onze eigen tijd met uitdagingen worden geconfronteerd. Is het dan zo dat we een tekort hebben aan emunah? Of is het zo dat de uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd kotzer ruach oproepen, wat een belemmering kan zijn voor emunah?

In Beyt Kelm verwijst Rabbi Simcha Zissel Ziv, de Alter van Kelm, naar een opmerking van Ramban over ons vers waarin ons wordt geleerd:

Het was niet omdat ze niet in God en in Gods profeet geloofden dat ze niet luisterden. Vooral schonken ze geen aandacht aan zijn woorden vanwege kotzer ruach/ongeduld van geest, zoals een persoon wiens ziel bedroefd is vanwege zijn ellende geen moment meer wil lijden in dit leven, ook al weet hij dat hij later verlost zal worden. Het “ongeduld van geest” was hun angst dat Farao hen ter dood zou brengen, zoals hun officieren tegen Mozes zeiden, en de “wrede slavernij” vormde de druk, want de opzichters zetten hen onder druk, en zij haastten zich in hun dagelijkse taak, waardoor ze geen kans kregen om iets te horen of over iets na te denken.

Rav Simcha Zissel bouwt hierop voort door te stellen dat “Farao’s advies dat zijn opzichters de last op de Israëlische slaven moesten verzwaren, succesvol was in het breken van hun geesten. Daarom staat er geschreven: ‘zij luisterden niet naar Moshe, vanwege gebrek aan geest en vanwege harde dienstbaarheid.’” Hij suggereert verder dat de toegenomen last mogelijk niets te maken had met hun emunah. In plaats daarvan waren ze, zwichtend onder hun zware arbeid, teveel onderdrukt om de oproep van Mozes tot hen te horen.

We weten uit onze eigen levenservaringen dat, wanneer we de “zwaarte van de wereld” voelen, we niet in staat zijn om helder te zien, te horen en te denken. Voor sommigen zullen de uitdagingen zich uitstrekken tot hun gevoel van emunah/geloof en zelfs bitachon/vertrouwen. Wanneer we overbelast zijn, kunnen we onszelf ook in een staat van kotzer ruach bevinden – verminderde geest. Dit is een vrij algemeen verschijnsel in een wereld die zo uitdagend is als de onze. Voor mij is dat een deel van de reden waarom ik op het Mussar-pad blijf – waarom ik regelmatig studeer in chevruta, deelneem aan Va’adim en onze TMI-gemeenschap en haar diverse mogelijkheden koester. Wanneer mijn ruach afneemt, word ik eraan herinnerd dat ik niet alleen ben. Er zijn metgezellen die mij zullen opbeuren als ik in de problemen zit. Tegelijkertijd heb ik de achrayut/verantwoordelijkheid om anderen te helpen die mogelijk lijden aan kotzer ruach. Dit alles staat centraal in nose-a b’ol im chaveyro – het dragen van de last met je medemens, een middah die zo belangrijk werd geacht door de Alter van Kelm, dat hij het helemaal aan het begin plaatste van zijn leringen in Chochmah U-Mussar.

Hoe je het ook begrijpt, Kotzer Ruach is een uitdaging toen en in onze tijd, net als het dat was voor onze voorouders in het oude Egypte. Mozes kwam om hen, met Gods leiding, te leiden uit hun benarde positie. Moge het delen van het Mussar-pad – en vooral de Ruach Chaim-bijeenkomst van aanstaande zondag – ons helpen om onze geesten op te beuren, zelfs terwijl we er aan werken om anderen op te beuren met wie we het voorrecht hebben om dit pad te delen!

VOOR FOCUS:

  • In welke aspecten van je neshamah voel je kotzer ruach?
  • Op welke middot zou je je kunnen richten om je ruach/geest te versterken?
  • Wie zijn de partners op je Mussar-reis tot wie je je kunt wenden voor ondersteuning bij het versterken van je ruach? Aan wie moet jij op dit moment steun en kracht verlenen?
https://www.krop.com/DavidChernobilsky/#/

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Shemot

Torah vanuit een Mussar perspectief

Parasha Shemot – Exodus 1:1 – 6:1

Rabbi Eric S. Gurvis

Zoals zo vaak het geval is geweest door de jaren heen, begin ik een stuk te bestuderen met een bepaalde focus, en dan suggereren realtime gebeurtenissen dat iets anders relevanter is. Dat was het geval toen ik vorige week het boek Shemot opende en nadacht over wat ik deze week vanuit een Mussar-perspectief zou kunnen delen.

Er is zoveel dat op dit moment onze aandacht trekt: het aanhoudende conflict in het Midden-Oosten en het nieuws over een overeenkomst om ten minste enkele gijzelaars vrij te laten; conflicten in andere uithoeken van onze wereld; een belangrijke leiderschapstransitie die begin volgende week plaatsvindt in de Verenigde Staten; en de bosbranden en de verwoestingen waarmee zovelen in Zuid-Californië de afgelopen dagen te maken hebben gehad.  Onze harten en gebeden gaan uit naar degenen die hun huis hebben verloren, en naar allen wier levens zijn verscheurd te midden van de verschrikkingen die zich in Zuid-Californië ontvouwen.

Het is moeilijk om naar de zich ontvouwende tragedie in Zuid-Californië te kijken en het angstgeschreeuw niet te horen en de pijn, angst en het gevoel van verlies te voelen waar zo velen mee te maken hebben. Dit geldt ook voor dierbare leden van onze TMI-gemeenschap. Terwijl ik worstel met deze gruwelijke realiteit, zij het van een afstandje, voel ook ik een zekere mate van de zeer reële desoriëntatie (zeker een te mild woord) die door onze familie en vrienden gevoeld wordt. Dus hoewel ik misschien van plan was commentaar te geven op een ander stuk van Parasha Shemot, verschoof – het nieuws uit Californië volgend – mijn focus.

In Exodus 2:23-25 ​​lezen we:

Lange tijd daarna stierf de koning van Egypte. De Israëlieten kreunden onder de slavernij en jammerden; en hun roep om hulp vanuit de slavernij steeg op naar God. God hoorde hun geklaag, en God dacht aan het verbond met Abraham, Isaak en Jakob. God keek naar de Israëlieten en God richtte Zijn focus op hen.

Commentaar leverend op de woorden, Va-yeda Elohim – “En God wist,” zegt Rashi: “God richtte het Goddelijke hart op hen en wendde de Goddelijke ogen niet af van hen.” Wat onze persoonlijke theologische overtuigingen ook mogen zijn, we willen geloven dat God zich bewust is van het lijden van zovelen op dit moment. Zonder twijfel is dit een tijd waarin bitachon/vertrouwen – vanuit een traditioneel Mussar-perspectief, vertrouwen in God, op de proef wordt gesteld. Tegelijkertijd leren onze Baalei Mussar, evenals onze bredere Joodse traditie, ons dat God bij ons aanwezig is, zelfs als we ons in moeilijke situaties bevinden.

Iets later dan Rashi, geeft Nachmanides commentaar op dezelfde verzen, benadrukt de kracht van vers 24 hierboven, en stelt: “De Schrift geeft een uitgebreid verslag van de vele redenen voor hun verlossing uit de slavernij in Egypte: En God hoorde hun gekerm, en God herinnerde zich het verbond met Abraham, met Isaak en met Jakob; En God zag de kinderen van Israël, en God wist; Want Ik ken hun pijnen. . .

De meesten van ons kunnen zich alleen maar voorstellen hoe zeer degenen die lijden onder de verwoesting om hen heen en de onzekerheden waarmee ze worden geconfronteerd, graag zouden willen weten dat God hun kreten hoort en de verwoesting ziet waarmee ze worden geconfronteerd. Voor degenen die zich midden in deze afschuwelijke tragedies bevinden, moeten bitachon/vertrouwen en emunah/geloof een uitdaging zijn!

In Shiurei Chumash Shemot biedt Rabbi Shlomo Wolbe dit perspectief op onze verzen, ons lerende,

Deze parasha is er een van Geulah/verlossing. We kunnen hier twee aspecten van de Schepper zien: Hester panim/de verborgenheid van Gods Goddelijke Aangezicht, en Haarat Panim/het tonen van Gods Goddelijke Aangezicht.

Hester Panim/de verborgenheid van Gods Aangezicht kan voelen alsof God het niet weet en niet hoort. Is dit niet wat er wordt gezegd in Deuteronomium 31:17: “Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen . . . en daarom zullen hen veel kwaad en problemen overkomen.” Wanneer we hester panim/de verhulling van het Goddelijke Aanschijn ervaren, kan het heel erg voelen alsof er een bereidheid is om vernietiging toe te staan, en het kan voelen alsof de Schepper van het Universum het niet weet . . .

Aan de andere kant Haarat Panim/de onthulling van Gods Goddelijke Aanschijn toont aan dat God hoort, ziet en weet . . . Wanneer we dit aspect van Gods leiderschap zien of voelen, moet het Geulah/Verlossing zijn.

Ik twijfel er niet aan dat degenen die in gevaar zijn en op de vlucht zijn voor vernietiging, waar dat ook plaatsvindt, zeker willen merken dat de Schepper van het Universum hoort, ziet en weet wat er gebeurt. Sommigen willen zeker geloven dat de Schepper zal handelen. Een groot Bitachon/Vertrouwen en Emunah/Geloof kunnen degenen die zich in grote nood bevinden, ondersteunen.

Zoals het geval is geweest in het aangezicht van andere momenten van verwoesting en tragedie, merk ik dat mijn focus, zelfs terwijl ik worstel met Bitachon en Emunah, een andere kant op gaat. Dit is ook zeker het geval geweest met het oog op de recente verschrikkingen. In plaats van alleen naar de hemel te kijken, of misschien alleen naar de hemel te staren voor antwoorden, vind ik troost en hoop in de acties van de velen die zich haasten om het lijden van anderen aan te pakken. Ik kan niet anders dan de acties bewonderen van de hulpverleners die de vlammen bestrijden, en van degenen die dag en nacht werken om mensen te redden van de verwoesting. Ik kan niet anders dan hoop putten uit degenen die onderdak en voedsel bieden aan degenen die hun huis en nog veel meer zijn kwijtgeraakt. Zoals het geval was tijdens de verschrikkingen van 9-11, of meer recent op andere momenten van natuurrampen, zoals orkanen, tornado’s, tsunami’s en aardbevingen – evenals de al te vaak voorkomende bosbranden van de afgelopen jaren, kijk ik naar degenen die Tzelem Elohim/het beeld van God dragen, die koortsachtig werken om anderen te helpen en te redden die dat beeld ook dragen in deze tijd van pijn, angst, onzekerheid en verlies.

Letterlijk vanmorgen, een passage bestuderend uit een ander werk van Rabbi Wolbe, Pirkei Kinyan Da’at tijdens onze wekelijkse chevruta-studie, kwamen mijn studiepartner en ik een korte passage van Rav Wolbe tegen die me rechtop deed zitten en me wakker schudde. Hij schrijft in dit dunne boekje met leringen: “Onze Heilige Torah leert ons om de hele schepping te bezien. We moeten nooit alleen maar naar de helft van iets kijken.” Rabbi Wolbe leert ons over de noodzaak om er naar te streven een brug te slaan tussen Hemel en Aarde. Voor hem is het verbindingspunt wanneer we de verwerving van Da’at/Kennis nastreven. Rav Wolbe spreekt over hoe we onze wereld bekijken en erin leven door de verbinding te maken tussen het fysieke en het spirituele, waardoor we een brug kunnen slaan tussen Hemel en Aarde. Op rustiger momenten, wanneer het leven kalm is en we niet, zoals zovelen in de huidige tijd, geconfronteerd worden met bedreigende omstandigheden, kunnen we dit concept benaderen vanuit een spirituele dimensie terwijl we proberen de beste versie van onszelf te worden door onze studie en beoefening van Mussar. Echter, in een Sha’at Dachuf – een moment van crisis en druk, kunnen we niet alleen maar zitten en studeren, reflecteren en werken aan het spirituele. We moeten handelen, wat Rav Wolbe ons aanspoort te doen als hij spreekt over het belang van ma’aseh/daden, acties, die Hemel en Aarde dichterbij brengen, en zo de wereld bouwen die onze Schepper ons leert hier te creëren.

Op een heel reële manier zie ik dit in de acties van degenen die zich haasten om degenen die in gevaar zijn te helpen. En ik zie het in de gelegenheden die wij, misschien op afstand, hebben om middelen te delen, evenals woorden van nichum/troost en gevurah/kracht aan degenen wiens levens op zijn kop zijn gezet.

Mijn leraar, Rabbi Irving “Yitz” Greenberg, leert met nadruk over het belang van het concept van onze traditie van Tzelem Elohim. In zijn meest recente boek, The Triumph of Life, schrijft hij:

“De Joodse religie betreedt de bestaande wereld met een lering en een missie. De lering gaat over de onzichtbare, in stand houdende, liefhebbende God die zich inzet om deze wereld te perfectioneren tot het punt waarop het leven overal heerst en in al zijn volheid in stand wordt gehouden. De missie is dat de mensheid zich aansluit bij de Schepper, die ons heeft uitgekozen, als partners om dit te laten gebeuren…

Het doel van dit partnerschap is niets minder dan het behalen van de overwinning van het leven op alle tegengestelde krachten die het vernietigen, degraderen of ondermijnen. Gezamenlijk wordt de hele mensheid opgeroepen om te werken aan het verminderen van de krachten van de tegenstrevers en om levens-ondersteunende hulpbronnen te ontwikkelen door te repareren wat op de verkeerde manier functioneert.

Gezamenlijk worden alle mensen geïnstrueerd om hun gemeenschappen opnieuw te creëren, zodat deze collectieven het leven in stand houden terwijl ze de waardigheid van alle wezens volledig eren en de kwaliteit van het leven voor iedereen verdiepen.”

Moge de verwoesting in de nabije toekomst worden gestopt en iedereen in veiligheid worden gebracht. Mogen we allemaal in onszelf te rade gaan om te onderscheiden hoe we in partnerschap met de Heilige Schepper en met anderen kunnen handelen om genezing, troost, hoop en heelheid te brengen aan degenen wiens levens en huizen zijn “gebroken”.

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Vayigash

Torah vanuit een Mussar Perspectief 

Parasha Vayigash: Genesis 44:18-47:27 

Rabbi Eric S. Gurvis 

We zijn alweer dicht bij het einde van onze reis door Sefer Bereishit. Na de parasha van deze week hebben we nog maar één gedeelte voordat we het boek Genesis voor dit jaar afsluiten en met Sefer Shemot verder gaan. 

Een centraal punt in de parasha van deze week is de openbaring van Jozefs identiteit aan zijn broers die met Benjamin naar Egypte zijn teruggekeerd. Tot op dit moment hebben de broers geen enkele indicatie gegeven dat zij in deze Egyptische ambtenaar hun broer Jozef herkennen, de broer die zij decennia eerder als slaaf hebben verkocht. Voor mij ligt het cruciale moment in de parasha van deze week in Genesis 45:3 wanneer Jozef zijn ware identiteit aan zijn broers onthult, die verbijsterd zijn als dat gebeurt: 

וַיֹּ֨אמֶר יוֹסֵ֤ף אֶל־אֶחָיו֙ אֲנִ֣י יוֹסֵ֔ף הַע֥וֹד אָבִ֖י חָ֑י וְלֹֽא־יָכְל֤וּ אֶחָיו֙ לַעֲנ֣וֹת אֹת֔וֹ כִּ֥י נִבְהֲל֖וּ מִפָּנָֽיו׃ 

Jozef zei tegen zijn broers: “Ik ben Jozef, Vader…. leeft hij nog? Zijn broers konden hem niet antwoorden, omdat zij zo overdonderd waren door hem. 

Het kost weinig moeite om je de gecompliceerde emoties voor te stellen die op dat moment door de kamer heen gingen tijdens Jozef’s openbaring. De Torah geeft de schok van de broers weer, waarbij wordt opgemerkt dat ze niet in staat waren om Jozef te antwoorden in het licht van zijn onthulling. Het Hebreeuws  כִּ֥י נִבְהֲל֖וּ מִפָּנָֽיו/ Ki niv-halu mi-panav – is hier weergegeven als “verbijsterd.” In zijn hedendaagse vertaling vertaalt Everett Fox niv-halu als “ze waren doodsbang.” Anderen vertalen het als “geschokt” of “in paniek.” Rashi interpreteert het als een reactie die de emotionele bagage weerspiegelt die de broers sinds de dag dat ze Jozef de put in gooiden, met zich meedroegen. Hij ziet hun verbijsterde reactie als het gevolg van de schaamte die ze sinds die fatale dag met zich meedroegen, evenals de leugen die ze bij hun vader (en zichzelf) leefden. Rabbi Judah Loew, de Maharal van Praag, gaat nog wat verder en ziet de paniek van de broers als mogelijk een reflectie van de angst dat hij hen zou vergelden voor hun daden van lang geleden, vooral ook in het licht van zijn huidige positie en macht in Egypte. 

Dit wordt versterkt door Rabbi Adin Steinsaltz in zijn commentaar waarin hij opmerkt: 

Jozef wist natuurlijk de hele tijd wie deze mannen waren, die voor hem stonden, maar de broers waren overweldigd door verwarring en angst over de plotselinge openbaring. Tot nu toe beschouwden zij Jozef als volledig verloren, zelfs als ze misschien droomden dat ze hem ooit als een slaaf ergens zouden ontdekken en hem misschien zouden kunnen bevrijden. Maar nu staat hij voor hen als een vooraanstaande persoonlijkheid, hun schijnbare tegenstrijder, de heerser in wiens handen hun lot ligt. 

In Ohr HaTzafun Bereishit 39:3 biedt Rabbi Nosson Tzvi Finkel, de Alter van Novarodok, de volgende visie: 

Jozef’s openbaring aan zijn broers was geweldig nieuws voor hen. Ze hadden hem in heel Egypte gezocht, door speciale poorten binnen te gaan en zich over verschillende markten te verspreiden om hem te vinden. . .  Ze vreesden dat hij zich onder de Egyptenaren zou assimileren, of dat hij misschien volledig verloren zou zijn gegaan voor de wereld. Ook konden ze het verdriet van hun vader niet onder ogen zien. 

Nu verschijnt hij plotseling levend en wel voor hen en bekleedt hij een hoge positie in het land Egypte, slechts ondergeschikt aan de farao. Ze realiseerden zich ook dat ze hem geen kwaad hadden berokkend door hem te verkopen. Integendeel, het was de reden voor zijn opklimmen tot grootsheid, van waaruit redding kwam voor de hele wereld als gevolg van de hongersnood. Het is precies zoals Jozef in hun aanwezigheid stelde: “Wees nu niet verdrietig, noch boos in jullie eigen ogen. Jullie hebben me verkocht omdat God me voor jullie uit heeft gezonden om jullie levensredder te zijn.” 

De mix van gevoelens die door de harten, gedachten en zielen van de broers stroomden, moet overweldigend zijn geweest. Hoewel het misschien niet zo dramatisch hoeft te zijn, kan ieder van ons terugdenken aan een tijd waarin we ons geconfronteerd zagen met onze eigen complexe scala aan gevoelens. 

De Alter vervolgt: 

Desondanks, toen Jozef zich aan zijn broers bekend maakte, waren ze bang voor hem en konden ze geen woord over hun lippen krijgen. Ze voelden een overvloed aan schaamte om hoe ze zich jegens hem hadden gevoeld, hetgeen leidde tot hun besluit om hem te verkopen, hoewel Jozef het hen totaal niet voor de voeten wierp. Integendeel, hij probeerde hen te kalmeren. Toen hij zei: “God heeft mij voor jullie uitgezonden om jullie een gedeelte van het land te geven, en om jullie daar een toevluchtsoord te bieden.” Toch konden ze zich niet ontspannen, noch konden ze woorden vinden om op hem te reageren. 

De Alter suggereert dat we de reactie van de broers op deze manier zouden kunnen begrijpen: 

Ze zouden waarschijnlijk meer gerustgesteld zijn geweest als Jozef geen woorden van troost en verzoening tot hen had gesproken, maar hen in plaats daarvan wreed zou hebben behandeld en hen streng had bestraft. Ze zouden dit hebben kunnen zien als een afronding, een einde aan wat ze verwachtten als straf voor wat ze hadden gedaan. Dit wordt geïmpliceerd in Genesis 50:15 wanneer ze, na de dood van hun vader, zeggen: “Wat als Jozef nog steeds boos op ons is en ons betaald zet voor al het boosaardige dat we hem hebben aangedaan!” 

Echter, nadat Jozef hen helemaal geen verwijten maakte en bovendien hen ook nog troostte, was er geen enkele beperking aan hun verlegenheid en hun vreselijke angst voor hem. 

De Alter haalt een groter thema van Din/Oordeel aan, en past de lessen van deze episode toe op onze positie voor het oordeel door de Heilige op Yom HaDin – de Dag van het Oordeel. Maar terwijl we ons voorbereiden om Sefer Bereishit voor dit jaar af te sluiten, met al haar maar al te reële verhalen over menselijke en familiale relaties, wil ik blijven stilstaan bij ons eigen leven en onze eigen relaties terwijl we deze parasha lezen. 

Alhoewel wij deze week een pagina van de seculiere kalender omslaan, zijn deze momenten voor ons toch reflectiepunten. Ze bieden kansen, die er in onze traditie continu zijn, zoals we herinnerd worden door onze liturgie op de weekdagen met de Tussentijdse Zegeningen in de Amidah voor Teshuvah/berouw en Slichah/vergeving. De opname van deze twee belangrijke waarden in onze dagelijkse liturgie is een voortdurende herinnering dat we allemaal werk in uitvoering zijn. We hoeven niet te wachten op de Yamim Noraim/Dagen van Ontzag en Inkeer, onze persoonlijke Yom HaDin, of soortgelijke momenten, om van koers te veranderen. Inderdaad, onze studie en praktijk van Mussar is een constante herinnering aan en proces voor zulke veranderingen! 

Ieder van ons heeft zijn eigen bagage van gedachten, woorden, daden en interacties in de loop van zijn of haar leven, of misschien alleen maar over het jaar 2024. Terwijl we samen met de wereld om ons heen het begin van 2025 markeerden, kunnen we misschien onze Cheshbon HaNefesh/Boekhouding van de Ziel richten op datgene waar we in onze eigen relaties willen genezen van wat gebroken is, zodat ons eigen “onafgemaakte werk” als af kan aanvoelen, zoals de Alter suggereert ten aanzien van de broers van Jozef. Zelfs als we één klein stukje gebrokenheid kunnen genezen, kunnen we 2025 vanuit een sterker perspectief beginnen en een fundament hebben waarop we in de maanden en het komende jaar kunnen bouwen en herbouwen. 

VOOR FOCUS:  

  • Met wie identificeer je je het meest, als je het verhaal van Jozef’s hereniging en verzoening met zijn broers leest,? 
  • Welke middot spreken je aan in de woorden en daden van de broers in deze beladen episode? 
  • In welke relatie(s) zou je iets willen toepassen van wat je deze week uit onze parasha leert? 

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Miketz

Torah vanuit een Mussar Perspectief 

Parasha Miketz – Genesis 41:1-44:17 

Rabbi Eric S. Gurvis 

Onze wereld is gevuld met drama. Voor sommigen is dit ook waar voor deze laatste weken van december, die gevuld kunnen zijn met verschillende bijeenkomsten. Zo ook in ons Torah-gedeelte, Parasha Miketz. Vorige week hebben we Josef ontmoet en lazen we hoe hij in Egypte belandde. In het deel van deze week komt Josef onder de aandacht van de farao vanwege precies dat talent waardoor zijn broers hem aan een passerende groep Ismaëlieten verkochten – dromen interpreteren. Nu maakt dat zijn talent hem echter een hoge positie aan het hof van de farao oplevert. Ondertussen voelt de familie thuis de gevolgen van een hongersnood, en worden Josefs broers naar Egypte gestuurd om voedsel te verkrijgen. Dit brengt hen naar Josef, die ze echter niet herkennen. Het daaropvolgende heen en weer gebeuren heeft hen ertoe gebracht terug te keren om hun jongste broertje Benjamin, die Rachel als moeder deelt met Josef, naar Egypte te brengen. Josef verzint een strategie die hem ertoe aanzet de broers van diefstal te beschuldigen, terwijl hij stiekem de “gestolen” beker in Benjamins zak laat plaatsen. 

In Genesis 44:14-17 lezen we van een spannende en dramatische uitwisseling tussen Juda en de mysterieuze Egyptische leider Josef, die dit weekgedeelte afsluit: 

Toen Juda en zijn broers opnieuw het huis van Josef binnengingen, die daar nog steeds was, wierpen ze zich op de grond voor hem. Josef zei tegen hen: “Wat is dit voor een daad die jullie hebben verricht? Wisten jullie niet dat een man als ik een goed waarzegger is?” 

Juda antwoordde: “Wat kunnen wij zeggen tegen mijn heer? Hoe kunnen we pleiten; hoe kunnen we onze onschuld bewijzen? God heeft de misdaad van uw dienaren onthuld. Hier zijn wij dan, slaven van mijn heer, de rest van ons net zo goed als hij in wiens bezit de beker is gevonden.” 

Maar Josef antwoordde: “Ver van mij om zo te handelen! Slechts degene in wiens bezit de beker is gevonden, zal mijn slaaf zijn; de rest van jullie gaan in vrede terug naar jullie vader.” 

We kunnen ons gemakkelijk de complexe emoties van alle kanten van dit familie-drama voorstellen. Juda weet dat de broers niets hebben gestolen. Toch weet hij diep in zijn hart dat er tekortkomingen in zijn karakter zijn en verkeerde acties in het verleden. 

Op de woorden “GOD HEEFT ONTHULD” merkt Rashi op: “We weten dat we niets verkeerd hebben gedaan, maar het is door de Heilige geregeld dat dit ons zou overkomen. De Crediteur heeft een gelegenheid gevonden om de schuld te vereffenen.” Rabbi Abraham ibn Ezra gaat verder en stelt: “Ze spreken bij wijze van parabel. We hebben een zonde begaan. Het was als het ware of het verloren en al lang vergeten was. Maar het blijkt vandaag terug gevonden te zijn.” De commentatoren veronderstellen dat Juda bij zichzelf denkt: we hebben misschien weten te ontsnappen aan menselijke gevolgen voor wat we met onze broer Josef hebben gedaan, afgezien van de woede en het verdriet van onze vader. Maar nu lijkt het erop dat God genoegdoening zal eisen voor onze misstap. 

Rabbi Ben Zion Bamberger koppelt deze episode aan het rabbijnse concept van middah kneged middah. We zouden dit kunnen begrijpen als quid pro quo – de broers krijgen nu hun bittere medicijn voor hun daden uit het verleden. Rabbi Bamberger leert:  

Wanneer we ons geconfronteerd zien met problemen, moeten we er niet aan voorbij gaan dat dit een voorbeeld kan zijn van middah kneged middah, [letterlijk] “een maatregel leidt tot een gelijksoortige maatregel” van de Heilige. 

Zulke dingen gebeuren om mensen te leren de gevolgen van hun zonden, en de schade van die zonden die ze als gevolg anderen kunnen berokkenen, te begrijpen. Bovendien kan een dergelijk bewustzijn, wanneer we te maken hebben met een schijnbaar gebrek aan rachmanut/compassie in tijden van moeilijkheden, ons  helpen een en ander te realiseren. Wanneer dit gebeurt moeten we onze middot onderzoeken en proberen eventuele tekortkomingen binnen onze middot te corrigeren. 

Rav Bamberger legt uit dat dit de bewustwording kan zijn waar de broers mee te maken kregen toen ze zich hun zonde herinnerden wat betreft het verkopen van hun broer Josef als slaaf. Maar zoals de Rav leert, kan het heel goed zijn dat de broers nog niet volledig begrijpen wat ze hebben gedaan door hun broer te verkopen. Hij wijst ons op een opmerking van Ovadia Sforno die leert: “God heeft de ongerechtigheid gevonden. God straft ons niet voor deze daad, waaraan we onschuldig zijn, maar voor een veel eerdere misdaad.” 

Rav Bamberger stelt: 

Dit wordt voor ons verduidelijkt door de les van de shvatim/stammen (waarmee de broers worden bedoeld): Voor een adam shaleym/degene die naar heelheid streeft, zullen yissurim/ beproevingen fungeren als een vorm van tochechah/berisping, een teken van de hemel om hun middot en hun eigenschappen te verfijnen. 

In onze joodse kalender hebben we Rosh Hashanah afgelopen oktober gevierd. We weten dat de maand Elul en de Yamim Noraim vragen om Cheshbon Ha-Nefesh, de inventarisatie van onze woorden en daden als we ons voorbereiden om een nieuw jaar binnen te gaan. In de wereld waarin we leven, brengt een ander telsysteem ons in de komende dagen naar een ander nieuw jaar. Voor velen leidt het bewustzijn van het seculiere nieuwe jaar ook tot cheshbon ha-nefesh/rekening van de ziel, terwijl we reflecteren op het seculiere jaar dat voorbij is. Rav Bamberger’s les van de ervaring van de broers, evenals ons Chanukah feest, kan ons dezelfde kans bieden om na te denken over onze woorden, daden en zelfs gedachten over het voorbije jaar.  

Zoals Rav Bamberger leert:  

Wanneer een persoon zijn cheyto/falen erkent, omdat wat lijkt op een straf, kan hij ervoor kiezen om dit te zien als een teken van de Heilige van middah kneged middah – een berisping van God. 

In de context van de Mussar-traditie past dit bij het algemene perspectief dat wordt uitgedrukt in Talmoed Berachot 33b: “Alles ligt in de handen van de hemel, behalve yirat shamayim/de vrees voor de hemel.” Dit kan ons gemakkelijk doen denken aan de middot van Emunah/Geloof, Bitachon/Vertrouwen in God; en Yirah/Vrees (of Ontzag). Dit zijn uitdagende middot voor velen in de wereld van vandaag, zoals ze worden benadrukt in de klassieke Mussar-literatuur. Desondanks is de les van Rav Bamberger dat we onze eigen daden en middot moeten onderzoeken wanneer het leven ons uitdaagt en ons best moeten doen om onze eigenschappen te corrigeren, een belangrijk onderdeel van de reden dat we op het Mussar-pad blijven, terwijl we proberen de beste versie van de persoon te worden die we zouden kunnen zijn. 

Terwijl Rav Bamberger Juda’s innerlijke reflectie bekijkt in het licht van de uitdaging van de beschuldigingen tegen Benjamin, kunnen we ons ook gemakkelijk voorstellen dat Josef ook nadenkt over zijn eigen woorden en daden uit het verleden. Deze reflectie, de cheshbon ha-nefesh en de hitlamdut die het kan bieden, kan ons helpen in balans te blijven terwijl we uitdagingen het hoofd bieden en onze koers uitstippelen naar het worden van die betere versie van onszelf. 

Moge het licht dat we halen uit Josef en zijn broers, hun worstelingen en groeiende wijsheid onze paden verlichten, net zoals onze Chanukah-lichtjes meer licht en warmte brengen in een tijd van toenemende duisternis in onze fysieke wereld in dit seizoen. 

Chag Urim Sameach!

VOOR FOCUS:

  • Terwijl je elke avond naar het toenemende licht van het feest kijkt, wat wordt belicht voor jou in je Mussar-werk? 
  • Waar zou je hitlamdut kunnen toepassen in deze donkerste periode terwijl we de pagina van onze seculiere kalender omslaan en uitkijken naar het toenemende licht? 
  • Terwijl we reflecteren op de relatie tussen Josef en zijn broers, waar kunnen we ons op richten bij onze reflectie bij onze eigen samenstelling van relaties en de kans aangrijpen voor vergeving, genezing en het versterken van de relaties in ons leven?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Vayeshev

Torah vanuit een Mussar Perspectief 
Parashah Vayeshev – Genesis 37:1-40:23 
Rabbi Eric S. Gurvis

Als student om rabbijn te worden werkte ik vaak met tieners, in verschillende settings – in plaatselijke synagogen en jeugdgroepen, met regionale jeugdgroepen, op retraites en op kamp. Ik herinner me levendig een moment, in één van deze settings, gerelateerd aan de Torah-portie van deze week. De toenmalige vice-president van de Union voor Reform Judaism, Rabbijn Daniel Syme, sprak een grote groep tieners toe. Hij vroeg de groep om te bedenken wie kandidaten zouden kunnen zijn voor de meest significante figuren in het boek Genesis. Een heleboel vingers gingen omhoog, en we kunnen ons allemaal gemakkelijk een lijst van namen voorstellen die door de tieners werden bedacht. Rabbi Syme bevestigde al hun suggesties. Daarna wees hij op één figuur in de parashah van deze week als een vaak over het hoofd geziene, maar cruciale speler in Sefer Bereishit. Bij het vertellen van het verhaal van Josef die door zijn vader Jacob werd uitgestuurd om naar het welzijn van zijn broers te vragen, citeerde Rabbi Syme Genesis 37:15

          וַיִּמְצָאֵ֣הוּ אִ֔ישׁ וְהִנֵּ֥ה תֹעֶ֖ה בַּשָּׂדֶ֑ה וַיִּשְׁאָלֵ֧הוּ הָאִ֛ישׁ לֵאמֹ֖ר מַה־תְּבַקֵּֽשׁ׃  

… een ish/man kwam Josef tegen die op het veld ronddwaalde. 

                    De ish vroeg hem: “Wat zoekt u?”

Rabbi Syme legde uit dat, naar zijn idee, deze anonieme ish een van de meest allesbepalende rollen in de hele Torah speelt. Zonder deze ish, zou Josef zijn broers misschien niet hebben kunnen vinden? Misschien zouden ze niet de kans hebben gekregen om hem in een put te gooien vanwege hun moeilijke relatie met hun broer, de dromer? Misschien wordt Josef niet verkocht aan een groep Ismaëlieten, en komt hij niet in Egypte, eerst als dienaar, en dan als een hoge officier in de rechtbank van de farao? Misschien wordt hij niet de schakel voor zijn familie, en vervolgens ons volk, om uiteindelijk in Egypte te belanden? Misschien worden de Israëlieten geen slaven, en verliezen we de opzet voor het verhaal van de Exodus en de resterende vier boeken van de Torah?

Veel ‘misschien’s. Rabbi Syme’s boodschap aan de tieners die dag was dat we nooit de kracht weten van de rol die we kunnen spelen in het leven van anderen. Als individuen hebben we ongelooflijk veel kracht en vaak over het hoofd geziene kansen om de levens van anderen te beïnvloeden.

In zijn commentaar op ons vers leert Nachmanides, de Ramban:

EEN MAN VOND HEM, EN WAARACHTIG, HIJ [Josef] WAS ZWERVENDE IN DE VELDEN. Ons vers stelt dat Josef van het pad afdwaalde, niet wetende waar heen te gaan. Hij kwam in een veld terecht, aangezien hij aan het zoeken was naar zijn broers in een weide. De Schrift vermeldt dit uitgebreid, om te laten zien dat veel gebeurtenissen Josef overkwamen die hem gemakkelijk hadden kunnen doen terugkeren naar huis. Toch doorstond hij alles geduldig ter ere van zijn vader, Jacob…

… De Heilige stuurde hem een gids [de ish], zonder dat hij het wist, om Josef aan hun over te leveren. Dit is wat onze Rabbijnen bedoelden toen ze zeiden dat een man zoals deze, die Josef ontmoet, een malach/een engel is, want deze gebeurtenissen gebeurden niet zonder doel, maar om ons te onderwijzen dat “Een mens maakt allerlei plannen, maar wat wordt uitgevoerd, is het plan van God.” [Spreuken 19:21]

Een verscheidenheid aan middot kwam onmiddellijk in me op terwijl ik dit vers dit jaar opnieuw overwoog. Josef’s “missie”, als we het zo kunnen noemen, ontstond op verzoek van zijn vader, zoals we lezen in de twee voorafgaande verzen,

Israël zei tegen Josef: “Je broers weiden bij Sichem. Kom, ik zal je naar hen sturen.” Hij antwoordde: Hineni – “Ik ben er klaar voor.” En Israël   zei tegen hem: “Ga en zie hoe het met je broers gaat en hoe het gaat    met de kuddes, en kom terug met het verslag.” Dus stuurde hij hem weg vanuit de vallei van Hebron.

Josef’s onmiddellijke bereidheid om aan het verzoek van zijn vader te voldoen brengt het idee van zerizut/enthousiasme in gedachten. Het weerspiegelt ook kavod/eer voor zijn vader Jacob/Israël, evenals zijn savlanut/geduld onderweg. Tegen de achtergrond van de opmerking van de Ramban over zijn volharding in het uitvoeren van de taak die hij moest volbrengen, kan ik ook netzach/volharding zien. Natuurlijk, gezien de beschrijving van de uitkomst van Josef’s reis hoe God in ons leven handelt en aanwezig is in onze wereld, kunnen we kijken naar emunah/geloof en bitachon/vertrouwen.

Ironisch genoeg, terwijl ik diverse geschriften met lessen van onze baalei Mussar verkende, vond ik weinig aandacht voor vers 15 en deze anonieme figuur die Josef in de richting van zijn broers wijst. In Shiurei Chumash Bereshit, raakt Rabbi Shlomo Wolbe ons onderwerp terloops aan, terwijl hij reflecteert op de ontmoeting van de ish en Josef in de verzen 15-17:

De man vroeg hem: “Wat zoekt u ?” Hij antwoordde: “Ik zoek mijn broers. Kunt u me vertellen waar ze weiden?” De man zei:
“Nasu mi-zeh – Ze zijn van hier weggegaan…”

Rav Wolbe becommentarieert Rashi’s interpretatie van de woorden nasu mi-zeh – “Ze zijn van zeh/hier weggegaan” hetgeen Rashi interpreteert als “ze hebben alle gevoel van broederschap losgelaten.” Rav Wolbe leert dat elke keer dat we het woord zeh/deze lezen (of “hier” zoals het in onze vertaling is weergegeven, wat betekent “van deze plek”) het kan worden begrepen als een teken dat deze persoon letterlijk met zijn vinger wijst. Rav Wolbe interpreteert deze reactie verder als dat, “ze hebben iedere relatie met jou losgelaten.” Het is alsof de ish Josef waarschuwt om hen niet achterna te gaan, omdat ze zich niet langer met hem willen associëren. Toch, ter ere van het verzoek van zijn vader, en in een poging om zijn hineini-respons te vervullen, volhardt hij. Daarom wijst de ish de richting aan die Josef volgt.

Terwijl ik nadacht over de eerder genoemde middot toen ik onze parashah bestudeerde, was het de boodschap van Rabbi Syme aan die tieners, waarschijnlijk zo’n veertig jaar geleden, die tot me sprak terwijl ik dit verhaal opnieuw bekeek door een Mussar-lens. Voor ieder van ons is onze Mussar-ervaring persoonlijk. Zoals we weten, begint het met de focus op ons interne landschap – dat van onze neshamah, onze ziel. We kunnen alleen maar denken aan wat er mogelijk in Josef’s neshamah aan het opborrelen was terwijl hij naar zijn broers zocht. Maar voor mij greep de les over de naamloze, gezichtloze ish me vanuit een ander perspectief.

Terwijl onze Mussar-reis persoonlijk is, is het ‘t beste om dit in gezelschap van anderen te doen. Voor mij spreekt dit over het belang en de impact van chevruta-partners, de leden van een vaad waarvan we deel kunnen uitmaken, onze leraren en onze Mussar-gemeenschap, onze “medereizigers” zo te zeggen. Zoals met die ish, die anonieme figuur die Josef in een bepaalde richting in Genesis hoofdstuk 37 wees, hebben wij de kans om anderen te wijzen richting inzichten, betekenissen en toepassingen terwijl we samen studeren, oefenen en onderweg zijn. Elke persoon die we tegenkomen op onze reis kan een grote impact hebben, ongeacht wie ze zijn. En als ik denk aan anavah/nederigheid, word ik eraan herinnerd dat het soms de minder bekende mensen in ons leven zijn die ons kunnen helpen om in te kunnen zien wat degenen die ons het beste kennen niet kunnen. Laten we ook de impact die we op anderen kunnen hebben niet vergeten, terwijl we de studie, praktijk en reis delen.

VOOR FOCUS:

  • Kun je denken aan een moment waarop iemand een inzicht of interpretatie aanbood die je denkpatroon totaal veranderde? 
  • Kun je denken aan zo’n moment in je Mussar-reis? 
  • Welke andere middot schieten je te binnen terwijl je de ontmoeting tussen Josef en de ish leest en bestudeert? 
  • Hoe kun je de les van Rabbi Syme over de belangrijkheid van incidentele of zelfs anonieme figuren in ons leven gebruiken, terwijl je nadenkt over je neshamah-werk voor de komende week?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Vayishlach

Torah vanuit een Mussar Perspectief
Parshat Vayishlach – Genesis 32:4-36:43
Rabbi Eric S. Gurvis

Het is nog maar een week geleden dat we Parshat Vayetze lazen. In het verhaal van Genesis zijn er echter twintig jaar verstreken sinds Jacob zijn familiehuis verliet. In de lezing van deze week vinden we hem als het ware “onderweg,” nadat hij Haran en Laban heeft verlaten en op weg is, terug naar zijn ouderlijk huis. Natuurlijk is er veel veranderd in Jacobs leven. Hij reist met zijn gezin, twee echtgenotes, zussen Lea en Rachel, kinderen en een heel gevolg.

In de tussentijd tijd is Esau ook succesvol geweest. Om terug te keren naar huis moet Jacob door gebieden in de buurt van Esau. Hoewel er twintig jaar zijn verstreken sinds Jacob Esau er in liet lopen om zijn eerstgeboorterecht te verkopen. En zijn vader (met de hulp en zegen van moeder Rebekka) bedroog om aan Jacob de zegen te geven die aan Esau, de eerstgeborene, toebehoorde. Jacob is nog steeds bang voor zijn fysiek imposantere en iets oudere broer.

Terwijl we ons op onze parasha van deze week richten, is Jacob op weg naar huis. Onze portie begint:

Jacob stuurde boodschappers vooruit naar zijn broer Esau in het gebied Seir, het land van Edom, en instrueerde hen als volgt: “Dit moet je zeggen: ‘Aan mijn heer Esau, zo zegt uw dienaar Jacob: Ik heb bij Laban verbleven en ben daar tot nu toe gebleven; ik heb vee, ezels, kamelen, schapen en mannelijke en vrouwelijke slaven verworven; en ik stuur dit bericht naar mijn heer in de hoop uw goedgezindheid te winnen.'”

De boodschappers keerden terug naar Jacob en zeiden: “We zijn bij uw broer Esau geweest; hij zelf komt u tegemoet, en er zijn vierhonderd mannen bij hem.” (Genesis 32:4-7)

We kunnen ons gemakkelijk de onzekerheid voorstellen die Jacob moet hebben gevoeld, en zo gaat onze portie verder:

          וַיִּירָ֧א יַעֲקֹ֛ב מְאֹ֖ד וַיֵּ֣צֶר ל֑וֹ וַיַּ֜חַץ אֶת־הָעָ֣ם אֲשֶׁר־אִתּ֗וֹ וְאֶת־הַצֹּ֧אן

                    וְאֶת־הַבָּקָ֛ר וְהַגְּמַלִּ֖ים לִשְׁנֵ֥י מַחֲנֽוֹת׃׃

Jacob was zeer bang; in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, de kuddes vee en de kamelen, in twee kampen.

Ongeacht wie wij zijn hebben we allemaal wel situaties ervaren die angst uitlokken, in het verleden, in het heden en zonder enige twijfel zal het in de toekomst geschieden. Gezien wat er de laatste keer gebeurde toen de twee broers samen waren, Jacobs bewustzijn van zijn eigen daden, en Esau’s reactie daarop, kunnen we de ingewikkelde mengeling van gevoelens begrijpen die hij moet hebben ervaren.

In zijn werk, Madreigat Ha-Adam, bespreekt Rabbi Yosef Yoizel Horowitz, de Alter van Novarodok, uitvoerig de mida van bitachon/vertrouwen.

Zoals we weten uit onze studie en de beoefening van Mussar, wordt bitachon vanuit een klassiek perspectief begrepen als volledig vertrouwen in God. In het gedeelte van Madreigat Ha-Adam getiteld U-vacharta Ba- Chayim, ‘je moet voor het leven kiezen’ (gebaseerd op de zin in Deuteronomium hoofdstuk 30), biedt de Alter ons een inzicht dat sterk leunt op de lessen van Rabbi Mozes ben Nachman, de Ramban. Zijn inzicht biedt ons een andere invalshoek van waaruit we kunnen ontdekken wat mogelijk in Jacobs hart speelde op deze angstige nacht voordat hij zijn broer ontmoette. De Alter van Novarodok leert:

Het wordt uitgelegd in het commentaar van Ramban over het onderwerp Bitachon, dat allen, die vertrouwen, geloven, maar niet allen die geloven vertrouwen. Dat allen die vertrouwen (in God) geloven is vrij duidelijk, want als iemand niet gelooft in God, op wie zal hij dan vertrouwen?

Maar het is mogelijk dat niet allen die geloven op God vertrouwen omdat ze misschien bang zijn om op God te vertrouwen vanwege hun zonden. Dit vinden we terug in het geval van Jacob, hij was bang vanwege zijn eerdere zonden.

De Alter baseert dit op een les uit de Talmoed Brachot 4a waar ons geleerd wordt,

Rabbi Ya’akov bar Idi bracht een tegenstrijdigheid tussen twee verzen naar voren. Er staat geschreven dat God Jacob in zijn droom van de ladder zei: “Zie, ik ben met jou en ik zal je beschermen waar je ook gaat” (Genesis 28:15). Maar toch, toen Jacob terugkeerde naar Kanaän en zich realiseerde dat Esau onderweg was om hem te begroeten, staat er: “En Jacob werd zeer bang, en hij was bezorgd” (Genesis 32:8).

Waarom vertrouwde Jacob niet op Gods belofte? Jacob was bezorgd en zei tegen zichzelf: In het geval dat ik een zonde zou kunnen hebben begaan nadat God de belofte aan mij deed, zal dat ervoor kunnen zorgen dat God die belofte van bescherming intrekt.

De Alter gaat verder,

Zoals Ramban uitlegt, “Vertrouw op God en doe goed.” Hij leert dat men op God de Almachtige moet vertrouwen, zelfs als men een slecht persoon zou zijn. Zoals we leren in Talmoed Bava Kamma zegt Rabbi Ḥanina: Iedereen die zegt dat de Heilige de overtredingen vergeeft, hen zal het leven worden ontnomen, zoals staat geschreven: “De Rots, Gods werk is perfect, want al Gods wegen zijn rechtvaardig.” (Deuteronomium 32:4). Echter, in de Talmoed Yerushalmi Ta’anit hoofdstuk 2 leren we: “de Almachtige is geduldig en zal het aan God verschuldigde innen….

De Alter legt enkele redenen uit waarom Jacob zijn gezin en kamp zou kunnen hebben verdeeld, langs de lijnen van wat de Torah verklaart, namelijk dat hij wilde zorgen dat sommigen overleefden voor het geval zijn ontmoeting met Esau slecht zou aflopen. De Alter biedt echter een interpretatie die niet in onze parasha voorkomt:

We kunnen ook zeggen dat Jacobs angst was dat hij zou zondigen, aangezien “hij ‘onafgemaakte zaken’ met Esau had.” Isaac had Esau ook gezegend, zeggende:

“Maar door jouw zwaard zul je leven, En je zult je broer dienen;

Maar wanneer je ongeduldig wordt,

Zul je zijn juk van je nek afschudden.” (Genesis 27:40)

Hieruit zouden we kunnen afleiden dat Jacob niet alleen bang was voor de schade die Esau hem zou kunnen berokkenen, maar ook voor de mogelijkheid dat hij, Jacob, Esau zou kunnen schaden en daardoor zou zondigen. De Alter vervolgt,

Esau’s kracht was zo groot dat als Jacob zich een beetje onderdanig zou gedragen, Esau hem gemakkelijk zou overweldigen. Daarom kunnen we inzien dat hij niet alleen slechts toe kon met de kracht van bitachon/vertrouwen. Zou hij zondigen, dan zou deze zonde ervoor kunnen zorgen dat Esau hem… zou verslaan, en daarom vreesde Jacob dat hij zou zondigen als gevolg daarvan.

Dit is niet omdat de zonde op zich een gebrek aan bitachon is, maar omdat een mogelijke zonde ervoor zou kunnen zorgen dat Jacob niet de baas over Esau zou zijn… We moeten in gedachten houden dat zelfs de slechten kunnen vertrouwen op Gods chesed/liefdevolle goedheid en ook de mogelijkheid dat deze chesed een slecht persoon zou kunnen helpen om zichzelf te veranderen richting het goede.

Twee keer in de parasha van vorige week lazen we de zin Pachad Yitzchak, die als een naam voor God wordt begrepen. Het is niet een grote gedachtesprong om “de Vrees van Isaac” te beschouwen als een manier waarop Isaac God zou kunnen hebben begrepen vanwege zijn ervaring met zijn vader, Abraham, toen hij op het altaar werd geplaatst (Genesis 22) in gehoorzaamheid aan wat Abraham als Gods opdracht begreep. In zijn lering gebruikt de Alter herhaaldelijk de zin Pachad Ya’akov/de Vrees van Jacob.

We kunnen niet echt weten of dit een opzettelijke verwijzing naar de ervaring van zijn vader is, maar het is zeker niet een al te grote gedachtesprong om je voor te stellen dat het zo zou kunnen zijn.

Het menselijk leven omvat onzekerheid en angst. De Mida van Bitachon/ vertrouwen is zeker een nuttig hulpmiddel om dit in ons leven aan te pakken. Zoals ik een paar weken geleden opmerkte, worden veel hedendaagse Joden uitgedaagd om Bitachon uitsluitend in verband met de Eeuwige te zien. Met het risico om mijzelf te herhalen herinneren hedendaagse leraren ons eraan dat we kunnen beginnen met Bitachon van binnenuit – op onszelf te vertrouwen. Dit is zeker een belangrijk hulpmiddel voor ons in deze tijd waarin velen van ons, net als Vader Jacob, worstelen met onzekerheden in ons leven en onze wereld.

VOOR FOCUS:
  • Waar ervaar je Bitachon/Vertrouwen in je leven? Wat is de bron die je Bitachon brengt?
  • Waar heb je moeite met Bitachon in je leven?
  • Welke andere midot zouden je kunnen helpen om je gevoel van Bitachon te versterken?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Vayetze

Torah vanuit een Mussar Perspectief

Parshat Vayetze Genesis 28:10-32:3

Rabbi Eric S. Gurvis

Onze parasha opent met Jakob die zijn familiehuis verlaat om te vertrekken naar Haran, waar hij bij zijn oom Laban zal verblijven en er voor hem zal gaan werken. In Chochmat HaMatzpun citeert Rabbi Moshe Igbui een les van Ohr HaMussar over het openingsvers van onze sectie:

ַוַיֵּצֵ֥א יַעֲקֹ֖ב מִבְּאֵ֣ר שָׁ֑בַע וַיֵּ֖לֶ חָרָֽנָה׃

Jakob verliet Beersheba en zette koers naar Haran.

Bericht bekijken

De passage uit Ohr HaMussar opent met een citaat uit Midrash Bereishit Rabbah, waar we een krachtige uitleg van Psalm 121 lezen als de bron van Jakobs vertrouwen als hij verder gaat:

Rabbi Shmuel bar Nachman begon: “Een lied van verheffingen. Ik hef mijn ogen op naar de bergen he-harim” (Psalmen 121:1) – We kunnen dit ook lezen als: ik hef mijn ogen op naar mijn ouders ha-horim, naar mijn leraren en naar degenen die mij hebben grootgebracht.

“Waar zal mijn hulp vandaan komen?” (Psalmen 121:1) – In het geval van Eliëzer, de dienaar van Abraham, die belast was met het vinden van een vrouw voor Isaak, toen hij Rebecca ging halen, lezen we: “De slaaf nam tien kamelen…” (Genesis 24:10.) Maar ik Jakob heb niet eens één neusring of één armband om als eerbetoon aan te bieden.

Jakob zei toen: ‘Wat?!? Moet ik mijn vertrouwen in mijn Schepper verliezen? God verhoede, ik zal mijn vertrouwen in mijn Schepper niet verliezen.’ In plaats daarvan, “Mijn hulp komt van de Eeuwige” (Psalmen 121:2). “God zal niet toelaten dat je zal uitglijden; God die over jou waakt, zal niet sluimeren” (Psalmen 121:3). “Zie, de Beschermer van Israël slaapt noch sluimert…” (Psalmen 121:4). “De Eeuwige zal je behoeden tegen alle kwaad” (Psalmen 121:7) – doelend op Esau en Laban; “God zal je leven beschermen” (Psalmen 121:7) tegen de engel des doods. “De Eeuwige zal jouw gaan en komen bewaken” (Psalmen 121:8) – waarop “Jakob vertrok.”

Onze commentator gaat verder door uit te leggen dat terwijl hij zijn familiehuis verliet, Jakob nadrukkelijk de verschillende nisyonot/uitdagingen aanvoelde waarmee hij geconfronteerd zou worden. Niet alleen verlaat hij zijn huis, maar hij kan niet weten wat de toekomst voor hem in petto heeft in het huis van zijn oom Laban. Dit veroorzaakt stress en bezorgdheid bij Jakob, net zoals dat voor ieder van ons zou gelden. Dit drukte zwaar op hem totdat – zoals onze commentator stelt – Jakob gedwongen was te vragen: “Van waar zal mijn hulp komen?”

Hij citeert de Rabbijnse traditie in Talmud Megillah 17a die stelt dat Jakob veertien jaar in de Academie van Shem en Ever heeft gestudeerd. Terwijl hij daar leerde, bereidde hij zich voor op de mogelijkheid van oorlog. Hij leerde hoe hij zijn gezinshuis moest bouwen, waaruit het Huis van God zou voortkomen. Nu, terwijl hij het gezinshuis van zijn jeugd verlaat, ziet hij geen natuurlijke weg om menuchah en zijn doel te bereiken. Vandaar dat hij vraagt: “Van waar zal mijn hulp komen?” Jakob, die tot nu toe niet veel bewijs van een diep geloof in God heeft laten zien, verklaart desondanks dat zijn lot verbonden is met hoe God hem zal beschermen en leiden. Hoewel Jakob misschien geen materiële geschenken te bieden heeft, suggereert onze commentator dat Jakob zijn spirituele bronnen heeft om op terug te vallen.

Hij stelt dat,

Precies op het moment dat alle rationele of natuurlijke verklaringen falen voor wat er gebeurt, kan een persoon de behoefte voelen om zich tot het Goddelijke te wenden en hulp te zoeken bij het aangaan van de uitdagingen van het leven.

Onze leraar stelt: “Op het moment dat iemand geconfronteerd wordt met een nisayon/uitdaging, en antwoorden vanuit karakter of rationeel denken lijken te ontbreken, zal een persoon zich sterk moeten maken en niet afdalen van het niveau van bitachon/vertrouwen in De Eeuwige waarop hij/zij tot nu toe heeft vertrouwd. Hij/zij moet zijn bitachon gebruiken, of het nu in potentie of in werkelijkheid is, om zichzelf tot actie aan te zetten.

Voor sommigen is dit een uitdaging, aangezien bitachon in relatie tot God tegenwoordig voor velen een strijd is. Toch schrijft de hedendaagse Rabbi Itamar Schwartz, in zijn Bilvavi Mishkan Evneh:

Bitachon is de kracht in onze ziel om te geloven en in iets vertrouwen te stellen. Over het algemeen zijn er twee manieren waarop onze ziel de kracht van Bitachon gebruikt.

Eén soort Bitachon die we hebben, is – simpel gezegd – vertrouwen in God. Dit moet goed worden uitgelegd, omdat we ook weten dat we verplicht zijn om ons inspanningen te getroosten (hishtadlut), dus we moeten begrijpen hoe we onze Bitachon in verhouding brengen met onze menselijke inspanningen.

De tweede soort Bitachon is om Bitachon/vertrouwen in onszelf te hebben, wat in onze taal bitachon atzmi wordt genoemd, “zelfvertrouwen.”

Zelfs wanneer je je uitgedaagd voelt door de klassieke opvatting van bitachon als volledig vertrouwen op God, herinnert Rabbi Schwartz ons eraan dat we innerlijke bronnen hebben die ons ook in staat zouden moeten stellen ons gevoel van bitachon te versterken, te beginnen van binnenuit.

Inderdaad, dit is een constante boodschap die we horen in onze studie en praktijk van Mussar. We beginnen ons werk vanuit ons innerlijk.

Terugkomend op onze lering van Ohr HaMussar, biedt onze leraar een inzicht dat in onze uitdagende tijden behoorlijk lijkt te resoneren:

Men moet het gevoel van ‘in het moment leven’ behouden, en zich niet te veel laten meesleuren door wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren. We moeten leren te vertrouwen dat de dingen van morgen, of ze nu fysiek of spiritueel van karakter zijn, [tenminste tot op zekere hoogte] berusten op het vertrouwen dat we niet alleen zijn bij het tegemoet treden van onze nisyonot.

Hij legt uit dat Bitachon ons kan helpen onze zorgen, met betrekking tot de toekomst, te verminderen. Het versterken van ons gevoel van Bitachon kan ons helpen ons gevoel van menuchah/evenwichtigheid en shakey/trust te versterken, zodat we onze krachten kunnen aanspreken om sterk te staan tegenover de nisyonot waarmee we in ons leven worden geconfronteerd.

Op onze reis met Vader Jakob, zouden we de les van Rav Schwartz over bitachon atzmi/zelfvertrouwen in gedachten mogen houden, zelfs terwijl we proberen onze eigen nisyonot/uitdagingen van dit moment het hoofd te bieden en bitachon – onszelf overstijgend – aan te boren.

VOOR FOCUS:

  • Wat daagt jou uit bij het werken aan de middah van bitachon?
  • Waar kun jij je in jouw spirituele werk, evenals in het dagelijks leven, toe wenden om aan te voelen dat hulp komt van meer dan alleen jouw eigen bronnen, zowel fysiek als spiritueel?
  • Welke middot kunnen jou helpen je gevoel van bitachon te versterken, ofwel van buitenaf, ofwel van binnenuit?

Download deze parasha