Parasha Beshalach

Gemengde motieven

Sjemot 13:17 – 17:16

Het Torah deel van deze week, Beshalach, bevat een aantal belangrijke hoogtepunten: de Israëlieten die Egypte eindelijk verlaten, de splitsing van de Rode Zee, de oorlog tegen de Amalekieten… Maar nu ik de gebeurtenissen heb genoemd die iedereen zou moeten kennen en die deze week in de Torah worden voorgelezen, gaan we het hebben over een aantal zaken daartussen die een Reader’s Digest misschien zou overslaan.

Twee keer in de sidrah (Torah-gedeelte) vraagt ​​het volk om water. Vragen om water, dat nodig is om te overleven, is logisch. Maar wanneer de menigte ook Mozes en Aäron om voedsel vraagt ​​(Exodus 16:2), gaan ze te ver:

“Was het ons maar vergund geweest een natuurlijke dood te sterven in het land Egypte door toedoen van de Eeuwige, toen we rondom de vleespot zaten, toen we volop brood konden eten; want jullie hebt ons naar deze woestijn laten vertrekken, om deze hele gemeenschap van honger te laten sterven!” (vers 3)

Dachten ze werkelijk dat toen HaShem de zee spleet om hen veilig door te laten en hun onderdrukkers te laten verdrinken, dat God dat deed als onderdeel van een plan om hen te doden?

Ondanks hun gebrek aan vertrouwen en de ondankbare manier waarop ze het vroegen, accepteert HaShem hun verzoek (vers 12-14), en dit is het moment waarop manna voor het eerst verschijnt, beloofd om afgeleverd te worden met de ochtenddauw. En bovendien zullen ze elke avond kwartels krijgen om hun stoofpotten weer te vullen.

Wat mij interesseerde, was de manier waarop Mozes en Aäron hun antwoord formuleren. Aanvankelijk (vers 6): “En Mozes en Aäron zeiden tegen alle Israëlieten: ‘Kom vanavond, dan zult u weten dat het HaShem was die u uit Egypte heeft geleid…'” In eerste instantie antwoordden ze samen.

Maar dan schakelt het over naar Mozes die alleen spreekt (vers 8): “Want het is de Eeuwige die zal geven… omdat de Eeuwige naar jullie geklaag heeft geluisterd. Wat is ons [Mozes en Aärons] aandeel? Wij zijn niet het onderwerp van jullie geklaag, maar de Eeuwige wel!”

En dan heeft hij een tweede boodschap, specifiek overgebracht via Aäron: “Mozes zei tegen Aäron: ‘Zeg tegen de hele Israëlitische gemeenschap dat zij voor Mij moeten verschijnen, want Ik heb naar jullie geklaag geluisterd.'” (vers 9)

Elke leider heeft de taak om een ​​andere boodschap over te brengen. Mozes geeft de berisping, Aäron biedt medeleven. Mozes’ taak is om hen tot verandering aan te zetten, Aärons taak is emotionele steun.

Maar het viel mij op dat ze misschien elk op een ander niveau van de boodschap reageren.

Aäron hield zich bezig met de behoeften van de gemeenschap. Het was terecht om zich zorgen te maken over de voedselvoorziening. En zijn boodschap ging alleen over dat aspect, alsof de meer wantrouwende en ondankbare ondertoon er niet was.

Maar als geestelijke leraar moest Mozes ervoor zorgen dat de gemeenschap op het juiste pad bleef. Hij kon de beschuldigende toon niet negeren! “Want de HEER heeft ons naar deze woestijn geleid om de hele gemeenschap door honger te laten omkomen!”

Met dat in gedachten is de volgorde interessant: eerst de berisping, dan “God heeft naar jullie geluisterd.” Want hoe kun je anders een berisping geven die ook daadwerkelijk wordt ontvangen? De afscheidsboodschap moest verzoenend en optimistisch zijn.

De manier waarop de Joden reageerden op het voedseltekort is typerend voor mensen in het algemeen. We zijn ons vaak niet bewust van al onze motieven. We kunnen een gegronde klacht of mening hebben, we kunnen het juiste doen, maar toch vanuit de verkeerde intentie handelen. Als we protesteren tegen onrecht, doen we dat dan puur uit gerechtvaardigde verontwaardiging, of speelt de wil om te winnen ook een rol? Is het winnen van mijn politieke kamp, ​​mijn ‘team’, een deel van mijn motivatie?

Rav Nosson Zvi Finkel, de Alter van Slabodka, kreeg ooit een ernstige ziekte en moest worden opgenomen in een groot ziekenhuis. Hij kreeg informatie over de verschillende opties en werd gevraagd naar welk ziekenhuis hij zou gaan. De Alter koos voor het ziekenhuis in Sint-Petersburg. Bij zijn terugkeer vroeg iemand uit de gemeenschap, die had opgemerkt dat hij er niet was geweest, waar hij was geweest. De Alter antwoordde dat hij in Sint-Petersburg was geweest. De man vroeg waarom. Hij antwoordde: “Ik ben een paraplu met een drukknop gaan bekijken.”

Zijn studenten vroegen de Alter waarom hij dat zei. De beslissing om naar Sint-Petersburg te gaan, was immers genomen nadat hij alle opties had overwogen en zorgvuldig had afgewogen welk ziekenhuis het beste bij zijn ziekte paste. Waarom zei hij dat het om een ​​paraplu ging?

De Alter legde uit dat hij kort daarvoor in de regio was geweest voor zaken van een jeshiva en in Sint-Petersburg was aangekomen. Hij was verbaasd over een nieuwe uitvinding die hij daar zag: een paraplu die openklapt met een duw. Liggend in zijn ziekenhuisbed realiseerde de Alter zich dat deze ervaring zijn beslissing had beïnvloed. Een van de factoren die meespeelde, was de associatie van de stad met de nieuwste uitvinding en zijn verlangen om die te zien.

Helemaal aan het begin, zoals aan het begin van alles, schiep God het licht. Maar pas in Genesis 1:4 scheidde God het licht van de duisternis. Onze wijzen zeggen dat tot die tijd “licht en duisternis in een be’irbuvia (mengsel) werden gebruikt” (Genesis 3:6, geciteerd door Rashi).

We hebben een traditie (Talmoed Sanhedrin 38b) dat Adam en Eva aten van de vrucht van de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad, in de schemering, aan het begin van de eerste Sjabbat. In de avond, wat in het Hebreeuws “erev” heet, afgeleid van dezelfde stam als het Midrasjwoord voor mengsel, “irbuvia“. De avond, wanneer licht en donker, dag en nacht, in vermenging zijn.

De Alter van Slabodka wijst erop: de boom waarvan ze aten heet niet “De Boom van de Kennis van het Kwaad” of “De Boom van de Kennis van Goed en Kwaad”. Integendeel, de vrucht veranderde de mensheid zodanig dat onze gedachten nu een mengeling van goed en kwaad zijn, vandaar “De Boom van de Kennis van Goed en Kwaad”.

Irbuvia. Een constante mengeling van emoties en motivaties. Geen enkele goede daad is vrij van “negi’ot“, enige egoïstische bijbedoeling of vooringenomenheid, hoe klein ook. Daarom eisen veel synagogen dat er publiekelijk oproepen tot donaties worden gedaan om voldoende geld in te zamelen voor de bedrijfsvoering. We kunnen er niet van uitgaan dat vrijgevigheid alleen voldoende is, en daarom erkennen we de eer en de wedijver om die eer die mensen ook motiveert om te geven.

Het is zeker oké om je zorgen te maken over het voeden van je gezin. Maar niet om het vertrouwen zo te verliezen dat je HaShem de schuld geeft terwijl je omringd bent door wonderen.

De vraag voor ons is hoe we het heilige en het ideale kunnen onderscheiden van onze motieven, in plaats van ons te laten leiden door een mengeling van goed en kwaad.

En daarom is het bijhouden van een cheshbon hanefesh (rekening van de ziel), middah-dagboek, zo cruciaal. Wanneer we het juiste doen, willen we onze minder ideale motieven niet onder ogen zien. Het is cruciaal om elke dag even stil te staan ​​bij de beslissingen van die dag – zelfs de beslissingen waarvan we denken dat ze juist waren – en te proberen te achterhalen waarom we ze hebben genomen.

En om een ​​thema uit Alan Morinis’ nieuwe boek, The Shabbat Effect, erbij te halen, wijst dit ons de weg naar een productief gebruik van onze vrije dag. Een dag om even te pauzeren van het streven en stil te staan ​​bij waar we naar streven. Shabbat wordt immers “Me’ein Olam haBäah” genoemd – een glimp van de wereld die komen zal. Een wereld waarin ons innerlijke licht en duisternis gescheiden zijn, waarin we genezen zijn van de smet van de vruchten.

Download deze parasha

Het oorspronkelijke commentaar in het Engels

Parasha Bo

Parasha Bo: WEES GEEN FARAO

Shemot 10:1-13:16
door Alan Morinis

Het verhaal van de plagen – en de gebeurtenissen – gaat verder. Het grootste drama speelt zich niet af in Egypte, noch in het paleis van de Farao, maar in het hart van de Farao zelf.

Plaag na plaag draait de actie om wat er zich afspeelt in het innerlijke leven van de Farao, en elke plaag eindigt ermee dat de Farao weigert het volk te laten gaan – niet om politieke of economische redenen, maar omdat zijn hart opnieuw zijn weerstand heeft hervonden.

De standaardvertaling zegt dat de Farao een ‘hard’ hart had, maar de tekst zegt eigenlijk iets anders. Dat is belangrijk, want als we de Farao alleen maar als hardvochtig beschouwen, wat zouden wij, mensen met een zacht hart, dan van hem kunnen leren?

Een onderzoek naar de taal die de Torah gebruikt, zal die vraag beantwoorden.

God zegt tegen Mozes:

“En Ik zal het hart van de Farao aksheh verharden…” (7:3).

וַאֲנִ֥י אַקְשֶׁ֖ה אֶת־לֵ֣ב פַּרְעֹ֑ה…

Het werkwoord aksheh betekent inderdaad “hard”, maar niet per se in de zin van “hardvochtig”. Wanneer iets kashe is, betekent het “moeilijk”. God wil het hart van de Farao moeilijk, of problematisch, maken, en dat is precies wat er gebeurt.

Hoe het hart van de Farao problematisch wordt, blijkt uit de werkwoorden die volgen. Bij het lezen kon ik het woord kashe niet zien terugkomen. In plaats daarvan zien we twee andere werkwoorden die de hartproblemen van de Farao beschrijven:

chazak, wat “sterk” betekent.

kaved, letterlijk “zwaar”.

Dit geldt ook voor de vorige parasha, en ook voor onze parasha. God zegt tegen Mozes (10:1): “Omdat Ik het hart van de Farao heb gebroken.” Het werkwoord is gebaseerd op de stam kaved, wat “zwaar” betekent.

De sprinkhanenplaag eindigt met de mededeling dat het hart van de Farao vyichazek – versterkt – is (10:20). De Torah wisselt vervolgens vormen van chazak en kaved af om het hart van de Farao te beschrijven.

Chazak betekent ‘sterk’, niet ‘hard’. En kaved betekent niet alleen ‘zwaar’, zoals gezegd, maar in de vorm van kavod vertaalt het zich als ‘eer’ of ‘respect’. Het vijfde van de Tien Geboden is ‘eer je vader en je moeder’ – kibbud av veim. Het komt ook op veel andere plaatsen voor, zoals de veelgebruikte manier om iemand te complimenteren na een goede prestatie, wanneer we zeggen kol hakavod – het Hebreeuwse equivalent van ‘goed gedaan’.

Wat de Mussar-leraren in kavod zien, is ambivalent. Het is bewonderenswaardig om respect te verdienen en respect te geven, maar eer voor zichzelf zoeken staat bovenaan de lijst van spirituele belemmeringen. Rabbi Elazar HaKappar zegt dat het nastreven van eer een van de drie dingen is die de vreselijke consequentie met zich meebrengt dat iemand uit deze wereld wordt verdreven. Later in Pirkei Avot worden we gewaarschuwd: “Streef niet naar grootheid voor jezelf en begeer geen eer.” Nog nadrukkelijker is Rabbi Moshe Chaim Luzzatto, die in de 18e eeuw adviseert om eer te vermijden.

Tegelijkertijd is ons gedrag jegens anderen juist het tegenovergestelde. De Torah is zeer duidelijk in het stellen dat mensen b’tzelem Elo-him [naar Gods beeld] zijn geschapen en dit is de kernreden waarom we worden opgeroepen om anderen met respect te eren, ongeacht hun sociale status. Er zijn lange discussies in de Talmoed over de mate waarin iemand bereid is te gaan – zelfs tot zelfvernedering – om anderen te eren. Wanneer we mensen eren, eren we het goddelijke door het beeld waarnaar de mens is geschapen.

Deze paar bronnen zijn representatief voor de vele woorden die door de eeuwen heen over dit onderwerp zijn geschreven. De conclusie is dat kavod positief is wanneer het een bewustzijn van en erkenning van de Goddelijke Aanwezigheid in de wereld weerspiegelt, inclusief in de mens, en negatief wanneer we ernaar streven onszelf als individu te verheerlijken, wat ertoe leidt dat God een centrale plaats in ons leven verliest en wat dus kan worden vergeleken met afgoderij.

Met dit inzicht kan de Hebreeuwse tekst “Ik zal het hart van Farao hichbaditi” worden opgevat als: “Ik heb kavod  in het hart van Farao ingeplant.”

…wat betekent…

“Ik heb zelfverheerlijking in het hart van Farao ingeplant.”

Soms zegt de Torah dat God deze zelfverheerlijking teweegbracht. Soms plantte Farao zelfverheerlijking in zijn eigen hart. En soms lezen we dat het hart van Farao simpelweg zelfverheerlijkend was.

Dit inzicht wordt versterkt door het andere werkwoord dat de Torah herhaaldelijk gebruikt om de toestand van Farao’s hart te beschrijven: chazak, wat letterlijk “sterk” betekent.

De zelfverheerlijking van de Farao vond zijn oorsprong in diezelfde ervaring die we allemaal hebben wanneer we ons sterk voelen en wij de gebeurtenissen in ons leven toeschrijven aan de kracht van onze hand (en waarvoor we worden gewaarschuwd in Deuteronomium 8:17). Maar wanneer we onze zwakheid ervaren, zien we met meer duidelijkheid hoe broos en kwetsbaar wij in werkelijkheid zijn.

Deze interpretatie sluit inderdaad aan bij wat we weten over de rol van de Farao, die in Egypte werd verheerlijkt als een levende god-koning. De strijd met God die zich afspeelt tijdens de plagen is het conflict tussen een zelfverheerlijkend mens en de ware goddelijke bron. Wat we leren door de episode van de plagen is niet alleen dat God zich tegen de Farao verzette in een historische strijd om nationale vrijheid, maar ook dat God zich verzette – en zich blijft verzetten – tegen zelfverheerlijking, die de Farao belichaamde.

En om er zeker van te zijn dat we het punt begrijpen, komen beide woorden in de parasha voor in hun letterlijke betekenis van ‘zwaar’ en ‘sterk’. In vers 10:14 wordt de sprinkhanenplaag omschreven als ‘heel erg’ en in vers 10:19 wordt de wind omschreven als ‘zeer sterk’. Door deze termen ook in andere contexten te gebruiken, leidt de Torah ons ertoe ze op een vergelijkbare manier te interpreteren met betrekking tot het hart van de Farao.

De Torah vertelt ons zonder enige twijfel dat het doel van ons leven is om heilig te worden – kedoshim tihiyu, staat er: Je zult heilig zijn – en ik heb lang geprobeerd deze ongrijpbare en etherische kwaliteit te begrijpen.

Op een dag, tijdens een gesprek met Rabbi Yochanan Zweig, een rosh yeshiva in Miami, kwam het onderwerp heiligheid ter sprake. Hij vatte zijn eigen gedachte hierover als volgt samen: “Kedusha,” zei hij, “is de afwezigheid van eigenbelang.”

“Heiligheid is de afwezigheid van eigenbelang.”

Terugkerend naar onze parasha, zien we dat het verhaal van de plagen het oeroude conflict tussen heiligheid (vertegenwoordigd door God) en menselijk eigenbelang – zoals belichaamd door Farao – uitbeeldt.

Ditzelfde conflict speelt zich in ieder van ons af, waar we de wijze ziel vinden die zo sterk benadrukt dat we ons leven moeten wijden aan het nastreven van heiligheid, maar ook de stem van de mini-farao die constant herhaalt: “Ik! Het draait allemaal om mij.” Parasha Bo lijkt een waarschuwing te geven: “Wees geen Farao,” zegt het. Wijd je leven niet aan zelfzucht en eigenbelang. Zoek in plaats daarvan het heilige.

Download deze parasha

Parasha Va-era

Torah vanuit een Mussar-perspectief

Parasha Va-era – Exodus 6:2-9:35

Rabbi Eric S. Gurvis

In de openingsverzen van onze parasha deze week instrueert God Mozes om naar de Israëlieten te gaan en te verklaren:

Zeg tegen het volk van Israël: Ik ben de Eeuwige. Ik zal u bevrijden van de werkzaamheden bij de Egyptenaren en u verlossen van hun slavernij. Ik zal u verlossen met een uitgestrekte arm en door buitengewone kastijdingen. En Ik zal u tot Mijn volk nemen, en Ik zal uw God zijn. En u zult weten dat Ik, de EEUWIGE, uw God ben die u bevrijdde van de arbeid van de Egyptenaren. Ik zal u brengen tot in het land dat Ik gezworen heb aan Abraham, Isaak en Jakob te geven, en Ik zal het u geven als een bezit, Ik ben de Eeuwige.” (Exodus 6:6-8)

We kennen deze verzen heel goed, omdat ze een belangrijk onderdeel vormen van het ritueel tijdens onze Seder Shel Pesach – die in april plaatsvindt. Deze verzen bevatten de beloften die onze wijzen koppelen aan de bekers wijn die we zegenen en drinken als onderdeel van het ritueel. Toen ik dit jaar echter onze parasha opnieuw bestudeerde, richtte mijn focus zich op het volgende vers:

וַיְדַבֵּ֥ר מֹשֶׁ֛ה כֵּ֖ן אֶל־בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְלֹ֤א שָֽׁמְעוּ֙ אֶל־מֹשֶׁ֔ה מִקֹּ֣צֶר ר֔וּחַ וּמֵעֲבֹדָ֖ה קָשָֽׁה׃

Maar toen Mozes dit aan de Israëlieten vertelde, wilden ze niet naar Mozes luisteren, hun geesten waren verpletterd door wrede slavernij. (vers 9)

Gezien de complexe reeks gebeurtenissen in de huidige tijd, voelde ik me aangetrokken tot de laatste zin van het vers: vlo sham-u el-Moshe mi-kotzer ruach u-mey-avodah kashah – “ze wilden niet naar Mozes luisteren, hun geesten waren verpletterd door wrede slavernij.” In zijn goed aangeschreven vertaling vertaalt Dr. Everett Fox dit als “ze luisterden niet naar Mozes, uit kortzichtigheid van geest en vanwege de harde slavernij.”

Heel vaak vind ik de vertaling van Dr. Fox meer getrouw aan de betekenis van de Hebreeuwse woorden. Toch word ik, zelfs als ik zijn vertaling lees, aangetrokken om het Hebreeuws iets anders te lezen – en wel door een Mussar-lens.

De uitdrukking kotzer ruach wordt over het algemeen begrepen als “ongeduld.” Toch is kotzer verwant aan het woord katzar, zoals in “kort.” En ruach heeft, zoals we weten, verschillende betekenissen – “wind,” “briesje,” “ziel,” en “geest.”

Ik durf te zeggen dat we allemaal wel wat versterking van ruach kunnen gebruiken.

De realiteit van kotzer ruach, die ik zie als een tekort of gebrek aan ruach/spirit, of als iets minder dan een complete ziel, is een uitdaging.

In een sectie van Ohr HaTzafun getiteld Amalut BaTorah – “Streven in Torah,” geeft Rabbi Nosson Tzvi Finkel, de Alter van Slabodka, commentaar op de uitdaging waarmee de Israëlieten werden geconfronteerd als gevolg van hun slavernij in Egypte. Hij leert:

We zien dat toen de kinderen van Israël een bepaald niveau van Emunah/geloof bereikten (in de parasha van vorige week), wat er over hen geschreven staat, וַֽיַּאֲמֵ֖ן הָעָ֑ם – Va-ya-ameyn Ha-Am — “En het volk geloofde.” (Exodus 4:31) Op dit punt verdienden ze geulah/verlossing. Toch weten we dat deze Emunah/geloof klushah/zwak was.

Vandaar dat we deze week lezen dat “Zij naar Mozes luisterden met kotzer ruach/ongeduld en avodah kasha/hard werken.” (Exodus 6:9)

Pas later, toen ze de Rietzee bereikten, getuigt de Torah over hen, dat zij tot volledig geloof kwamen, zoals geschreven staat: “En zij geloofden in God en in Mozes, Gods dienaar.” (Exodus 10:10)

In Shiurei Chumash Shemot voegt Rabbi Shlomo Wolbe toe dat “Het niet zo is dat de Israëlieten een gebrek aan emunah hadden, want we hebben al gezien (zoals opgemerkt door de Alter van Slabodka) dat hun emunah wordt erkend in Exodus 4:31.” We zouden onszelf dezelfde vraag kunnen stellen als we in onze eigen tijd met uitdagingen worden geconfronteerd. Is het dan zo dat we een tekort hebben aan emunah? Of is het zo dat de uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd kotzer ruach oproepen, wat een belemmering kan zijn voor emunah?

In Beyt Kelm verwijst Rabbi Simcha Zissel Ziv, de Alter van Kelm, naar een opmerking van Ramban over ons vers waarin ons wordt geleerd:

Het was niet omdat ze niet in God en in Gods profeet geloofden dat ze niet luisterden. Vooral schonken ze geen aandacht aan zijn woorden vanwege kotzer ruach/ongeduld van geest, zoals een persoon wiens ziel bedroefd is vanwege zijn ellende geen moment meer wil lijden in dit leven, ook al weet hij dat hij later verlost zal worden. Het “ongeduld van geest” was hun angst dat Farao hen ter dood zou brengen, zoals hun officieren tegen Mozes zeiden, en de “wrede slavernij” vormde de druk, want de opzichters zetten hen onder druk, en zij haastten zich in hun dagelijkse taak, waardoor ze geen kans kregen om iets te horen of over iets na te denken.

Rav Simcha Zissel bouwt hierop voort door te stellen dat “Farao’s advies dat zijn opzichters de last op de Israëlische slaven moesten verzwaren, succesvol was in het breken van hun geesten. Daarom staat er geschreven: ‘zij luisterden niet naar Moshe, vanwege gebrek aan geest en vanwege harde dienstbaarheid.’” Hij suggereert verder dat de toegenomen last mogelijk niets te maken had met hun emunah. In plaats daarvan waren ze, zwichtend onder hun zware arbeid, teveel onderdrukt om de oproep van Mozes tot hen te horen.

We weten uit onze eigen levenservaringen dat, wanneer we de “zwaarte van de wereld” voelen, we niet in staat zijn om helder te zien, te horen en te denken. Voor sommigen zullen de uitdagingen zich uitstrekken tot hun gevoel van emunah/geloof en zelfs bitachon/vertrouwen. Wanneer we overbelast zijn, kunnen we onszelf ook in een staat van kotzer ruach bevinden – verminderde geest. Dit is een vrij algemeen verschijnsel in een wereld die zo uitdagend is als de onze. Voor mij is dat een deel van de reden waarom ik op het Mussar-pad blijf – waarom ik regelmatig studeer in chevruta, deelneem aan Va’adim en onze TMI-gemeenschap en haar diverse mogelijkheden koester. Wanneer mijn ruach afneemt, word ik eraan herinnerd dat ik niet alleen ben. Er zijn metgezellen die mij zullen opbeuren als ik in de problemen zit. Tegelijkertijd heb ik de achrayut/verantwoordelijkheid om anderen te helpen die mogelijk lijden aan kotzer ruach. Dit alles staat centraal in nose-a b’ol im chaveyro – het dragen van de last met je medemens, een middah die zo belangrijk werd geacht door de Alter van Kelm, dat hij het helemaal aan het begin plaatste van zijn leringen in Chochmah U-Mussar.

Hoe je het ook begrijpt, Kotzer Ruach is een uitdaging toen en in onze tijd, net als het dat was voor onze voorouders in het oude Egypte. Mozes kwam om hen, met Gods leiding, te leiden uit hun benarde positie. Moge het delen van het Mussar-pad ons helpen om onze geesten op te beuren, zelfs terwijl we er aan werken om anderen op te beuren met wie we het voorrecht hebben om dit pad te delen!

VOOR FOCUS:

  • In welke aspecten van je neshamah voel je kotzer ruach?
  • Op welke middot zou je je kunnen richten om je ruach/geest te versterken?
  • Wie zijn de partners op je Mussar-reis tot wie je je kunt wenden voor ondersteuning bij het versterken van je ruach? Aan wie moet jij op dit moment steun en kracht verlenen?

Download deze parasha

Parasha Shemot

Torah vanuit een Mussar perspectief

Parasha Shemot – Exodus 1:1 – 6:1

Rabbi Eric S. Gurvis

Toen ik vorige week het boek Shemot opende en nadacht over wat ik deze week vanuit een Mussar-perspectief zou kunnen delen, las ik in Exodus 2:23-25:

Lange tijd daarna stierf de koning van Egypte. De Israëlieten kreunden onder de slavernij en jammerden; en hun roep om hulp vanuit de slavernij steeg op naar God. God hoorde hun geklaag, en God dacht aan het verbond met Abraham, Isaak en Jakob. God keek naar de Israëlieten en God richtte Zijn focus op hen.

Commentaar leverend op de woorden, Va-yeda Elohim – “En God wist,” zegt Rashi: “God richtte het Goddelijke hart op hen en wendde de Goddelijke ogen niet af van hen.” Wat onze persoonlijke theologische overtuigingen ook mogen zijn, we willen geloven dat God zich bewust is van het lijden van zovelen op dit moment. Zonder twijfel is dit een tijd waarin bitachon/vertrouwen – vanuit een traditioneel Mussar-perspectief, vertrouwen in God, op de proef wordt gesteld. Tegelijkertijd leren onze Baalei Mussar, evenals onze bredere Joodse traditie, ons dat God bij ons aanwezig is, zelfs als we ons in moeilijke situaties bevinden.

Iets later dan Rashi, geeft Nachmanides commentaar op dezelfde verzen, benadrukt de kracht van vers 24 hierboven, en stelt: “De Schrift geeft een uitgebreid verslag van de vele redenen voor hun verlossing uit de slavernij in Egypte: En God hoorde hun gekerm, en God herinnerde zich het verbond met Abraham, met Isaak en met Jakob; En God zag de kinderen van Israël, en God wist; Want Ik ken hun pijnen. . .

De meesten van ons zouden graag willen weten dat God hun kreten hoort en de problemen ziet waarmee ze worden geconfronteerd. Voor degenen die zich midden in deze afschuwelijke tragedies bevinden, moeten bitachon / vertrouwen en emunah / geloof een uitdaging zijn!

In Shiurei Chumash Shemot biedt Rabbi Shlomo Wolbe dit perspectief op onze verzen, ons lerende,

Deze parasha is er een van Geulah/verlossing. We kunnen hier twee aspecten van de Schepper zien: Hester panim/de verborgenheid van Gods Goddelijke Aangezicht, en Haarat Panim/het tonen van Gods Goddelijke Aangezicht.

Hester Panim/de verborgenheid van Gods Aangezicht kan voelen alsof God het niet weet en niet hoort. Is dit niet wat er wordt gezegd in Deuteronomium 31:17: “Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen . . . en daarom zullen hen veel kwaad en problemen overkomen.” Wanneer we hester panim/de verhulling van het Goddelijke Aanschijn ervaren, kan het heel erg voelen alsof er een bereidheid is om vernietiging toe te staan, en het kan voelen alsof de Schepper van het Universum het niet weet . . .

Aan de andere kant Haarat Panim/de onthulling van Gods Goddelijke Aanschijn toont aan dat God hoort, ziet en weet . . . Wanneer we dit aspect van Gods leiderschap zien of voelen, moet het Geulah/Verlossing zijn.

Ik twijfel er niet aan dat degenen die problemen hebben, Hoe die er ook mogen uitzien, zeker willen merken dat de Schepper van het Universum hoort, ziet en weet wat er gebeurt. Sommigen willen zeker geloven dat de Schepper zal handelen. Een groot Bitachon / Vertrouwen en Emunah / Geloof kunnen degenen die zich in nood bevinden, ondersteunen.

In het aangezicht van dat soort momenten, merk ik dat mijn focus, zelfs terwijl ik worstel met Bitachon en Emunah, een andere kant op gaat. In plaats van alleen naar de hemel te kijken, of misschien alleen naar de hemel te staren voor antwoorden, vind ik troost en hoop in de acties van de velen die zich haasten om anderen te helpen. Ik kan niet anders dan de acties bewonderen van de hulpverleners en van degenen die dag en nacht werken om mensen te redden. Ik kan niet anders dan hoop putten uit degenen die onderdak en voedsel bieden aan hen die veel zijn kwijtgeraakt. Zoals het geval was tijdens de verschrikkingen van 9-11, of meer recent op andere momenten van natuurrampen, zoals orkanen, tornado’s, tsunami’s en aardbevingen – evenals de al te vaak voorkomende bosbranden van de afgelopen jaren, kijk ik naar degenen die Tzelem Elohim / het beeld van God dragen, die koortsachtig werken om anderen te helpen en te redden die dat beeld ook dragen in deze tijd van pijn, angst, onzekerheid en verlies.

Een passage bestuderend uit een ander werk van Rabbi Wolbe, Pirkei Kinyan Da’at tijdens onze wekelijkse chevruta-studie, kwamen mijn studiepartner en ik een korte passage van Rav Wolbe tegen die me rechtop deed zitten en me wakker schudde. Hij schrijft in dit dunne boekje met leringen: “Onze Heilige Torah leert ons om de hele schepping te bezien. We moeten nooit alleen maar naar de helft van iets kijken.” Rabbi Wolbe leert ons over de noodzaak om er naar te streven een brug te slaan tussen Hemel en Aarde. Voor hem is het verbindingspunt wanneer we de verwerving van Da’at/Kennis nastreven. Rav Wolbe spreekt over hoe we onze wereld bekijken en erin leven door de verbinding te maken tussen het fysieke en het spirituele, waardoor we een brug kunnen slaan tussen Hemel en Aarde. Op rustiger momenten, wanneer het leven kalm is en we niet, zoals zovelen in de huidige tijd, geconfronteerd worden met bedreigende omstandigheden, kunnen we dit concept benaderen vanuit een spirituele dimensie terwijl we proberen de beste versie van onszelf te worden door onze studie en beoefening van Mussar. Echter, in een Sha’at Dachuf – een moment van crisis en druk, kunnen we niet alleen maar zitten en studeren, reflecteren en werken aan het spirituele. We moeten handelen, wat Rav Wolbe ons aanspoort te doen als hij spreekt over het belang van ma’aseh / daden, acties, die Hemel en Aarde dichterbij brengen, en zo de wereld bouwen die onze Schepper ons leert hier te creëren.

Op een heel reële manier zie ik dit in de acties van degenen die zich haasten om degenen die in gevaar zijn te helpen. En ik zie het in de gelegenheden die wij, misschien op afstand, hebben om middelen te delen, evenals woorden van nichum / troost en gevurah / kracht aan degenen wiens levens op zijn kop zijn gezet.

Mijn leraar, Rabbi Irving “Yitz” Greenberg, leert met nadruk over het belang van het concept van onze traditie van Tzelem Elohim. In zijn meest recente boek, The Triumph of Life, schrijft hij:

“De Joodse religie betreedt de bestaande wereld met een lering en een missie. De lering gaat over de onzichtbare, in stand houdende, liefhebbende God die zich inzet om deze wereld te perfectioneren tot het punt waarop het leven overal heerst en in al zijn volheid in stand wordt gehouden. De missie is dat de mensheid zich aansluit bij de Schepper, die ons heeft uitgekozen, als partners om dit te laten gebeuren…

Het doel van dit partnerschap is niets minder dan het behalen van de overwinning van het leven op alle tegengestelde krachten die het vernietigen, degraderen of ondermijnen. Gezamenlijk wordt de hele mensheid opgeroepen om te werken aan het verminderen van de krachten van de tegenstrevers en om levens-ondersteunende hulpbronnen te ontwikkelen door te repareren wat op de verkeerde manier functioneert.

Gezamenlijk worden alle mensen geïnstrueerd om hun gemeenschappen opnieuw te creëren, zodat deze collectieven het leven in stand houden terwijl ze de waardigheid van alle wezens volledig eren en de kwaliteit van het leven voor iedereen verdiepen.”

Moge het antisemitisme in de nabije toekomst worden gestopt. Mogen we allemaal in onszelf te rade gaan om te onderscheiden hoe we in partnerschap met de Heilige Schepper en met anderen kunnen handelen om genezing, troost, hoop en heelheid te brengen aan de mensen en de wereld om ons heen.

Download deze parasha

Vayechi

Torah vanuit een Mussar Perspectief

Parsha Vayechi – Genesis 47:28-50:26

Rabbi Eric S. Gurvis

In Genesis 47:29 lezen we hoe Jacob, vlak voor zijn dood, Josef bij zich roept:

וַיִּקְרְב֣וּ יְמֵֽי־יִשְׂרָאֵל֮ לָמוּת֒ וַיִּקְרָ֣א לִבְנ֣וֹ לְיוֹסֵ֗ף וַיֹּ֤אמֶר לוֹ֙ אִם־נָ֨א מָצָ֤אתִי חֵן֙ בְּעֵינֶ֔יךָ

שִֽׂים־נָ֥א יָדְךָ֖ תַּ֣חַת יְרֵכִ֑י וְעָשִׂ֤יתָ עִמָּדִי֙ חֶ֣סֶד וֶאֱמֶ֔ת אַל־נָ֥א תִקְבְּרֵ֖נִי בְּמִצְרָֽיִם׃

Toen Israëls tijd om te sterven naderbij kwam, ontbood hij zijn zoon Josef en zei: “Als ik enige genegenheid bij je mag aantreffen, leg dan je hand onder mijn heup en bewijs mij een ware liefdesdienst: begraaf me toch niet in Egypte.”

Rabbi Adin Steinsaltz geeft dit perspectief:

De tijd dat Israël zou sterven naderde, hij voelde dat zijn einde nabij was. En hij riep zijn zoon Josef, zowel omdat hij zijn favoriete zoon was, alsmede omdat hij de heerser van Egypte was, en hij zei tegen hem: Alsjeblieft, als ik in je ogen genade heb gevonden, leg dan je hand onder mijn heup en zweer mij (zie Genesis 24:2) dat je mij goed en betrouwbaar zult behandelen; begraaf me niet in Egypte. Jakob voelde de behoefte Josef een eed te laten afleggen, omdat dit geen eenvoudige vraag was.

We weten dat de traditie alle daden voor iemand die is gestorven beschouwt als een daad van ‘chesed shel emet‘ – een daad van ware liefdevolle vriendelijkheid. Wat voor chesed we in deze context ook verrichten, kan niet worden teruggedaan door de overledene. In zijn hoofdstuk over chesed in het ‘Sefer Ma’alot HaMiddot‘, citeert de 13e-eeuwse geleerde Rabbi Yechiel ben Yekutiel ons vers als basis voor het inzicht dat chesed meer impact kan hebben dan tzedakah:

Er wordt geleerd dat in drie gevallen daden van chesed meer waardevol zijn dan daden van tzedakah.

Tzedakah betreft iemands geld, terwijl gemilut chasadim zowel geld als fysieke daden kan omvatten. … Over iemand die gestorven is een lofrede houden, hen begeleiden naar hun begrafenis en zorgen voor hun begrafenis is een volledig geven van chesed, zoals onze vader Jakob, vrede zij met hem, tegen zijn zoon Josef zei (in Genesis 47:29): ‘Doe me dit plezier, leg je hand onder mijn heup als teken van je rotsvaste loyaliteit: begraaf mij niet in Egypte.’

Onze leraren vragen, welke vorm van chesed is werkelijk echt emet/waar? Dat wat men doet voor de doden omdat men geen beloning verwacht, behalve van de Heilige.

Terwijl we deze laatste parasha van Sefer Bereishit lezen, vraagt Israël’s verzoek aan Josef ons om ons te concentreren op de middah van chesed, en een aantal Ba’alei Mussar / Mussar-geleerden doen dat, commentaar leverend op onze tekst. Een van die figuren is Rav Shlomo Wolbe. Hij begint door naar Rashi te verwijzen, die, net als Rabbi Yechiel, nadenkt over de onzelfzuchtigheid die is betrokken bij een chesed-daad die gedaan wordt ten behoeve van iemand die aan het sterven is, of iemand die is overleden. Hij verdiept zich verder in de onzelfzuchtigheid van deze daden van chesed:

Chesed shel emet is niets anders dan precies dat wat men met de doden doet. Desalniettemin, elke daad van chesed die men uitvoert zonder enige mogelijkheid om iets tovah/goeds terug te krijgen en die geen schade berokkent aan degene die de handeling verricht, kan worden begrepen als chesed shel emet.

Als iemand een chesed-daad verricht en een tashloom/beloning verwacht – bijvoorbeeld als hij wil dat zijn daad in een krant wordt gepubliceerd, waarin staat dat hij dit en dat heeft gedaan; of zelfs als iemand een chesed-daad verricht om zijn beloning in de wereld hierna te verdienen – dan valt dit buiten de sfeer van chesed shel emet.

Iemand die een chesed-daad verricht zonder enige beloning te verwachten – dit is Emet!

Rav Wolbe vervolgt: “We kunnen hieruit afleiden dat Emet een veel dieper onderwerp is dan we gewend zijn te denken.” Hij suggereert dat wat we hieruit moeten leren is dat we moeten streven naar het verrichten van chesed-daden en mitzvot met tzin-ut/bescheidenheid. Als niemand weet wat we hebben gedaan, dan benaderen we de sfeer waarin we een daad met een mate van emet verrichten. Rav Wolbe leert dat “tzin-ut een van de drie fundamenten is waarop een daad berust.” Hij citeert het bekende vers uit Micha 6:8,

הִגִּ֥יד לְךָ֛ אָדָ֖ם מַה־טּ֑וֹב וּמָֽה־יְהֹוָ֞ה דּוֹרֵ֣שׁ מִמְּךָ֗

כִּ֣י אִם־עֲשׂ֤וֹת מִשְׁפָּט֙ וְאַ֣הֲבַת חֶ֔סֶד וְהַצְנֵ֥עַ לֶ֖כֶת עִם־אֱלֹהֶֽיךָ׃

“Vertel mij, O sterveling, wat goed is en wat God van je verlangt: anders dan rechtvaardigheid te betrachten, liefdadigheid te beminnen en nederig met jouw God te wandelen.”

Rav Wolbe besluit deze discussie met de stelling dat “onze daden tzin-ut/bescheidenheid vereisen. Alleen dan kunnen we het zien als daden van Chesed shel Emet.”

Op een andere plek in zijn boek ‘Ohr Hayyim” van Rabbi Chaim Moshe Reuven Elazary, een leerling van de Slabodka Yeshiva, verbreedt zich ons perspectief op hoe we kunnen denken over Israël’s verzoek aan Josef. Hij suggereert dat we het kunnen opvatten als dat Israël om een gunst vraagt. Hij baseert dit op Israël’s verzoek aan Jozef om een eed af te leggen dat hij zijn vader’s verzoek vervult om hem niet in Egypte te begraven. Rav Chaim suggereert dat Israël misschien nog onafgehandelde zaken heeft met zijn zoon, waardoor hij vermoedt dat zijn verzoek mogelijk niet zal worden vervuld. Hij suggereert zelfs dat dit misschien wat bagage is dat is overgebleven van Jakob’s eigen daden bij de begrafenis van zijn geliefde Rachel langs de weg bij Beth Lechem, in plaats van haar naar de familiegrafplaats in Hebron in de Ma’arat HaMachpela Machpela-grot te brengen. Hij suggereert dat Israël, in plaats van een tovah/gunst te vragen, een beroep zou moeten hebben gedaan op zijn eigenschap van chesed, die duidelijk al is gedemonstreerd geworden, als een verlengstuk van zijn zorg voor zijn familie in Egypte en zijn vervulling van de mitsvah van kibud av/eerbetoon aan zijn vader.

Rav Chaim leert dat het beter zou zijn om zijn vader’s verzoek uit chesed te vervullen in plaats van uit chovah (plicht). Hij citeert de commentaren van Chizkuni:

ועשית עמדי חסד ואמת “En verricht voor mij een daad van goedheid en waarheid.” Waar we ook de uitdrukking chesed v’emet vinden, verwijst dit naar het meer geven aan iemand dan hij verwacht of het aan iemand vragen iets te doen wat hij niet verplicht is te doen… Jakob herinnert Josef eraan dat het zijn plicht is zijn vader te begraven, maar hij Jakob is niet gerechtigd te eisen dat hij hem naar het graf van Machpelah brengt. Hij smeekt hem daarom hem niet in Egypte te begraven.

Rav Chaim ziet Josef’s bereidheid om verder te gaan dan wat van hem verwacht wordt, als een voorbeeld van Josef’s karakter. Ja, hij begon zijn leven dan wel met verstoorde relaties met zowel zijn vader als zijn broers. Echter, zijn gedrag gedurende de 17 jaar sinds Jakob en de familie naar Egypte trokken, en nu in zijn bereidheid om verder te gaan dan wat van hem verwacht zou mogen worden, toont ons een voorbeeld van hoe we ons kunnen blijven ontwikkelen om de beste versie van onszelf te worden. Zoals Rav Chaim leert, “De Torah presenteert deze speciale tekst om Josef’s prijzenswaardigheid te bewijzen voor de chesed die hij aan zijn vader betoonde.” Deze aangrijpende episode, en de lessen van chesed en het extra moeite doen richting chesed shel emet, ware liefdevolle vriendelijkheid, zijn het waard om mee te nemen als we nadenken over onze eigen woorden en daden.

Bij het beëindigen van Sefer Bereishit zeggen we: Chazzak, chazzak v’nitchazeyk, Sterkte, sterkte, dat we elkaar mogen versterken!

Voor focus:

  • Kan je een gelegenheid bedenken waarbij je je ‘uitgenodigd’ voelde om een ​​chesed-handeling voor iemand anders uit te voeren? Had je verwachtingen als gevolg van het uitvoeren van die chesed-handeling?
  • Kan je, afgezien van het vervullen van de mitzvot met betrekking tot de doden, een gelegenheid bedenken waarbij een chesed-handeling die je uitvoerde misschien niet zo zuiver was als Rav Wolbe suggereert?
  • Waar in jouw leven en relaties zou je op dit moment kunnen proberen om te handelen met chesed die meer neigt naar emet?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Parasha Vayigash

Torah vanuit een Mussar Perspectief 

Parasha Vayigash: Genesis 44:18-47:27 

Rabbi Eric S. Gurvis 

We zijn alweer dicht bij het einde van onze reis door Sefer Bereishit. Na de parasha van deze week hebben we nog maar één gedeelte voordat we het boek Genesis voor dit jaar afsluiten en met Sefer Shemot verder gaan. 

Een centraal punt in de parasha van deze week is de openbaring van Jozefs identiteit aan zijn broers die met Benjamin naar Egypte zijn teruggekeerd. Tot op dit moment hebben de broers geen enkele indicatie gegeven dat zij in deze Egyptische ambtenaar hun broer Jozef herkennen, de broer die zij decennia eerder als slaaf hebben verkocht. Voor mij ligt het cruciale moment in de parasha van deze week in Genesis 45:3 wanneer Jozef zijn ware identiteit aan zijn broers onthult, die verbijsterd zijn als dat gebeurt: 

וַיֹּ֨אמֶר יוֹסֵ֤ף אֶל־אֶחָיו֙ אֲנִ֣י יוֹסֵ֔ף הַע֥וֹד אָבִ֖י חָ֑י וְלֹֽא־יָכְל֤וּ אֶחָיו֙ לַעֲנ֣וֹת אֹת֔וֹ כִּ֥י נִבְהֲל֖וּ מִפָּנָֽיו׃ 

Jozef zei tegen zijn broers: “Ik ben Jozef, Vader…. leeft hij nog? Zijn broers konden hem niet antwoorden, omdat zij zo overdonderd waren door hem. 

Het kost weinig moeite om je de gecompliceerde emoties voor te stellen die op dat moment door de kamer heen gingen tijdens Jozef’s openbaring. De Torah geeft de schok van de broers weer, waarbij wordt opgemerkt dat ze niet in staat waren om Jozef te antwoorden in het licht van zijn onthulling. Het Hebreeuws  כִּ֥י נִבְהֲל֖וּ מִפָּנָֽיו/ Ki niv-halu mi-panav – is hier weergegeven als “verbijsterd.” In zijn hedendaagse vertaling vertaalt Everett Fox niv-halu als “ze waren doodsbang.” Anderen vertalen het als “geschokt” of “in paniek.” Rashi interpreteert het als een reactie die de emotionele bagage weerspiegelt die de broers sinds de dag dat ze Jozef de put in gooiden, met zich meedroegen. Hij ziet hun verbijsterde reactie als het gevolg van de schaamte die ze sinds die fatale dag met zich meedroegen, evenals de leugen die ze bij hun vader (en zichzelf) leefden. Rabbi Judah Loew, de Maharal van Praag, gaat nog wat verder en ziet de paniek van de broers als mogelijk een reflectie van de angst dat hij hen zou vergelden voor hun daden van lang geleden, vooral ook in het licht van zijn huidige positie en macht in Egypte. 

Dit wordt versterkt door Rabbi Adin Steinsaltz in zijn commentaar waarin hij opmerkt: 

Jozef wist natuurlijk de hele tijd wie deze mannen waren, die voor hem stonden, maar de broers waren overweldigd door verwarring en angst over de plotselinge openbaring. Tot nu toe beschouwden zij Jozef als volledig verloren, zelfs als ze misschien droomden dat ze hem ooit als een slaaf ergens zouden ontdekken en hem misschien zouden kunnen bevrijden. Maar nu staat hij voor hen als een vooraanstaande persoonlijkheid, hun schijnbare tegenstrijder, de heerser in wiens handen hun lot ligt. 

In Ohr HaTzafun Bereishit 39:3 biedt Rabbi Nosson Tzvi Finkel, de Alter van Novarodok, de volgende visie: 

Jozef’s openbaring aan zijn broers was geweldig nieuws voor hen. Ze hadden hem in heel Egypte gezocht, door speciale poorten binnen te gaan en zich over verschillende markten te verspreiden om hem te vinden. . .  Ze vreesden dat hij zich onder de Egyptenaren zou assimileren, of dat hij misschien volledig verloren zou zijn gegaan voor de wereld. Ook konden ze het verdriet van hun vader niet onder ogen zien. 

Nu verschijnt hij plotseling levend en wel voor hen en bekleedt hij een hoge positie in het land Egypte, slechts ondergeschikt aan de farao. Ze realiseerden zich ook dat ze hem geen kwaad hadden berokkend door hem te verkopen. Integendeel, het was de reden voor zijn opklimmen tot grootsheid, van waaruit redding kwam voor de hele wereld als gevolg van de hongersnood. Het is precies zoals Jozef in hun aanwezigheid stelde: “Wees nu niet verdrietig, noch boos in jullie eigen ogen. Jullie hebben me verkocht omdat God me voor jullie uit heeft gezonden om jullie levensredder te zijn.” 

De mix van gevoelens die door de harten, gedachten en zielen van de broers stroomden, moet overweldigend zijn geweest. Hoewel het misschien niet zo dramatisch hoeft te zijn, kan ieder van ons terugdenken aan een tijd waarin we ons geconfronteerd zagen met onze eigen complexe scala aan gevoelens. 

De Alter vervolgt: 

Desondanks, toen Jozef zich aan zijn broers bekend maakte, waren ze bang voor hem en konden ze geen woord over hun lippen krijgen. Ze voelden een overvloed aan schaamte om hoe ze zich jegens hem hadden gevoeld, hetgeen leidde tot hun besluit om hem te verkopen, hoewel Jozef het hen totaal niet voor de voeten wierp. Integendeel, hij probeerde hen te kalmeren. Toen hij zei: “God heeft mij voor jullie uitgezonden om jullie een gedeelte van het land te geven, en om jullie daar een toevluchtsoord te bieden.” Toch konden ze zich niet ontspannen, noch konden ze woorden vinden om op hem te reageren. 

De Alter suggereert dat we de reactie van de broers op deze manier zouden kunnen begrijpen: 

Ze zouden waarschijnlijk meer gerustgesteld zijn geweest als Jozef geen woorden van troost en verzoening tot hen had gesproken, maar hen in plaats daarvan wreed zou hebben behandeld en hen streng had bestraft. Ze zouden dit hebben kunnen zien als een afronding, een einde aan wat ze verwachtten als straf voor wat ze hadden gedaan. Dit wordt geïmpliceerd in Genesis 50:15 wanneer ze, na de dood van hun vader, zeggen: “Wat als Jozef nog steeds boos op ons is en ons betaald zet voor al het boosaardige dat we hem hebben aangedaan!” 

Echter, nadat Jozef hen helemaal geen verwijten maakte en bovendien hen ook nog troostte, was er geen enkele beperking aan hun verlegenheid en hun vreselijke angst voor hem. 

De Alter haalt een groter thema van Din/Oordeel aan, en past de lessen van deze episode toe op onze positie voor het oordeel door de Heilige op Yom HaDin – de Dag van het Oordeel. Maar terwijl we ons voorbereiden om Sefer Bereishit voor dit jaar af te sluiten, met al haar maar al te reële verhalen over menselijke en familiale relaties, wil ik blijven stilstaan bij ons eigen leven en onze eigen relaties terwijl we deze parasha lezen. 

Alhoewel wij deze week een pagina van de seculiere kalender omslaan, zijn deze momenten voor ons toch reflectiepunten. Ze bieden kansen, die er in onze traditie continu zijn, zoals we herinnerd worden door onze liturgie op de weekdagen met de Tussentijdse Zegeningen in de Amidah voor Teshuvah/berouw en Slichah/vergeving. De opname van deze twee belangrijke waarden in onze dagelijkse liturgie is een voortdurende herinnering dat we allemaal werk in uitvoering zijn. We hoeven niet te wachten op de Yamim Noraim/Dagen van Ontzag en Inkeer, onze persoonlijke Yom HaDin, of soortgelijke momenten, om van koers te veranderen. Inderdaad, onze studie en praktijk van Mussar is een constante herinnering aan en proces voor zulke veranderingen! 

Ieder van ons heeft zijn eigen bagage van gedachten, woorden, daden en interacties in de loop van zijn of haar leven, of misschien alleen maar over het jaar 2025. Terwijl we samen met de wereld om ons heen het begin van 2026 markeren, kunnen we misschien onze Cheshbon HaNefesh/Boekhouding van de Ziel richten op datgene waar we in onze eigen relaties willen genezen van wat gebroken is, zodat ons eigen “onafgemaakte werk” als af kan aanvoelen, zoals de Alter suggereert ten aanzien van de broers van Jozef. Zelfs als we één klein stukje gebrokenheid kunnen genezen, kunnen we 2026 vanuit een sterker perspectief beginnen en een fundament hebben waarop we in de maanden en het komende jaar kunnen bouwen en herbouwen. 

VOOR FOCUS:  

  • Met wie identificeer je je het meest, als je het verhaal van Jozef’s hereniging en verzoening met zijn broers leest,? 
  • Welke middot spreken je aan in de woorden en daden van de broers in deze beladen episode? 
  • In welke relatie(s) zou je iets willen toepassen van wat je deze week uit onze parasha leert? 

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst
Use the link to read the original text in English.

Parasha Mikketz

Ik begon vorige week met de bestudering van het weekgedeelte. Met Chanoeka in het vooruitzicht wilde ik alvast een begin maken met onze bijdrage voor deze week. Dat was natuurlijk vóór…

  • Vóór de afschuwelijke aanval op de Chanoeka-bijeenkomst in Bondi Beach in Australië.
  • En vóór de gruwelijke aanval op studenten van Brown University.

In de dagen daarna hebben we ook nieuws vernomen over andere afschuwelijke en verontrustende gebeurtenissen in onze verscheurde wereld. Terwijl ik met mijn familie Chanoeka vierde, speelde de gedachte door mijn hoofd dat ik een andere richting zou moeten kiezen voor deze woorden. De zondag ging over in de maandag en ik bekeek mijn werk van vorige week opnieuw. Tegelijkertijd ontving ik een prachtige boodschap van onze voormalige co-voorzitter, Sandy Greenstein, en realiseerde ik me dat de benadering die ik had gekozen nog steeds relevant was – vooral in combinatie met Sandy’s oprechte en hartverscheurende boodschap.

Parasha Mikketz wordt standaard gelezen tijdens Chanoeka. Het vertelt een verhaal dat we goed kennen, waarin Jozef, die we vorige week opnieuw ontmoetten, uit de gevangenis wordt gehaald vanwege zijn talent om dromen te interpreteren. Dezelfde vaardigheid die hem in een put deed belanden en aan een stam werd verkocht, heeft hem nu enige verlossing gebracht.

Toen ik de parasha vorige week opnieuw bestudeerde, viel me, misschien wel voor het eerst, een parallel op tussen de beschrijving van de twee dromen van de farao. Het gedeelte begint met de droom van de farao over magere en vette koeien. Dit deel van het verhaal bereikt zijn hoogtepunt als we lezen:

וַתֹּאכַ֣לְנָה הַפָּר֗וֹת רָע֤וֹת הַמַּרְאֶה֙ וְדַקֹּ֣ת הַבָּשָׂ֔ר אֵ֚ת שֶׁ֣בַע הַפָּר֔וֹת יְפֹ֥ת הַמַּרְאֶ֖ה וְהַבְּרִיאֹ֑ת וַיִּיקַ֖ץ פַּרְעֹֽה׃

De lelijke magere koeien aten de zeven mooie, stevige koeien op.

En Farao werd wakker.

Farao valt onmiddellijk weer in slaap en krijgt een tweede droom, over een graanstengel, zowel vet als mager. Deze droom culmineert als we lezen:

וַתִּבְלַ֙עְנָה֙ הַשִּׁבֳּלִ֣ים הַדַּקּ֔וֹת אֵ֚ת שֶׁ֣בַע הַֽשִּׁבֳּלִ֔ים הַבְּרִיא֖וֹת וְהַמְּלֵא֑וֹת

וַיִּיקַ֥ץ פַּרְעֹ֖ה וְהִנֵּ֥ה חֲלֽוֹם׃

De dunne aren slokten de zeven stevige en volle aren op.

En Farao werd wakker: het was een droom!

Op de een of andere manier trok dit mijn aandacht op een manier die nog niet eerder was gebeurd. Het onderzoeken van deze verzen door de lens van Mussar en het doorzoeken van mijn verschillende bronnen leverde bijna niets op in termen van commentaar van Ba’alei Mussar op Farao’s ervaringen waarbij hij wakker werd geschrokken door zijn dromen. Toen ik mijn werk opzij zette voor Shabbat, had ik me niet kunnen voorstellen hoe de wereld in de loop van Shabbat zou veranderen. Toch werden we allemaal na Shabbat geconfronteerd met het vreselijke nieuws uit Providence en werden we wakker met de verschrikkingen van Chanoeka op Bondi Beach op zondagochtend.

Ik was wakker – en ik was boos en geschokt. Ik zocht zowel naar nieuws als naar een manier om onze parasha te duiden in het licht van het nieuws en de realiteit waarmee we geconfronteerd worden. Natuurlijk zijn dergelijke aanvallen niet nieuw – we zien al enige tijd een toename van gewelddadige retoriek en het daaruit voortvloeiende geweld, evenals haat, met name antisemitisme en anti-Joodse sentimenten.

Wat er in onze wereld gebeurt, is helaas geen droom. En we kunnen er ook niet op reageren door te gaan slapen. Het is een nachtmerrie en vereist spirituele kracht en een daadkrachtige reactie! Hoewel de Ba’alei Mussar ervoor kozen om geen commentaar te geven op de twee bewustwordingen / ontwakeningen van Farao, besefte ik onmiddellijk dat voor ons het begrip en de praktijk van hitorerut / ontwaking cruciaal is in deze tijd!

In een les over Zerizut / daadkracht in A Season of Mussar schreef onze leraar Alan Morinis:

In traditionele Mussar-jesjiva’s worden de toespraken van de spirituele begeleider (mashgiach) soms hitorerut genoemd, wat “ontwaking” betekent. Rabbi Yisrael Yaakov Lubchansky, de mashgiach van de Baranovich-jesjiva in de jaren voorafgaand aan de vernietiging ervan tijdens de Holocaust, was een meester in de hitorerut-toespraken, die hij meestal voor ongeveer 500 mensen hield op zaterdagavond, in totale duisternis! Maar er is nog een andere betekenis of interpretatie voor het woord hisorerus (hitorerut) en dat is “inspiratie”.

Zerizut draagt ​​dezelfde betekenis van ontwaakte energie; luiheid is ongeïnspireerd en slaperig. Het hart wil geïnspireerd worden, en de eerste stap om op een positieve, spirituele manier geïnspireerd te raken, is om ons bewust te worden van de valkuilen die we waarschijnlijk op die weg zullen tegenkomen. Dat zal ons helpen ze te vermijden. Luiheid is het obstakel waar Rabbi Luzzatto ons op wijst, en zijn advies komt overeen met ervaring en gezond verstand. Niets is verder verwijderd van inspiratie dan luiheid.

We mogen niet toegeven aan wanhoop of luiheid. We moeten reageren met hitorerut – onszelf wakker schudden in de schaduw van de verschrikkingen van onze tijd. En het feest dat we vieren, zelfs in de schaduw van de duisternis – zowel fysiek als spiritueel – geeft ons een routekaart om onze alertheid te vergroten. We steken lichten aan, zelfs, of juist, als de duisternis toeneemt. En we plaatsen ze in een venster zodat ze licht verspreiden, en laten we bidden voor een ontwaken in onze hele wereld. Onze wereld heeft behoefte aan ontwaken. Onze leiders hebben behoefte aan ontwaken.

Aan het begin van deze week deelde onze voormalige voorzitter, Sandy Greenstein, deze boodschap met een paar van ons – en nu delen wij die met jullie allemaal. Moge het ook hitorerut (spiritueel ontwaken) en stof tot nadenken bieden in deze donkere en verontrustende tijd!

****

Een student van Mussar reageert – Sandy Greenstein, voormalig mede-voorzitter, The Mussar Institute

In liefde, in verdriet en in een traditie van ethisch zielswerk.

Ik schrijf niet als rabbijn, noch als iemand met antwoorden, maar als een student van Mussar die in de 21e eeuw leeft en probeert te leren hoe ik mijn hart open kan houden wanneer de wereld het breekt.

Toen ik las over de aanval tijdens een Chanoeka-bijeenkomst in Sydney, voelde ik een bekende les uit de Mussar-traditie in mij opkomen, niet als troost, maar als een uitdaging: Wend je niet af. Haast je niet om het te verklaren. Verhard je hart niet in het aangezicht van pijn.

De grote leraren van Mussar, zij die hun leven hebben gewijd aan het verfijnen van de menselijke ziel, leerden dat echt spiritueel werk begint waar het hart zich wil sluiten.

Dus zit ik met de pijn.

…Met het verdriet van families die kaarsen aanstaken en geliefden begroeven.

…Met de angst van een volk dat maar al te goed weet wat het betekent om doelwit te zijn,

simpelweg omdat we zijn wie we zijn.

…Met de pijn van het vieren van het licht, omringd door duisternis.

Mussar vraagt ​​me niet om deze pijn te overstijgen. Het vraagt ​​me om erbij aanwezig te blijven, om mijn nefesh / ziel te laten voelen wat het voelt, zonder ontkenning en zonder gevoelloos te worden. Rabbi Elya Lopian leerde dat transformatie plaatsvindt wanneer wat het verstand weet uiteindelijk het hart bereikt. Op dit moment kent mijn hart verdriet.

En toch, juist hier dringt Mussar op een stille, maar indringende manier aan op iets moeilijks en heiligs.

Geen optimisme.

Geen spirituele ontkenning van de werkelijkheid.

Maar trouwe aanwezigheid.

Chanoeka, zoals ik door Mussar heb geleerd, gaat er niet om te doen alsof de duisternis niet bestaat. Het gaat erom te weigeren de duisternis de realiteit te laten bepalen. Eén klein vlammetje verslaat de nacht niet; het getuigt er slechts van dat de nacht niet alles is wat er is.

Daarom zeggen we in deze traditie: Moge de herinnering aan de vermoorden tot zegen zijn/worden.

Niet omdat hun dood betekenisvol was. Niet omdat geweld ingewisseld kan worden. Maar omdat herinnering, in Mussar, niet passief is. Herinnering wordt pas een zegen wanneer ze de levenden verplicht, wanneer ze ons oproept ons hart te beschermen tegen haat, om mededogen te verkiezen boven wreedheid, en om met grotere morele helderheid te leven, omdat de menselijke waardigheid zo bruut is geschonden.

Als leerling van Mussar word ik geroepen om die vlam eerst in mezelf aan te steken:

• Om mijn hart te beschermen tegen haat, zelfs wanneer ik het kwaad eerlijk benoem

• Om angst te weerstaan ​​zonder het gevaar te negeren

• Om mededogen te kiezen zonder naïef te worden

Dit is geen zwakte. Dit is gedisciplineerde liefde.

De Mussar-leraren leerden dat de kracht van de ziel niet wordt gemeten aan hoe luid we reageren, maar aan hoe zorgvuldig we de innerlijke wereld koesteren die aan onze daden ten grondslag ligt. Als ik me door woede laat verteren, verlies ik juist de menselijkheid die Mussar me vraagt ​​te verfijnen. Als ik me in wanhoop afwend, verzaak ik mijn verantwoordelijkheid om een ​​drager van licht te zijn.

Dus steek ik kaarsen aan met trillende handen. Ik rouw openlijk.

Ik sta naast mijn volk.

Ik verbind me opnieuw aan chesed / liefdevolle vriendelijkheid, aan morele helderheid en aan de koppige overtuiging dat de menselijke ziel nog steeds waard is om te worden gecultiveerd.

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Vajeshev

Vorige week lazen we over Jakobs terugkeer naar huis na zijn twintigjarige verblijf bij oom Laban, nadat hij zich onderweg had verzoend met zijn tweelingbroer Esau. Onze parasha van deze week begint met Jakob die nu in het land van zijn voorouders woont en tegelijkertijd te maken krijgt met nieuwe familieomstandigheden. Net zoals het verhaal van zijn vader in parasha Toldot onmiddellijk plaatsmaakte voor het verhaal van de tweelingbroers, zo maakt Jakobs verhaal in parasha Vajeshev plaats voor de verhalen over zijn kinderen, met een speciale focus op Jozef. Al in het tweede vers van de parasha van deze week lezen we: “Israël hield het meest van Jozef van al zijn zonen, omdat hij zijn ‘kind van ouderdom’ was.” Het vers besluit met de opmerking dat Jakob ‘een versierde tuniek voor hem maakte’. Dit is de veelkleurige (of “technicolor”) droomjas waar vanalles over is gezegd door de generaties.

Die voorkeur en dat cadeau van Jakob vormen de basis voor gevoelens van jaloezie en afgunst. We lezen: “Toen zijn broers zagen dat hun vader Jozef meer liefhad dan al zijn broers, haatten ze hem zo erg dat ze geen vriendelijk woord meer met hem konden spreken.” Dit wordt nog eens versterkt wanneer Jozef de uitlegger van dromen wordt. In de volgende verzen van onze sidra lezen we:

Eens had Jozef een droom die hij aan zijn broers vertelde; en ze haatten hem nog meer. Hij zei tegen hen: “Luister naar deze droom die ik gehad heb: Wij waren schoven aan het binden op het veld, toen plotseling mijn schoof overeind ging staan ​​en bleef staan; toen verzamelden jullie schoven zich eromheen en bogen diep voor mijn schoof.” Zijn broers antwoordden: “Ben je van plan over ons te heersen? Ben je van plan over ons de baas te spelen?” En ze haatten hem nog meer vanwege zijn gepraat over zijn dromen.

Haat – een emotie zo oud als de tijd zelf. Denk aan het verhaal van Kaïn en Abel, waar we deze emoties voor het eerst tegenkomen. Vervolgens lezen we:

Hij droomde nog een droom en vertelde die aan zijn broers. Hij zei: Kijk, ik heb nog een droom gehad: nu, kijk, de zon, de maan en elf sterren bogen voor mij neer! Toen hij het aan zijn vader en zijn broers vertelde, berispte zijn vader hem en zei tegen hem: “Wat is dit voor een droom die je hebt gehad! Moeten we komen – ik, je moeder en je broers – om voor je neer te buigen tot op de grond?” Zijn broers waren jaloers op hem, terwijl zijn vader de kwestie in gedachten hield.

Zoals we zien, versterkt het navertellen van Jozefs dromen, samen met zijn interpretaties, alleen maar de gevoelens van afgunst en jaloezie van de broers.

Rabbi Nosson Tzvi Finkel, de Alter van Slabodka, becommentarieert de gevaren van het zaaien van afgunst en jaloezie:

Onze Wijzen hebben vastgesteld dat alle gebeurtenissen die ons volk in Egypte overkwamen zich ontvouwden als gevolg van Jakobs relatie met Jozef. De Schrift zegt: “En Israël hield meer van Jozef dan van al zijn zonen, want hij was een zoon van zijn ouderdom, en hij maakte hem een ​​gestreepte tuniek.” Hierdoor wekte Jakob de jaloezie van de broers op… Onze Wijzen leren hieruit: “Men mag nooit één kind onderscheiden van de andere kinderen “, want vanwege het gewicht van extra twee maten wol dat Jakob aan Jozef gaf, meer dan aan zijn andere zonen, werden de broers jaloers op hem, en de zaak ontwikkelde zich verder en onze voorouders gingen naar Egypte.” Dat wil zeggen, vanwege deze daad kwam de vreselijke straf van de Egyptische slavernij.

Een stukje verderop leert de Alter:

Hieruit begrijpen we hoe subtiel de fout was in Jakobs gedrag toen hij de gestreepte tuniek voor Jozef maakte… Jakobs bedoeling was voor het goede: Jozef een beloning geven voor zijn uitmuntendheid, zoals de Schrift opmerkt, “want Jozef was voor hem een ​​zoon van zijn ouderdom.”

Bovendien wilde hij onder de broers קנאת סופרים – kinat sofrim – afgunstige rivaliteit onder Torah-studenten opwekken. Onze Wijzen, gezegend zij hun nagedachtenis, interpreteerden deze kinat sofrim positief en stelden: “Jaloezie onder studenten vergroot de wijsheid.”

Desondanks raakten de gebeurtenissen, door deze kleine fout in Jakobs gedrag, namelijk dat hij onderscheid maakte tussen zijn zonen, zo ernstig verstrengeld dat Jozef zijn broers verdacht van dingen die niet waar waren en hen tot jaloezie en haat bracht, zoals de Schrift getuigt: “En zijn broers waren jaloers op hem.” En zoals we lezen: “Ze haatten hem en konden niet op een vreedzame manier met hem spreken.”

Dit is een behoorlijk zware last om Jozef op te leggen, en zelfs op Vader Jakob. En we weten dat het verblijf in Egypte al voorspeld was in de tijd van Jakobs grootvader, Abraham.

In een commentaar op onze parasha citeert rabbijn Mordechai Appel deze les van de Alter van Slabodka en merkt op dat onze lezing twee natuurlijke, maar potentieel gevaarlijke menselijke emoties benadrukt: jaloezie en afgunst. Hij schrijft:

Kijkend naar de dromen van Jozef, zien we twee verschillende reacties van de broers. De eerste droom toonde de schoven van de broers die zich neerbogen voor de schoof van Jozef. Toen de broers dit hoorden, haatten ze Jozef vanwege zijn droom. In de volgende droom bogen de zon, de maan en elf sterren zich neer voor Jozef. Deze keer was de reactie echter niet haat, maar eerder afgunst.

Rabbijn Appel wijst ons op het onderscheid dat de Alter maakt tussen deze emoties. Hij schrijft:

De Alter van Slabodka legt uit dat in de eerste droom de schoven gashmiyut / materialistische bezigheden vertegenwoordigen. Jozef vertelde zijn broers dat hij rijker dan hen zou zijn en superieur aan hen. Zo’n boodschap is moeilijk te accepteren, vooral wanneer het gevoel bestaat dat degene die de boodschap brengt zichzelf als belangrijker voorstelt en dit alleen doet voor zijn eigen persoonlijke zelfverheerlijking. Het eindresultaat was een gevoel van haat jegens hem.

In de tweede droom vertegenwoordigen de zon, maan en sterren de hemelse sferen. Dit was een droom over ruchaniyut / spirituele bezigheden. Jozef vertelde hen dat hij superieur aan hen zou zijn in spirituele zaken. Dit veroorzaakte afgunst, omdat de broers voor zichzelf hetzelfde wilden.

Zoals we van onze leraren bij het Mussar Instituut hebben geleerd, merkt rabbijn Appel op dat elke middah langs een continuüm kan worden gevolgd, twee extreme posities met een breed middenveld ertussenin. In de meeste gevallen zouden we moeten streven naar een standpunt en gedrag dat binnen dat brede midden valt. Toch, zoals Alan Morinis ons heeft geleerd, zijn er momenten waarop we, afhankelijk van de omstandigheden, naar het ene of het andere uiterste moeten neigen: of onszelf weer in evenwicht moeten brengen binnen dat brede midden.

Terugkerend naar het commentaar van rabbijn Appel, merkt hij op:

In onze parasha geeft de Torah ons inzicht in de middah van kin’ah / jaloezie. Laten we proberen beide kanten van deze krachtige karaktereigenschap te begrijpen. Enerzijds vinden we in Talmoed Bava Batra 21a dat “jaloezie onder talmidei chachamim wijsheid vergroot.” Dat wil zeggen jaloezie kan iets goeds zijn.

Toch vinden we ook een vers dat ons vertelt dat “jaloezie de botten doet verrotten.” Dat wil zeggen, het vreet aan de beste delen van een persoon, waardoor diegene niets overhoudt.

Kin’ah / jaloezie kan een motivator zijn, wanneer het iemand inspireert om niveaus van gadlut / grootheid te bereiken die anders onbereikbaar zouden zijn geweest. Toch waarschuwt koning Salomo ons in Spreuken om met een stok van drie meter ver van kin’ah vandaan te blijven.

We leven allemaal met jaloezie en afgunst en ervaren dit ook. Laten we eens kijken tot welke middot we ons kunnen wenden om onze gevoelens van kin’ah / jaloezie en sin’ah / haat te beheersen. We kunnen ons richten op ayin tovah / een “goed oog” hebben terwijl we de woorden en daden van anderen observeren en proberen te begrijpen. We kunnen ook, in de geest van rabbijn Moshe Chaim Luzzatto, neigen naar zehirut / waakzaamheid, opdat we niet toestaan ​​dat onze emoties ons leiden naar woorden en daden waar we later spijt van krijgen.

Moge de sjabbat ons rustige momenten bieden om na te denken over onze week, onze woorden, onze daden en onze relaties, zodat we kunnen leren van onze Bijbelse voorouders en van onze eigen zielenleer, terwijl we eraan werken een betere versie van onszelf te worden.

TER FOCUS:

  • Heb je de afgelopen week jaloezie of afgunst gevoeld? Heb jij jouw Mussar-tools kunnen gebruiken om te voorkomen dat je toegeeft aan de donkere kanten van deze twee krachtige emoties?
  • Is er een relatie waarin je schade hebt ondervonden door kin’ah / jaloezie of sin’ah / haat? Hoe kunnen ayin tovah / met een goed oog kijken, of zehirut / voorzichtigheid of waakzaamheid je helpen om weer in balans te komen?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Vayislach

Op het noordelijk halfrond gaan we de donkerste tijd van het jaar in. Tegelijkertijd komen we dichter bij ons Lichtfeest, dat volgende week zondagavond begint, wanneer we de eerste kaars aansteken om Chanoeka te vieren. Waar we ook wonen, het is duidelijk dat velen zich toegenomen angstig voelen in deze periode van duisternis, gezien de verschillende spanningen in de huidige tijd.

Duisternis is niet alleen een fysieke realiteit. Voor sommigen, misschien wel velen, is het ook een spirituele en emotionele realiteit. Duisternis speelt ook een rol in onze parasha deze week, wanneer we lezen over Jakobs onheilspellende nacht voordat hij zijn broer Esau ontmoet na twee decennia van scheiding. Parasha Vayislach begint als volgt:

Jakob zond boodschappers vooruit naar zijn broer Esau in het land Seïr, het gebied van Edom, en gaf hun de volgende instructies: “Zo  moeten jullie het zeggen tegen mijn heer, ‘tegen Esau: Zo zegt uw dienaar Jakob: Bij Laban heb ik als vreemdeling gewoond en ik ben daar tot nu toe gebleven. Ik heb runderen verworven, ezels, schapen, slaven en slavinnen en nu stuur ik een mededeling aan mijn heer om uw sympathie te verwerven.'”

De boodschappers keerden terug naar Jakob en zeiden: “We zijn bij uw broer Esau aangekomen; hij komt u tegemoet, en zijn gevolg telt vierhonderd man.”

Jakobs reactie op het nieuws van Esau’s nadering roept zowel angst als bezorgdheid op. In Genesis 32:8 lezen we:

וַיִּירָ֧א יַעֲקֹ֛ב מְאֹ֖ד וַיֵּ֣צֶר ל֑וֹ וַיַּ֜חַץ אֶת־הָעָ֣ם אֲשֶׁר־אִתּ֗וֹ וְאֶת־הַצֹּ֧אן

וְאֶת־הַבָּקָ֛ר וְהַגְּמַלִּ֖ים לִשְׁנֵ֥י מַחֲנֽוֹת׃

Jakob werd zeer bang, hij kreeg het benauwd en hij deelde het volk dat hij bij zich had en ook het kleinvee, runderen en kamelen, in twee groepen.

Ongetwijfeld kunnen sommigen van ons Jakobs angst begrijpen. Velen van ons ervaren onze eigen spanning in verschillende relaties tijdens onze levensreis. In Da’at Chochmah U-Mussar geeft rabbijn Yerucham Levovitz commentaar op Jakobs emotionele toestand zoals beschreven in vers 8:

Toen Jakob hoorde dat Esau met vierhonderd man op hem afkwam, raakte hij behoorlijk in paniek. Het is gemakkelijk te begrijpen dat Jakobs angst voor Esau niet te vergelijken was met de angst van een zwakke man voor een gewelddadige. In de Schrift wordt niet over een dergelijke angst gesproken en de patriarchen werden niet geprezen voor deze angst.

Misschien was Jakobs angst dat hij door zonde bezoedeld was geraakt (zoals Rashi uitlegt in verband met vers 11).

In vers 11 lezen we: “Te gering ben ik voor alle bewijzen van liefde en trouw die U uw dienaar bewezen hebt. Met alleen maar mijn stok ben ik deze Jordaan overgetrokken, en nu ben ik tot twee groepen geworden.” Rashi merkt op:

IK BEN AL DE GENADE TE ONWAARDIG – Mijn verdiensten zijn verminderd als gevolg van al de chassadiem / goedheid en emet / waarheid die U mij al hebt betoond. Om deze reden ben ik bang. Misschien ben ik, sinds U deze beloften aan mij hebt gedaan, verdorven (of “gestruikeld”) door zonde, en dit kan ertoe hebben geleid dat ik aan de macht van Esau ben overgeleverd (Talmoed Shabbat 32a).

Rav Yerucham vervolgt:

Uiteindelijk wordt deze angst uitgedrukt als angst voor Esau en zijn vierhonderd mannen – een natuurlijke vorm van angst die in ieder mens geplant is, de instinctieve angst voor een rover of boosdoener.

Deze natuurlijke angst kwam werkelijk voort uit Jakobs diepere bezorgdheid, aangezien hij waarschijnlijk dacht: “Misschien heb ik gezondigd.” De angst die Jakob voor Esau voelde, die van nature in alle mensen voorkomt, was in Jakobs geval dus eigenlijk Yirat Shamayim / vrees voor de hemel.

Hieruit volgt dat het bereiken van yirah / vrees (voor God) juist via iemands natuurlijke emotionele vermogen tot stand komt, zelfs zonder enige externe overweging, inspiratie of theoretische beschouwing.

We weten uit onze studie en beoefening van Mussar dat Yirah wordt gezien als zowel angst als ontzag. Idealiter neigen we meer naar yirah als ontzag voor de majesteit van de schepping van de Heilige en Gods chesed / liefdevolle vriendelijkheid jegens ons, ondanks onze tekortkomingen en ons falen. Toch is deze middah, die door de klassieke ba’alei Mussar als een kernmiddah wordt beschouwd, vaak een uitdaging voor veel hedendaagse studenten van Mussar.

Rav Yerucham leert vervolgens dat yirah een natuurlijk onderdeel is van onze menselijke ervaring. En we hebben allemaal onze eigen persoonlijke ervaringen met angst en bezorgdheid gehad! Hij verwijst naar Deuteronomium 10:11, waar we lezen:

וְעַתָּה֙ יִשְׂרָאֵ֔ל מָ֚ה יְהֹוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ שֹׁאֵ֖ל מֵעִמָּ֑ךְ כִּ֣י אִם־לְ֠יִרְאָ֠ה אֶת־יְהֹוָ֨ה אֱלֹהֶ֜יךָ

לָלֶ֤כֶת בְּכׇל־דְּרָכָיו֙ וּלְאַהֲבָ֣ה אֹת֔וֹ וְלַֽעֲבֹד֙ אֶת־יְהֹוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ בְּכׇל־לְבָבְךָ֖ וּבְכׇל־נַפְשֶֽׁךָ

Welnu, Israël, wat vraagt de Eeuwige, je God anders van je dan ontzag (l’yirah et HaShem) te hebben voor de Eeuwige, je God, om je levensweg te gaan volgens Zijn richtlijnen, om van Hem te houden en om de Eeuwige, je God met heel je hart en heel je ziel te dienen…

In zijn vertaling van de Torah vertaalt professor Everett Fox yirah als “heb ontzag voor JHWH, uw God”. De Koren Jerusalem Bible vertaalt dit als “vrees de Eeuwige, uw God”. Sterker nog, in zijn boek Het Heilige in het Alledaagse, hoofdstuk 24, laat onze leraar Alan Morinis yirah onvertaald, terwijl hij deze kern van de middah uitdiept. Yirah is zonder twijfel veelzijdig en complex. Niet alleen onze vertalers en tolken lezen het anders, wij ook, op basis van onze eigen spirituele reis, ervaringen en ziele-curriculum.

Terugkerend naar de les van Rav Yerucham, stelt hij:

Het niveau van Yirat Shamayim / vrees voor de hemel, dat we vaak associëren met beloning en straf, is het meest verheven niveau, zoals geschreven staat in Deuteronomium 10:12: “Wat vraagt ​​de Eeuwige, uw God, van u behalve God te vrezen?”

Dit niveau bestaat ook in de natuur. Verderop zien we wat onze Wijzen zeiden (in Talmoed Berachot 5a): “Als iemand lijden over zich heen ziet komen, moet hij zijn daden onderzoeken.” Op het eerste gezicht lijkt dit alleen van toepassing op degenen die zich verdiepen in de Torah. Toch is het in feite zelfs haalbaar voor degenen die alleen vanuit hun rationele bewustzijn handelen.

Rav Yerucham illustreert zijn punt door te verwijzen naar wat we over een paar weken zullen lezen, wanneer we ons richten op de verhalencyclus van Jozef. Hij leert:

We vinden bijvoorbeeld de broers van Jozef, die in conflict zijn met die vreemde Egyptische leider, die in feite hun broer Jozef is, die ze niet herkennen, die zegt: “Wat heeft God ons aangedaan?” Onze wijzen leggen uit dat “hun hart uitging”, wat betekent dat ze innerlijk berouw voelden. Zo herkenden en kenden de broers, zelfs zonder de Torah, het concept van chesbon ha-nefesh / zelfonderzoek te midden van iemands lijden. Dit kan leiden tot het besef van de goddelijke voorzienigheid.

Rav Yerucham brengt dit ook in verband met een eerder incident in Genesis, door te stellen:

Zelfs de oude volken hadden kennis van deze kwestie. Zoals we zien bij Farao de Eerste, over wie geschreven staat: “En de Eeuwige trof Farao met grote plagen…” Farao zei tegen Abram: “Wat heb je me aangedaan? Waarom zei je: ‘Zij is mijn zuster’?” Toch had Farao geen profetie om hem te onthullen dat Sara Abrahams vrouw was.

Angst en bezorgdheid zijn, zoals Rav Yerucham leert, een natuurlijk onderdeel van onze menselijke conditie en ervaring. Toch, zoals hij leert, en zoals wij leren tijdens onze Mussar-studies en -beoefening, is cheshbon ha-nefesh / dagboek van de ziel een belangrijk onderdeel van ons vermogen tot spirituele groei, evenals onze algemene vooruitgang op weg naar het worden van de beste versie van wie we kunnen zijn.

In deze tijd van toenemende duisternis, en met de nadering van onze Chag Ha-Orim / Lichtfeest, kunnen onze studie van de Torah en ons zielenwerk ons ​​helpen herkennen welke vormen van “duisternis” ons omringen, en hoe we die duisternis kunnen verdrijven. Of dat nu is door licht aan te steken – een onderdeel van veel tradities in deze tijd – of door te werken aan onze middot, inclusief hoe we yirah ervaren, voelen en begrijpen – of het nu angst, ontzag of eerbied is.

TER FOCUS:

  • Hoe begrijp je yirah? Is het één of zijn het meerdere van die betekenislagen?
  • Hoe kun je licht in de duisternis brengen – door daden van chesed / vriendelijkheid; door fysiek en metafysisch licht aan te wakkeren; of door je te verdiepen in je cheshbon ha-nefesh terwijl je werkt aan het leren van hoe je yirah ervaart en integreert, ongeacht de bron ervan, in deze tijd van het jaar en in je leven?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Vajetze

N.B.: In de geest van Thanksgiving, wat veel leden van onze TMI-gemeenschap dit weekend vieren, delen we deze week de Torah vanuit een Mussar-perspectief met onze volledige mailinglijst. Deze wekelijkse bijdrage wordt normaal gesproken alleen verzonden naar onze Chaverim (vrienden die TMI steunen met een maandelijkse of jaarlijkse bijdrage). We hopen dat deze les u stof tot nadenken geeft om te delen aan de feesttafel of tijdens Shabbat.

Ga voor meer informatie over Chaverim naar:

****

Deze week zitten onze vrienden in de Verenigde Staten samen met familie en vrienden om Thanksgiving te vieren. Thanksgiving wordt in het algemeen beschouwd als een van de favoriete feestdagen in de USA, vindt zijn oorsprong in onze eigen Joodse traditie en het Soekot-feest. Het is een tijd om te focussen op een aantal middot. Hakarat ha-tov, het (h)erkennen van het goede, staat ongetwijfeld hoog op die lijst, wat vaak wordt vertaald als “dankbaarheid”.

Onze parasha van deze week, parasha Vayetze, bevat lessen voor ons allemaal – inclusief degenen die met hun geliefden aan tafel zitten.


In onze parasha zien we Jakob onderweg, vluchtend uit het ouderlijk huis nadat hij zijn vader heeft misleid om hem de zegen te geven die bedoeld was voor zijn iets oudere tweelingbroer Esau. We kunnen ons Jakobs onzekerheid voorstellen terwijl hij een reis onderneemt waar hij zich geen voorstelling van kan maken. Aan het begin van de parasha lezen we over Jakob die stopt voor de nacht bij zonsondergang:

Jakob verliet Beersheba en ging op weg naar Haran. Hij kwam bij een bepaalde plaats en stopte daar voor de nacht, omdat de zon was ondergegaan. Hij nam een ​​van de stenen van die plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plek liggen.

We weten dat Jacob een gedenkwaardige droom heeft. Geschrokken, en zeker met een gevoel van yirah / ontzag, wordt hij wakker:

וַיִּיקַ֣ץ יַעֲקֹב֮ מִשְּׁנָתוֹ֒ וַיֹּ֕אמֶר אָכֵן֙ יֵ֣שׁ יְהֹוָ֔ה בַּמָּק֖וֹם הַזֶּ֑ה וְאָנֹכִ֖י לֹ֥א יָדָֽעְתִּי׃

Jakob ontwaakte uit zijn slaap en zei: “Inderdaad, de Eeuwige is aanwezig op deze plaats, en ik wist het niet!”

Rashi geeft commentaar op dit vers en suggereert dat Jakob zegt: “Als ik dit had geweten, had ik niet gaan slapen op een heilige plek als deze.” Dichter bij onze tijd voegt rabbijn Adin Steinsaltz eraan toe: “Voorheen zag ik deze plaats als slechts een stuk land waarop ik kon rusten.” Maar Jakob wordt wakker voor een realiteit en besef waarvan hij zich voorheen niet bewust was. Dit is ongetwijfeld een ervaring waar velen, zo niet allen, zich mee kunnen identificeren.

In Ohr HaTzafun beschouwt rabbijn Nosson Tzvi Finkel, de Alter van Slabodka, dit vers in het licht van Rashi’s opmerking. Hij verweeft de rabbijnse gedachte dat Jakob, in tegenstelling tot zijn broer Esau, die plaatsen van frivoliteit en ongeoorloofd gedrag bezocht, zijn jeugd had doorgebracht met studeren in een Beit Midrash. De Alter leert:

Na de veertien jaar die onze voorvader Jakob in de studiezaal van Sem en Ever doorbracht, zonder enige slaap zou het geen verrassing moeten zijn dat hij “op die plaats ging liggen.” Dit kan worden gelezen als een uitdrukking van beperking: “Op die plaats ging hij liggen.” Echter, gedurende de veertien jaar dat hij in het huis van Ever diende, ging hij ’s nachts niet liggen, want hij was voortdurend bezig met Torah-studie.”

De Alter vervolgt:

Nu, in zijn huidige situatie de normale volgorde van de schepping is veranderd: “Want de zon was ondergegaan.” Dit leert ons dat “De zon plotseling voor hem onder ging, vóór de bestemde tijd, zodat hij daar zou gaan liggen.” Het is precies daar, op die makom / plaats, dat “Hij HaMakom / God tegenkwam.”

Dit komt “om te leren dat de aarde naar hem toe sprong.” De stenen van die plek discussieerden met elkaar, elk zei: “Laat deze rechtvaardige zijn hoofd op mij leggen.”

In Genesis 28:17 lezen we nog een verklaring over het ontwaken van Jakob:

וַיִּירָא֙ וַיֹּאמַ֔ר מַה־נּוֹרָ֖א הַמָּק֣וֹם הַזֶּ֑ה אֵ֣ין זֶ֗ה כִּ֚י אִם־בֵּ֣ית אֱלֹהִ֔ים וְזֶ֖ה שַׁ֥עַר הַשָּׁמָֽיִם׃

Door vrees bevangen zei hij: “Hoe geweldig is deze plaats, dat kan niet anders dan een huis van God zijn  en hier is de poort naar de hemel.”

Jakob is ontwaakt voor de realiteit waartoe we door onze traditie geroepen zijn, namelijk dat God overal is. Als studenten en beoefenaars van Mussar worden we hier voortdurend aan herinnerd, hoewel we te midden van onze drukke levens geneigd zijn te vergeten dat er overal om ons heen kedushah / heiligheid is. Zo vaak vergeten we het op te merken, laat staan ​​dat kedushah ons kan verheffen en inspireren.

In het laatste hoofdstuk van Mesillat Yesharim, gewijd aan de middah van Kedushah, leert rabbijn Moshe Chaim Luzzatto:

Het algemene principe van deze zaak: Kedushah / Heiligheid bestaat uit het zo sterk aan God vastklampen dat men zich, bij welke handeling dan ook, niet van God zal afscheiden of van Hem zal wijken, zodat de fysieke dingen die men gebruikt een grotere verheffing zullen bereiken dan die die zij zouden kunnen verminderen door hun vastklampen en nivellering aan hun gebruik van fysieke dingen.

Net als onze patriarch Jakob moeten ook wij wakker gemaakt worden uit onze slaap of gebrek aan bewustzijn dat ons er van weerhoudt onze zegeningen en/of de kedushah die we kunnen bereiken en integreren in onze gedachten, gevoelens, woorden en daden, volledig te herkennen. We zijn zo ondergedompeld in de gashmiyut / lichamelijkheid van ons dagelijks leven (en bezittingen) dat we er soms niet in slagen ons leven, onze relaties en de werkelijkheid vanuit een meer etherisch maar toch mussardik perspectief te zien. Onze heilige tijden – Shabbat, Chagim/Feesten, Yamim Noraim/Hoge Feestdagen – zijn allemaal bedoeld als kansen om de balans op te maken en te reflecteren op ons leven, onze relaties en de realiteit. Een lid van één van mijn va’adim brengt vaak ter sprake hoe tachnun, wat tijdens de dagelijkse gebeden wordt gereciteerd, hem de gelegenheid biedt om zijn middot te herzien, zodat hij zich bewust kan zijn van waartoe zijn ziel hem oproept om aandacht te schenken en te handelen.

Voor degenen onder ons die dit weekend Thanksgiving vieren met familie en vrienden, is er een mogelijkheid om deel te nemen aan deze reflectie buiten, maar niet los van, het Joodse ritueel. Onze Mussar-reis herinnert ons er inderdaad aan om dagelijks aan een dergelijke reflectie deel te nemen, vooral wanneer we ons cheshbon hanefesh / dagboek beginnen met – zielvolle reflectie. Of je de feestdag nu viert of niet – Jakobs ontwaken kan ieder van ons inspireren om opnieuw de balans op te maken, terwijl we hakarat ha-tov / dankbaarheid uitspreken; een hernieuwd gevoel van yir’ah / ontzag voelen voor de zegeningen van onze wereld en ons leven; en ons bezighouden met onze middot– en zielscurriculum, terwijl we ons opnieuw inzetten om de beste versie van onszelf te worden.

TER FOCUS:

  • Heb je ooit een moment meegemaakt zoals beschreven in onze parasha, toen Jakob plotseling uit zijn slaap ontwaakte en tot een nieuw besef kwam?
  • Welke middot vergemakkelijken jouw vermogen om een ​​besef zoals dat van Jakob te hebben?
  • Als je Thanksgiving viert, welke middot zou je dan meenemen naar de feesttafel? Natuurlijk is de shabbat-tafel net zo’n goede gelegenheid voor zo’n oefening!

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.