Parasha Vajeshev

Vorige week lazen we over Jakobs terugkeer naar huis na zijn twintigjarige verblijf bij oom Laban, nadat hij zich onderweg had verzoend met zijn tweelingbroer Esau. Onze parasha van deze week begint met Jakob die nu in het land van zijn voorouders woont en tegelijkertijd te maken krijgt met nieuwe familieomstandigheden. Net zoals het verhaal van zijn vader in parasha Toldot onmiddellijk plaatsmaakte voor het verhaal van de tweelingbroers, zo maakt Jakobs verhaal in parasha Vajeshev plaats voor de verhalen over zijn kinderen, met een speciale focus op Jozef. Al in het tweede vers van de parasha van deze week lezen we: “Israël hield het meest van Jozef van al zijn zonen, omdat hij zijn ‘kind van ouderdom’ was.” Het vers besluit met de opmerking dat Jakob ‘een versierde tuniek voor hem maakte’. Dit is de veelkleurige (of “technicolor”) droomjas waar vanalles over is gezegd door de generaties.

Die voorkeur en dat cadeau van Jakob vormen de basis voor gevoelens van jaloezie en afgunst. We lezen: “Toen zijn broers zagen dat hun vader Jozef meer liefhad dan al zijn broers, haatten ze hem zo erg dat ze geen vriendelijk woord meer met hem konden spreken.” Dit wordt nog eens versterkt wanneer Jozef de uitlegger van dromen wordt. In de volgende verzen van onze sidra lezen we:

Eens had Jozef een droom die hij aan zijn broers vertelde; en ze haatten hem nog meer. Hij zei tegen hen: “Luister naar deze droom die ik gehad heb: Wij waren schoven aan het binden op het veld, toen plotseling mijn schoof overeind ging staan ​​en bleef staan; toen verzamelden jullie schoven zich eromheen en bogen diep voor mijn schoof.” Zijn broers antwoordden: “Ben je van plan over ons te heersen? Ben je van plan over ons de baas te spelen?” En ze haatten hem nog meer vanwege zijn gepraat over zijn dromen.

Haat – een emotie zo oud als de tijd zelf. Denk aan het verhaal van Kaïn en Abel, waar we deze emoties voor het eerst tegenkomen. Vervolgens lezen we:

Hij droomde nog een droom en vertelde die aan zijn broers. Hij zei: Kijk, ik heb nog een droom gehad: nu, kijk, de zon, de maan en elf sterren bogen voor mij neer! Toen hij het aan zijn vader en zijn broers vertelde, berispte zijn vader hem en zei tegen hem: “Wat is dit voor een droom die je hebt gehad! Moeten we komen – ik, je moeder en je broers – om voor je neer te buigen tot op de grond?” Zijn broers waren jaloers op hem, terwijl zijn vader de kwestie in gedachten hield.

Zoals we zien, versterkt het navertellen van Jozefs dromen, samen met zijn interpretaties, alleen maar de gevoelens van afgunst en jaloezie van de broers.

Rabbi Nosson Tzvi Finkel, de Alter van Slabodka, becommentarieert de gevaren van het zaaien van afgunst en jaloezie:

Onze Wijzen hebben vastgesteld dat alle gebeurtenissen die ons volk in Egypte overkwamen zich ontvouwden als gevolg van Jakobs relatie met Jozef. De Schrift zegt: “En Israël hield meer van Jozef dan van al zijn zonen, want hij was een zoon van zijn ouderdom, en hij maakte hem een ​​gestreepte tuniek.” Hierdoor wekte Jakob de jaloezie van de broers op… Onze Wijzen leren hieruit: “Men mag nooit één kind onderscheiden van de andere kinderen “, want vanwege het gewicht van extra twee maten wol dat Jakob aan Jozef gaf, meer dan aan zijn andere zonen, werden de broers jaloers op hem, en de zaak ontwikkelde zich verder en onze voorouders gingen naar Egypte.” Dat wil zeggen, vanwege deze daad kwam de vreselijke straf van de Egyptische slavernij.

Een stukje verderop leert de Alter:

Hieruit begrijpen we hoe subtiel de fout was in Jakobs gedrag toen hij de gestreepte tuniek voor Jozef maakte… Jakobs bedoeling was voor het goede: Jozef een beloning geven voor zijn uitmuntendheid, zoals de Schrift opmerkt, “want Jozef was voor hem een ​​zoon van zijn ouderdom.”

Bovendien wilde hij onder de broers קנאת סופרים – kinat sofrim – afgunstige rivaliteit onder Torah-studenten opwekken. Onze Wijzen, gezegend zij hun nagedachtenis, interpreteerden deze kinat sofrim positief en stelden: “Jaloezie onder studenten vergroot de wijsheid.”

Desondanks raakten de gebeurtenissen, door deze kleine fout in Jakobs gedrag, namelijk dat hij onderscheid maakte tussen zijn zonen, zo ernstig verstrengeld dat Jozef zijn broers verdacht van dingen die niet waar waren en hen tot jaloezie en haat bracht, zoals de Schrift getuigt: “En zijn broers waren jaloers op hem.” En zoals we lezen: “Ze haatten hem en konden niet op een vreedzame manier met hem spreken.”

Dit is een behoorlijk zware last om Jozef op te leggen, en zelfs op Vader Jakob. En we weten dat het verblijf in Egypte al voorspeld was in de tijd van Jakobs grootvader, Abraham.

In een commentaar op onze parasha citeert rabbijn Mordechai Appel deze les van de Alter van Slabodka en merkt op dat onze lezing twee natuurlijke, maar potentieel gevaarlijke menselijke emoties benadrukt: jaloezie en afgunst. Hij schrijft:

Kijkend naar de dromen van Jozef, zien we twee verschillende reacties van de broers. De eerste droom toonde de schoven van de broers die zich neerbogen voor de schoof van Jozef. Toen de broers dit hoorden, haatten ze Jozef vanwege zijn droom. In de volgende droom bogen de zon, de maan en elf sterren zich neer voor Jozef. Deze keer was de reactie echter niet haat, maar eerder afgunst.

Rabbijn Appel wijst ons op het onderscheid dat de Alter maakt tussen deze emoties. Hij schrijft:

De Alter van Slabodka legt uit dat in de eerste droom de schoven gashmiyut / materialistische bezigheden vertegenwoordigen. Jozef vertelde zijn broers dat hij rijker dan hen zou zijn en superieur aan hen. Zo’n boodschap is moeilijk te accepteren, vooral wanneer het gevoel bestaat dat degene die de boodschap brengt zichzelf als belangrijker voorstelt en dit alleen doet voor zijn eigen persoonlijke zelfverheerlijking. Het eindresultaat was een gevoel van haat jegens hem.

In de tweede droom vertegenwoordigen de zon, maan en sterren de hemelse sferen. Dit was een droom over ruchaniyut / spirituele bezigheden. Jozef vertelde hen dat hij superieur aan hen zou zijn in spirituele zaken. Dit veroorzaakte afgunst, omdat de broers voor zichzelf hetzelfde wilden.

Zoals we van onze leraren bij het Mussar Instituut hebben geleerd, merkt rabbijn Appel op dat elke middah langs een continuüm kan worden gevolgd, twee extreme posities met een breed middenveld ertussenin. In de meeste gevallen zouden we moeten streven naar een standpunt en gedrag dat binnen dat brede midden valt. Toch, zoals Alan Morinis ons heeft geleerd, zijn er momenten waarop we, afhankelijk van de omstandigheden, naar het ene of het andere uiterste moeten neigen: of onszelf weer in evenwicht moeten brengen binnen dat brede midden.

Terugkerend naar het commentaar van rabbijn Appel, merkt hij op:

In onze parasha geeft de Torah ons inzicht in de middah van kin’ah / jaloezie. Laten we proberen beide kanten van deze krachtige karaktereigenschap te begrijpen. Enerzijds vinden we in Talmoed Bava Batra 21a dat “jaloezie onder talmidei chachamim wijsheid vergroot.” Dat wil zeggen jaloezie kan iets goeds zijn.

Toch vinden we ook een vers dat ons vertelt dat “jaloezie de botten doet verrotten.” Dat wil zeggen, het vreet aan de beste delen van een persoon, waardoor diegene niets overhoudt.

Kin’ah / jaloezie kan een motivator zijn, wanneer het iemand inspireert om niveaus van gadlut / grootheid te bereiken die anders onbereikbaar zouden zijn geweest. Toch waarschuwt koning Salomo ons in Spreuken om met een stok van drie meter ver van kin’ah vandaan te blijven.

We leven allemaal met jaloezie en afgunst en ervaren dit ook. Laten we eens kijken tot welke middot we ons kunnen wenden om onze gevoelens van kin’ah / jaloezie en sin’ah / haat te beheersen. We kunnen ons richten op ayin tovah / een “goed oog” hebben terwijl we de woorden en daden van anderen observeren en proberen te begrijpen. We kunnen ook, in de geest van rabbijn Moshe Chaim Luzzatto, neigen naar zehirut / waakzaamheid, opdat we niet toestaan ​​dat onze emoties ons leiden naar woorden en daden waar we later spijt van krijgen.

Moge de sjabbat ons rustige momenten bieden om na te denken over onze week, onze woorden, onze daden en onze relaties, zodat we kunnen leren van onze Bijbelse voorouders en van onze eigen zielenleer, terwijl we eraan werken een betere versie van onszelf te worden.

TER FOCUS:

  • Heb je de afgelopen week jaloezie of afgunst gevoeld? Heb jij jouw Mussar-tools kunnen gebruiken om te voorkomen dat je toegeeft aan de donkere kanten van deze twee krachtige emoties?
  • Is er een relatie waarin je schade hebt ondervonden door kin’ah / jaloezie of sin’ah / haat? Hoe kunnen ayin tovah / met een goed oog kijken, of zehirut / voorzichtigheid of waakzaamheid je helpen om weer in balans te komen?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Vayislach

Op het noordelijk halfrond gaan we de donkerste tijd van het jaar in. Tegelijkertijd komen we dichter bij ons Lichtfeest, dat volgende week zondagavond begint, wanneer we de eerste kaars aansteken om Chanoeka te vieren. Waar we ook wonen, het is duidelijk dat velen zich toegenomen angstig voelen in deze periode van duisternis, gezien de verschillende spanningen in de huidige tijd.

Duisternis is niet alleen een fysieke realiteit. Voor sommigen, misschien wel velen, is het ook een spirituele en emotionele realiteit. Duisternis speelt ook een rol in onze parasha deze week, wanneer we lezen over Jakobs onheilspellende nacht voordat hij zijn broer Esau ontmoet na twee decennia van scheiding. Parasha Vayislach begint als volgt:

Jakob zond boodschappers vooruit naar zijn broer Esau in het land Seïr, het gebied van Edom, en gaf hun de volgende instructies: “Zo  moeten jullie het zeggen tegen mijn heer, ‘tegen Esau: Zo zegt uw dienaar Jakob: Bij Laban heb ik als vreemdeling gewoond en ik ben daar tot nu toe gebleven. Ik heb runderen verworven, ezels, schapen, slaven en slavinnen en nu stuur ik een mededeling aan mijn heer om uw sympathie te verwerven.'”

De boodschappers keerden terug naar Jakob en zeiden: “We zijn bij uw broer Esau aangekomen; hij komt u tegemoet, en zijn gevolg telt vierhonderd man.”

Jakobs reactie op het nieuws van Esau’s nadering roept zowel angst als bezorgdheid op. In Genesis 32:8 lezen we:

וַיִּירָ֧א יַעֲקֹ֛ב מְאֹ֖ד וַיֵּ֣צֶר ל֑וֹ וַיַּ֜חַץ אֶת־הָעָ֣ם אֲשֶׁר־אִתּ֗וֹ וְאֶת־הַצֹּ֧אן

וְאֶת־הַבָּקָ֛ר וְהַגְּמַלִּ֖ים לִשְׁנֵ֥י מַחֲנֽוֹת׃

Jakob werd zeer bang, hij kreeg het benauwd en hij deelde het volk dat hij bij zich had en ook het kleinvee, runderen en kamelen, in twee groepen.

Ongetwijfeld kunnen sommigen van ons Jakobs angst begrijpen. Velen van ons ervaren onze eigen spanning in verschillende relaties tijdens onze levensreis. In Da’at Chochmah U-Mussar geeft rabbijn Yerucham Levovitz commentaar op Jakobs emotionele toestand zoals beschreven in vers 8:

Toen Jakob hoorde dat Esau met vierhonderd man op hem afkwam, raakte hij behoorlijk in paniek. Het is gemakkelijk te begrijpen dat Jakobs angst voor Esau niet te vergelijken was met de angst van een zwakke man voor een gewelddadige. In de Schrift wordt niet over een dergelijke angst gesproken en de patriarchen werden niet geprezen voor deze angst.

Misschien was Jakobs angst dat hij door zonde bezoedeld was geraakt (zoals Rashi uitlegt in verband met vers 11).

In vers 11 lezen we: “Te gering ben ik voor alle bewijzen van liefde en trouw die U uw dienaar bewezen hebt. Met alleen maar mijn stok ben ik deze Jordaan overgetrokken, en nu ben ik tot twee groepen geworden.” Rashi merkt op:

IK BEN AL DE GENADE TE ONWAARDIG – Mijn verdiensten zijn verminderd als gevolg van al de chassadiem / goedheid en emet / waarheid die U mij al hebt betoond. Om deze reden ben ik bang. Misschien ben ik, sinds U deze beloften aan mij hebt gedaan, verdorven (of “gestruikeld”) door zonde, en dit kan ertoe hebben geleid dat ik aan de macht van Esau ben overgeleverd (Talmoed Shabbat 32a).

Rav Yerucham vervolgt:

Uiteindelijk wordt deze angst uitgedrukt als angst voor Esau en zijn vierhonderd mannen – een natuurlijke vorm van angst die in ieder mens geplant is, de instinctieve angst voor een rover of boosdoener.

Deze natuurlijke angst kwam werkelijk voort uit Jakobs diepere bezorgdheid, aangezien hij waarschijnlijk dacht: “Misschien heb ik gezondigd.” De angst die Jakob voor Esau voelde, die van nature in alle mensen voorkomt, was in Jakobs geval dus eigenlijk Yirat Shamayim / vrees voor de hemel.

Hieruit volgt dat het bereiken van yirah / vrees (voor God) juist via iemands natuurlijke emotionele vermogen tot stand komt, zelfs zonder enige externe overweging, inspiratie of theoretische beschouwing.

We weten uit onze studie en beoefening van Mussar dat Yirah wordt gezien als zowel angst als ontzag. Idealiter neigen we meer naar yirah als ontzag voor de majesteit van de schepping van de Heilige en Gods chesed / liefdevolle vriendelijkheid jegens ons, ondanks onze tekortkomingen en ons falen. Toch is deze middah, die door de klassieke ba’alei Mussar als een kernmiddah wordt beschouwd, vaak een uitdaging voor veel hedendaagse studenten van Mussar.

Rav Yerucham leert vervolgens dat yirah een natuurlijk onderdeel is van onze menselijke ervaring. En we hebben allemaal onze eigen persoonlijke ervaringen met angst en bezorgdheid gehad! Hij verwijst naar Deuteronomium 10:11, waar we lezen:

וְעַתָּה֙ יִשְׂרָאֵ֔ל מָ֚ה יְהֹוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ שֹׁאֵ֖ל מֵעִמָּ֑ךְ כִּ֣י אִם־לְ֠יִרְאָ֠ה אֶת־יְהֹוָ֨ה אֱלֹהֶ֜יךָ

לָלֶ֤כֶת בְּכׇל־דְּרָכָיו֙ וּלְאַהֲבָ֣ה אֹת֔וֹ וְלַֽעֲבֹד֙ אֶת־יְהֹוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ בְּכׇל־לְבָבְךָ֖ וּבְכׇל־נַפְשֶֽׁךָ

Welnu, Israël, wat vraagt de Eeuwige, je God anders van je dan ontzag (l’yirah et HaShem) te hebben voor de Eeuwige, je God, om je levensweg te gaan volgens Zijn richtlijnen, om van Hem te houden en om de Eeuwige, je God met heel je hart en heel je ziel te dienen…

In zijn vertaling van de Torah vertaalt professor Everett Fox yirah als “heb ontzag voor JHWH, uw God”. De Koren Jerusalem Bible vertaalt dit als “vrees de Eeuwige, uw God”. Sterker nog, in zijn boek Het Heilige in het Alledaagse, hoofdstuk 24, laat onze leraar Alan Morinis yirah onvertaald, terwijl hij deze kern van de middah uitdiept. Yirah is zonder twijfel veelzijdig en complex. Niet alleen onze vertalers en tolken lezen het anders, wij ook, op basis van onze eigen spirituele reis, ervaringen en ziele-curriculum.

Terugkerend naar de les van Rav Yerucham, stelt hij:

Het niveau van Yirat Shamayim / vrees voor de hemel, dat we vaak associëren met beloning en straf, is het meest verheven niveau, zoals geschreven staat in Deuteronomium 10:12: “Wat vraagt ​​de Eeuwige, uw God, van u behalve God te vrezen?”

Dit niveau bestaat ook in de natuur. Verderop zien we wat onze Wijzen zeiden (in Talmoed Berachot 5a): “Als iemand lijden over zich heen ziet komen, moet hij zijn daden onderzoeken.” Op het eerste gezicht lijkt dit alleen van toepassing op degenen die zich verdiepen in de Torah. Toch is het in feite zelfs haalbaar voor degenen die alleen vanuit hun rationele bewustzijn handelen.

Rav Yerucham illustreert zijn punt door te verwijzen naar wat we over een paar weken zullen lezen, wanneer we ons richten op de verhalencyclus van Jozef. Hij leert:

We vinden bijvoorbeeld de broers van Jozef, die in conflict zijn met die vreemde Egyptische leider, die in feite hun broer Jozef is, die ze niet herkennen, die zegt: “Wat heeft God ons aangedaan?” Onze wijzen leggen uit dat “hun hart uitging”, wat betekent dat ze innerlijk berouw voelden. Zo herkenden en kenden de broers, zelfs zonder de Torah, het concept van chesbon ha-nefesh / zelfonderzoek te midden van iemands lijden. Dit kan leiden tot het besef van de goddelijke voorzienigheid.

Rav Yerucham brengt dit ook in verband met een eerder incident in Genesis, door te stellen:

Zelfs de oude volken hadden kennis van deze kwestie. Zoals we zien bij Farao de Eerste, over wie geschreven staat: “En de Eeuwige trof Farao met grote plagen…” Farao zei tegen Abram: “Wat heb je me aangedaan? Waarom zei je: ‘Zij is mijn zuster’?” Toch had Farao geen profetie om hem te onthullen dat Sara Abrahams vrouw was.

Angst en bezorgdheid zijn, zoals Rav Yerucham leert, een natuurlijk onderdeel van onze menselijke conditie en ervaring. Toch, zoals hij leert, en zoals wij leren tijdens onze Mussar-studies en -beoefening, is cheshbon ha-nefesh / dagboek van de ziel een belangrijk onderdeel van ons vermogen tot spirituele groei, evenals onze algemene vooruitgang op weg naar het worden van de beste versie van wie we kunnen zijn.

In deze tijd van toenemende duisternis, en met de nadering van onze Chag Ha-Orim / Lichtfeest, kunnen onze studie van de Torah en ons zielenwerk ons ​​helpen herkennen welke vormen van “duisternis” ons omringen, en hoe we die duisternis kunnen verdrijven. Of dat nu is door licht aan te steken – een onderdeel van veel tradities in deze tijd – of door te werken aan onze middot, inclusief hoe we yirah ervaren, voelen en begrijpen – of het nu angst, ontzag of eerbied is.

TER FOCUS:

  • Hoe begrijp je yirah? Is het één of zijn het meerdere van die betekenislagen?
  • Hoe kun je licht in de duisternis brengen – door daden van chesed / vriendelijkheid; door fysiek en metafysisch licht aan te wakkeren; of door je te verdiepen in je cheshbon ha-nefesh terwijl je werkt aan het leren van hoe je yirah ervaart en integreert, ongeacht de bron ervan, in deze tijd van het jaar en in je leven?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Vajetze

N.B.: In de geest van Thanksgiving, wat veel leden van onze TMI-gemeenschap dit weekend vieren, delen we deze week de Torah vanuit een Mussar-perspectief met onze volledige mailinglijst. Deze wekelijkse bijdrage wordt normaal gesproken alleen verzonden naar onze Chaverim (vrienden die TMI steunen met een maandelijkse of jaarlijkse bijdrage). We hopen dat deze les u stof tot nadenken geeft om te delen aan de feesttafel of tijdens Shabbat.

Ga voor meer informatie over Chaverim naar:

****

Deze week zitten onze vrienden in de Verenigde Staten samen met familie en vrienden om Thanksgiving te vieren. Thanksgiving wordt in het algemeen beschouwd als een van de favoriete feestdagen in de USA, vindt zijn oorsprong in onze eigen Joodse traditie en het Soekot-feest. Het is een tijd om te focussen op een aantal middot. Hakarat ha-tov, het (h)erkennen van het goede, staat ongetwijfeld hoog op die lijst, wat vaak wordt vertaald als “dankbaarheid”.

Onze parasha van deze week, parasha Vayetze, bevat lessen voor ons allemaal – inclusief degenen die met hun geliefden aan tafel zitten.


In onze parasha zien we Jakob onderweg, vluchtend uit het ouderlijk huis nadat hij zijn vader heeft misleid om hem de zegen te geven die bedoeld was voor zijn iets oudere tweelingbroer Esau. We kunnen ons Jakobs onzekerheid voorstellen terwijl hij een reis onderneemt waar hij zich geen voorstelling van kan maken. Aan het begin van de parasha lezen we over Jakob die stopt voor de nacht bij zonsondergang:

Jakob verliet Beersheba en ging op weg naar Haran. Hij kwam bij een bepaalde plaats en stopte daar voor de nacht, omdat de zon was ondergegaan. Hij nam een ​​van de stenen van die plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plek liggen.

We weten dat Jacob een gedenkwaardige droom heeft. Geschrokken, en zeker met een gevoel van yirah / ontzag, wordt hij wakker:

וַיִּיקַ֣ץ יַעֲקֹב֮ מִשְּׁנָתוֹ֒ וַיֹּ֕אמֶר אָכֵן֙ יֵ֣שׁ יְהֹוָ֔ה בַּמָּק֖וֹם הַזֶּ֑ה וְאָנֹכִ֖י לֹ֥א יָדָֽעְתִּי׃

Jakob ontwaakte uit zijn slaap en zei: “Inderdaad, de Eeuwige is aanwezig op deze plaats, en ik wist het niet!”

Rashi geeft commentaar op dit vers en suggereert dat Jakob zegt: “Als ik dit had geweten, had ik niet gaan slapen op een heilige plek als deze.” Dichter bij onze tijd voegt rabbijn Adin Steinsaltz eraan toe: “Voorheen zag ik deze plaats als slechts een stuk land waarop ik kon rusten.” Maar Jakob wordt wakker voor een realiteit en besef waarvan hij zich voorheen niet bewust was. Dit is ongetwijfeld een ervaring waar velen, zo niet allen, zich mee kunnen identificeren.

In Ohr HaTzafun beschouwt rabbijn Nosson Tzvi Finkel, de Alter van Slabodka, dit vers in het licht van Rashi’s opmerking. Hij verweeft de rabbijnse gedachte dat Jakob, in tegenstelling tot zijn broer Esau, die plaatsen van frivoliteit en ongeoorloofd gedrag bezocht, zijn jeugd had doorgebracht met studeren in een Beit Midrash. De Alter leert:

Na de veertien jaar die onze voorvader Jakob in de studiezaal van Sem en Ever doorbracht, zonder enige slaap zou het geen verrassing moeten zijn dat hij “op die plaats ging liggen.” Dit kan worden gelezen als een uitdrukking van beperking: “Op die plaats ging hij liggen.” Echter, gedurende de veertien jaar dat hij in het huis van Ever diende, ging hij ’s nachts niet liggen, want hij was voortdurend bezig met Torah-studie.”

De Alter vervolgt:

Nu, in zijn huidige situatie de normale volgorde van de schepping is veranderd: “Want de zon was ondergegaan.” Dit leert ons dat “De zon plotseling voor hem onder ging, vóór de bestemde tijd, zodat hij daar zou gaan liggen.” Het is precies daar, op die makom / plaats, dat “Hij HaMakom / God tegenkwam.”

Dit komt “om te leren dat de aarde naar hem toe sprong.” De stenen van die plek discussieerden met elkaar, elk zei: “Laat deze rechtvaardige zijn hoofd op mij leggen.”

In Genesis 28:17 lezen we nog een verklaring over het ontwaken van Jakob:

וַיִּירָא֙ וַיֹּאמַ֔ר מַה־נּוֹרָ֖א הַמָּק֣וֹם הַזֶּ֑ה אֵ֣ין זֶ֗ה כִּ֚י אִם־בֵּ֣ית אֱלֹהִ֔ים וְזֶ֖ה שַׁ֥עַר הַשָּׁמָֽיִם׃

Door vrees bevangen zei hij: “Hoe geweldig is deze plaats, dat kan niet anders dan een huis van God zijn  en hier is de poort naar de hemel.”

Jakob is ontwaakt voor de realiteit waartoe we door onze traditie geroepen zijn, namelijk dat God overal is. Als studenten en beoefenaars van Mussar worden we hier voortdurend aan herinnerd, hoewel we te midden van onze drukke levens geneigd zijn te vergeten dat er overal om ons heen kedushah / heiligheid is. Zo vaak vergeten we het op te merken, laat staan ​​dat kedushah ons kan verheffen en inspireren.

In het laatste hoofdstuk van Mesillat Yesharim, gewijd aan de middah van Kedushah, leert rabbijn Moshe Chaim Luzzatto:

Het algemene principe van deze zaak: Kedushah / Heiligheid bestaat uit het zo sterk aan God vastklampen dat men zich, bij welke handeling dan ook, niet van God zal afscheiden of van Hem zal wijken, zodat de fysieke dingen die men gebruikt een grotere verheffing zullen bereiken dan die die zij zouden kunnen verminderen door hun vastklampen en nivellering aan hun gebruik van fysieke dingen.

Net als onze patriarch Jakob moeten ook wij wakker gemaakt worden uit onze slaap of gebrek aan bewustzijn dat ons er van weerhoudt onze zegeningen en/of de kedushah die we kunnen bereiken en integreren in onze gedachten, gevoelens, woorden en daden, volledig te herkennen. We zijn zo ondergedompeld in de gashmiyut / lichamelijkheid van ons dagelijks leven (en bezittingen) dat we er soms niet in slagen ons leven, onze relaties en de werkelijkheid vanuit een meer etherisch maar toch mussardik perspectief te zien. Onze heilige tijden – Shabbat, Chagim/Feesten, Yamim Noraim/Hoge Feestdagen – zijn allemaal bedoeld als kansen om de balans op te maken en te reflecteren op ons leven, onze relaties en de realiteit. Een lid van één van mijn va’adim brengt vaak ter sprake hoe tachnun, wat tijdens de dagelijkse gebeden wordt gereciteerd, hem de gelegenheid biedt om zijn middot te herzien, zodat hij zich bewust kan zijn van waartoe zijn ziel hem oproept om aandacht te schenken en te handelen.

Voor degenen onder ons die dit weekend Thanksgiving vieren met familie en vrienden, is er een mogelijkheid om deel te nemen aan deze reflectie buiten, maar niet los van, het Joodse ritueel. Onze Mussar-reis herinnert ons er inderdaad aan om dagelijks aan een dergelijke reflectie deel te nemen, vooral wanneer we ons cheshbon hanefesh / dagboek beginnen met – zielvolle reflectie. Of je de feestdag nu viert of niet – Jakobs ontwaken kan ieder van ons inspireren om opnieuw de balans op te maken, terwijl we hakarat ha-tov / dankbaarheid uitspreken; een hernieuwd gevoel van yir’ah / ontzag voelen voor de zegeningen van onze wereld en ons leven; en ons bezighouden met onze middot– en zielscurriculum, terwijl we ons opnieuw inzetten om de beste versie van onszelf te worden.

TER FOCUS:

  • Heb je ooit een moment meegemaakt zoals beschreven in onze parasha, toen Jakob plotseling uit zijn slaap ontwaakte en tot een nieuw besef kwam?
  • Welke middot vergemakkelijken jouw vermogen om een ​​besef zoals dat van Jakob te hebben?
  • Als je Thanksgiving viert, welke middot zou je dan meenemen naar de feesttafel? Natuurlijk is de shabbat-tafel net zo’n goede gelegenheid voor zo’n oefening!

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Toldot

Iets langer dan twee jaar geleden verwees ik naar het boek van mijn leraar Rabbijn Norman J.Cohen ‘Self, Struggle and Change: Family Conflict Stories in Genesis and Their Healing Insights for Our Lives.’ In dit boek, samen met een ander werk, ‘Voices From Genesis: Guiding Us Through The Stages Of Life,’ onderzoekt rabbijn Cohen de complexe aard van interpersoonlijke relaties. Met Genesis als basis, samen met de Midrash en andere rabbijnse bronnen, opent hij doorkijkjes voor de lezer om inzichten te verschaffen in gezin, ouders, kinderen en broers en zussen, waarbij  hij de levens van onze Bijbelse voorouders presenteert als paradigma’s van de complexiteit van intermenselijke relaties. Dr. Cohen leert dat Bereishit ons meest herkenbare boek is, omdat het verhalen vertelt die de complexe realiteit van ons leven weerspiegelen, zelfs al leven we duizenden jaren verwijderd van de levens van Abraham en Sarah, Isaak en Rebecca, en Jakob, Rachel en Lea. Hij leert dat we ons kunnen identificeren met Genesis omdat het de verhalen over conflicten in families, tussen broers en zussen en in andere relaties weerspiegelt.

Terwijl we onze reis door Sefer Bereishit voortzetten, ontvouwen zich week na week nieuwe lagen van de complexiteit van menselijke interacties. Deze week is daarop geen uitzondering, want we komen bij Parasha Toldot, dat het verhaal oppakt vanuit de Abraham/Sarah-verhalencyclus, ruimte gevend aan Isaak/Rebekka en zich bijna onmiddellijk richtend op Esau en Jakob.

Een belangrijk punt van Parasha Toldot is de geboorte en het leven van de tweelingbroers Jakob en Esau. Natuurlijk kan dit niet worden gelezen zonder aandacht te besteden aan de daden van hun ouders, Isaak en Rebecca.

In Shiurei Chumash Bereishit voegt rabbijn Shlomo Wolbe zich bij het koor van generaties lezers en verklaarders van de complexe relaties binnen deze familie. Aan het begin van ons gedeelte lezen we:

וַיְהִ֤י יִצְחָק֙ בֶּן־אַרְבָּעִ֣ים שָׁנָ֔ה בְּקַחְתּ֣וֹ אֶת־רִבְקָ֗ה בַּת־בְּתוּאֵל֙ הָֽאֲרַמִּ֔י מִפַּדַּ֖ן אֲרָ֑ם

אֲח֛וֹת לָבָ֥ן הָאֲרַמִּ֖י ל֥וֹ לְאִשָּֽׁה׃

Isaak was veertig jaar toen hij zich Rebekka tot vrouw nam, de dochter van Bethoeël de Arameeër uit Padan-Aram, de zuster van Laban de Arameeër.

Rav Wolbe verwijst naar een opmerking van Rashi, die stelt:

Stond er niet al geschreven dat Rebecca de dochter van Bethoeël was en de zus van Laban van Padan-Aram? Deze feiten worden ons verteld om haar te prijzen – ze was de dochter van een slechte man, de zus van een slechte man, en haar vaderland was een land vol slechte mensen. Toch is het opmerkelijk dat ze niets van hun daden overnam.

Rav Wolbe pakt de les van Rashi als volgt op:

Hieruit kunnen we opmaken dat leren niet alleen uit boeken komt. Er is nog een andere vorm van leren. We leren ook door imitatie. In het gebed Ahava Rabba zeggen we:

ותן בלבנו להבין ולהשכיל לשמוע ללמוד — Vten blibeynu lhavin u-lhaskil, lishmoa lil-mod… “En plaats begrip en onderscheidingsvermogen in ons hart, om te luisteren, om te leren…”

Op het eerste gezicht lijkt dit niet in de juiste volgorde te staan. Zou begrip niet vóór leren moeten komen? In deze context betekent ‘leren’ zien hoe wijsheid in daden kan worden omgezet. Een mens heeft immers pas echt geleerd als imitatie instinctief wordt. Leren wordt afgemeten aan de hand van daden. Aan de hand van iemands daden kunnen we zien van wie hij of zij iets heeft geleerd, omdat mensen van nature diegenen imiteren van wie ze iets hebben geleerd.

In moderne termen kunnen we dit relateren aan rolmodellen. Zoals we uit onze levenservaringen weten, leren we zowel positieve als negatieve lessen van anderen. We moeten alle lessen en invloeden doornemen om te kunnen onderscheiden wat we moeten nadoen en wat we links moeten laten liggen.

Rav Wolbe geeft het voorbeeld van een jong kind dat van zijn ouders leert:

Een baby leert spreken door zijn moeder te imiteren. Hij probeert te spreken zoals zij, en ontwikkelt zodoende spraak. Een jonge leerling wordt zelfstandig in het leren door naar de lessen van zijn leraar te luisteren en vervolgens te proberen de manier van leren van zijn leraar te imiteren. Hetzelfde geldt voor moreel gedrag. Een kind leert van zijn ouders hoe te handelen.

Rav Wolbe prijst Rebecca en stelt:

Dit is Rebecca’s grote verdienste: hoewel ze de dochter was van een slechte man, de zus van een slechte man, en tussen slechte mensen leefde, leerde ze niets van hun gewoonten. Het is moeilijk te begrijpen hoe een driejarig meisje – wier ontwikkeling voornamelijk door imitatie tot stand komt – zo’n opmerkelijke spirituele gevoeligheid kon hebben dat ze ervan afzag hun gewoonten over te nemen. Het moet daarom worden uitgelegd dat ze al vanaf de baarmoeder een gevoel van kedushah / heiligheid bezat. Ze voelde intuïtief aan dat hun pad niet het juiste voor haar was, en ze verwierp instinctief hun gewoonten.

We halen allemaal verschillende dingen uit onze levenservaringen en onze interacties met anderen. Zelfs eeneiige tweelingen zijn niet volledig identiek, niet qua uiterlijk en zeker niet qua karakter. In onze parasha blijken Jakob en Esau, geboren als tweelingen van hun ouders, heel verschillende mensen te zijn. In Genesis 25:27 lezen we:

וַֽיִּגְדְּלוּ֙ הַנְּעָרִ֔ים וַיְהִ֣י עֵשָׂ֗ו אִ֛ישׁ יֹדֵ֥עַ צַ֖יִד אִ֣ישׁ שָׂדֶ֑ה וְיַעֲקֹב֙ אִ֣ישׁ תָּ֔ם יֹשֵׁ֖ב אֹהָלִֽים׃

Toen de jongens groot waren geworden, werd Esau een kundig jager, een man van de steppe, terwijl Jakob een ingetogen mens was, een tentbewoner.

We kunnen ons opnieuw wenden tot Rashi, die een observatie uit de Midrash deelt:

Zolang ze jong waren, konden ze niet worden onderscheiden door wat ze deden, en niemand schonk veel aandacht aan hun karakter. Toen ze echter dertien jaar oud waren, ging de een, Jakob naar de leerhuizen, en de ander, Esau naar afgodische tempels.

Rashi vervolgt:

Esau was een ish yode’a tzayid – een KUNDIGE JAGER. Letterlijk begreep hij de jacht. Dat wil zeggen, hij begreep hoe hij zijn vader met zijn mond moest vangen en bedriegen. Hij vroeg hem: “Vader, hoe moeten van zout en stro tienden worden afgezonderd?” (hoewel hij heel goed wist dat deze niet onder de wet van de tienden vallen.) Zijn vader geloofde dan ook dat hij zich zeer stipt aan de goddelijke verordeningen hield.

In tegenstelling daarmee merkt Rashi op:

Jakob was een Ish Tam – EEN EENVOUDIGE [of simpele] MAN. Hij was geen expert in al deze dingen: zijn hart was zijn mond (wat betekent dat zijn gedachten en zijn woorden op één lijn lagen). Iemand die niet vindingrijk is in het bedriegen van mensen, wordt tam / eenvoudig of simpel genoemd.

Rav Wolbes leraar, Rabbi Yerucham Levovitz, leest tam echter niet als “simpel” of “eenvoudig”. Hij leert:

De beschrijving tam verwijst naar de deugd van t’mimut (heelheid of onschuld). Rashi’s woorden “Jakobs hart en mond waren gelijk” drukken die positieve eigenschap uit – hij miste volledig het vermogen om te bedriegen, omdat zijn innerlijke zelf en spraak identiek waren.

Daarentegen beschrijft de Torah Esau als yode’a tzayid, iemand die weet, wat betekent dat hij het vermogen bezit om te bedriegen. Dit staat haaks op de eigenschap van t’mimut, waarvan de essentie juist is dat men het vermogen tot bedrog mist, puur en volledig in zijn/haar oprechtheid.

Maimonides leert dat vóór Adams zonde in de Hof van Eden alles van nature in hem aanwezig was. Pas na de zonde werd hij een wezen van keuze. Als dat zo is, dan zou het kunnen lijken dat een zondaar er voordeel uit haalt, want na de zonde is er meer bewustzijn aan hem toegevoegd. De Schrift zegt dat hij in staat werd om “goed en kwaad te kennen”.

Bewustzijn en onderscheidingsvermogen van wat goed en wat fout is, maken deel uit van onze verantwoordelijkheid in een leven van Torah en Mussar. De rol van bechirah / keuze is een belangrijk onderdeel van ons leren van onze rolmodellen, en van het onderscheiden tussen wat navolgenswaardig is, en wanneer we van een negatief voorbeeld moeten leren wat we niet moeten doen. Kennis en onderscheidingsvermogen zijn belangrijke onderdelen van onze studie, de praktijk en ons Mussar leven.

TER FOCUS:

  • Wie heeft een belangrijke invloed op je leven gehad? Ouders en grootouders zullen ongetwijfeld een rol spelen – hetzij vanwege positief rolmodelschap, hetzij vanwege het tegenovergestelde. Broers, zussen, andere familieleden, leraren, buren, collega’s, en er zijn waarschijnlijk nog meer mensen die een voorbeeld hebben gegeven op manieren waarvan jij iets hebt geleerd. Maak een lijstje.
  • Kun je een voorbeeld bedenken waarbij je hebt geleerd door negatieve voorbeelden? Hoe heeft dat je beïnvloed om een ​​andere aanpak of pad te kiezen in hoe je denkt, spreekt en handelt?
  • Welke keuzes kun je herkennen als onderdeel van je zielscurriculum die je leiden naar t’mimut / heelheid, hetgeen Rav Levovitz als prijzenswaardig beschouwt? Welke een of twee dingen zou je deze week kunnen doen om naar t’mimut te streven?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Chayei Sarah

Ons gedeelte begint met de dood van onze eerste matriarch, Sarah:

וַיִּהְיוּ֙ חַיֵּ֣י שָׂרָ֔ה מֵאָ֥ה שָׁנָ֛ה וְעֶשְׂרִ֥ים שָׁנָ֖ה וְשֶׁ֣בַע שָׁנִ֑ים שְׁנֵ֖י חַיֵּ֥י שָׂרָֽה׃

De leeftijd van Sarah was honderdzevenentwintig jaar; dat waren Sarah’s levensjaren.

וַתָּ֣מׇת שָׂרָ֗ה בְּקִרְיַ֥ת אַרְבַּ֛ע הִ֥וא חֶבְר֖וֹן בְּאֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן וַיָּבֹא֙ אַבְרָהָ֔ם לִסְפֹּ֥ד לְשָׂרָ֖ה וְלִבְכֹּתָֽהּ׃

Toen Sarah stierf in Kirjath-Arba, dat is Chewron – in het land Kanaän, kwam Abraham om te weeklagen over Sarah en om haar te bewenen.

Torah-studenten die reeds lang met de Torah bezig zijn weten dat Rashi, evenals andere commentatoren, zich afvragen waarom haar dood op de manier wordt beschreven die hierboven in Genesis 23:1 wordt beschreven. In zijn eigen vertaling en commentaar op de Torah vertaalt professor Everett Fox het vers nauwkeuriger vanuit het Hebreeuws:

Sarah’s leven duurde honderd, en twintig, en zeven jaar, dus de jaren van Sarah’s leven.

Het is bijna alsof drie levens tot één geheel zijn verweven. Zoals door de hele vertaling heen van professor Fox het geval is, opent het spiegelen van de Hebreeuwse formulering voor ons laag op laag aan betekenis. Het eindresultaat is natuurlijk hetzelfde: Sarah stierf op 127-jarige leeftijd. We weten echter dat een leven niet alleen wordt afgemeten aan de lengte ervan. En zoals we allemaal weten, vanuit onze eigen levensreis, heeft ieder leven hoofdstukken, begin- en eindpunten, en vaak meer dan een enkele rechte lijn die we volgen.

Rashi baseert zich op een passage uit de midrash en becommentarieert:

HET LEVEN VAN SARAH BESLOEG 127 JAAR (letterlijk: 100 jaar, 20 jaar en 7 jaar) — De reden dat het woord shana bij elk getal staat, is om aan te geven dat elk getal op zichzelf moet worden uitgelegd als een volledig getal: op honderdjarige leeftijd was ze als een vrouw van twintig voor wat betreft zonde, want net zoals men haar op twintigjarige leeftijd kan beschouwen als iemand die nooit gezondigd heeft, omdat ze toen nog niet de leeftijd had bereikt waarop ze gestraft kon worden, zo was ze ook zonder zonden toen ze honderd jaar oud was, en toen ze twintig was, was ze net zo mooi als toen ze zeven was.

Wat dichter op onze tijd stelt rabbijn Adin Steinsaltz:

Een letterlijke weergave van het vers zou luiden: Het leven van Sarah besloeg honderd jaar, en twintig jaar, en zeven jaar, de levensjaren van Sarah. Sommige commentaren leggen uit dat de herhaling van “jaar” in het vers leert dat Sarah in elke fase van haar leven, of ze nu zeven, zevenentwintig of honderd was, dezelfde goede eigenschappen vertoonde. De afsluitende zin, “de jaren van Sarah’s leven”, geeft aan dat ze in elk van die fasen een vol en compleet leven leidde.

Mijn ervaring is dat degenen onder ons die het Mussar-pad bewandelen door middel van studie en praktijk, dat doen terwijl we zoeken naar wat rabbijn Steinsaltz aan Sarah toeschrijft wanneer hij opmerkt dat ze gedurende alle fasen van haar leven “een vol en compleet leven leidde”. Een belangrijk doel is inderdaad het streven naar shlemut / heelheid.

Dit speelde zich sterk af in mijn hoofd toen ik afgelopen vrijdagochtend een begrafenisdienst bijwoonde van iemand die ik al jaren niet had gezien. Zijn naam was Setti, en ik had hem voor het eerst leren kennen toen hij samen met een vriend verschillende keren mijn voormalige gemeente bezocht voor de shabbatdienst. Na die eerste ontmoetingen ontstond er een vriendschap tussen ons, en toen hij gedurende twee termijnen als burgemeester werd gekozen, breidden we die relatie uit naar het snijvlak van zijn werk als burgemeester en het mijne als actief lid van de plaatselijke vereniging van geestelijken.

Zijn dood op 55-jarige leeftijd kwam plotseling en onverwacht. Het bracht mijn voormalige gemeente tot stilstand, omdat hij in zijn veel te korte jaren zoveel mensen had geraakt. Terugreizend naar de gemeente om de dienst bij te wonen, vertrok ik en arriveerde vroeg, rekening houdend met een grote menigte en de mogelijkheid dat er niet in de buurt geparkeerd kon worden. Zoals ik vaak doe, nam ik een Mussar sefer mee, in de veronderstelling dat ik wel een tijdje zou moeten zitten wachten. Zittend in de relatieve stilte van de grote gebedsruimte, begon ik onze portie over Sarah’s dood opnieuw te bestuderen. Pas tijdens de dienst zelf werd ik getroffen door de samenloop van gedachten en gevoelens bij het verwerken van Parasha Chayei Sarah, te midden van de liefdevolle eerbetonen aan Setti van leden van de gemeenschap en zijn familie.

We kunnen niet echt weten hoe we de data en leeftijden die in Genesis staan ​​opgetekend, moeten bezien. Sarah stierf duidelijk op hoge leeftijd, 127 jaar, zoals de Torah ons vertelt. Setti leefde nog niet half zo lang, en toen ik zijn twee tienerkinderen zag, die ik al lange tijd niet meer had gezien, was het hartverscheurend.

In Shiurei Chumash Bereishit leert rabbijn Shlomo Wolbe:

Over “op haar honderdste was ze als twintig wat betreft zonde” is er een chiddush / een nieuw idee. Maar wat voor chiddush is er in de uitspraak dat ze op haar twintigste net zo mooi was als op haar zevende? Bovendien impliceert dit dat het symbool van yofi / schoonheid een zevenjarig meisje is, terwijl een oudere jonge vrouw mooier is!

In de ogen van onze Wijzen is yofi / schoonheid eerder een innerlijke kwestie, omdat het verwijst naar reinheid van zonde. Het opmerkelijke aan Sarah was dat ze zelfs op haar twintigste, de leeftijd waarop mensen doorgaans vatbaar zijn voor zonde, zo zuiver was als een zevenjarige die nog nooit zonde had geproefd. En deze innerlijke schoonheid was uiterlijk zichtbaar, want, zoals er geschreven staat: “De wijsheid van een mens doet zijn gezicht stralen.”

Rav Wolbes leraar, Rav Yerucham Levovitz, biedt ook inzicht in ons vers:

De waarheid is dat zelfs in iemands fysieke vorm de spirituele en morele heelheid van het individu tot uitdrukking komt en onthuld wordt. Wanneer iemand spiritueel heel is, moeten al zijn of haar fysieke ledematen eveneens heel zijn. Schoonheid is, volgens de Torah, een uitdrukking van shlemut / heelheid.

Luisterend naar de eerbetonen aan Setti, en in gesprek met degenen die ik in veel gevallen al meer dan acht jaar niet had gezien, werd ik getroffen door de kracht van de lessen van onze traditie over de formulering in vers 1 over Sarah’s dood. Weinigen onder ons ervaren een leven zonder ups en downs; zonder uitdagingen; en zonder groei. Werkelijk, onze studie en beoefening van Mussar herinnert ons er voortdurend aan dat we op reis zijn. Hopelijk brengt onze reis ons op de lange termijn naar een hoger niveau en naar kedushah / heiligheid.

Als we eerlijk zijn tegen onszelf, en ik kan me niet voorstellen dat Mussar-zielenwerk effectief is als we dat niet zijn, is niemand van ons perfect. Als we nadenken over Sarah’s leven en veel bewonderenswaardige kwaliteiten zien, middot in onze context; zij was niet perfect. Zij, samen met Abraham, vertegenwoordigt hachnasat orchim / gastvrijheid. Omdat ze een nomadisch en onzeker leven leidt, kunnen we zeker voorbeelden van gevurah / kracht in haar verhaal vinden. Geconfronteerd met onvruchtbaarheid was ze, in de geest van anavah / nederigheid, in staat haar eigen ego opzij te zetten om Abraham een ​​kind te laten krijgen met haar dienstmaagd Hagar. En ze toonde zeker loyaliteit en toewijding aan haar man (en zoon). Als we er verder over nadenken, kunnen we ook haar zwakheden en tekortkomingen opmerken. Dat is echter niet wat we doen als we reflecteren bij iemands overlijden.

Zo ook hoorden we tijdens de begrafenis op vrijdag, toen we hoorden over Setti’s vele prestaties en bewonderenswaardige kwaliteiten, af en toe een opmerking die ons eraan herinnerde dat hij volledig menselijk was, en niet perfect. Een deel van wat ik bewonderde in mijn burgemeester en vriend was zijn uitbundige positiviteit en doorzettingsvermogen. Zijnde een gelovig mens zag hij werkelijk ieder mens als een weerspiegeling van het Goddelijke; en hij was constant bezig om het leven van mensen in zijn familie, de gemeenschap en het land te verbeteren. Zittend met leden van mijn voormalige gemeente, en zelfs in gesprek met mensen die ik voor het eerst ontmoette, zag ik burgemeester Setti in een nieuw licht, als een levende belichaming van de waarden en doelstellingen waar wij, die Mussar bestuderen en beoefenen, elke dag naar streven.

Tegen het einde van onze parasha lezen we ook over de dood en begrafenis van Abraham, door zijn twee zonen Ismaël en Isaak. Twee belangrijke sterfgevallen in onze parasha, in één week; en voor mijn voormalige gemeente, en zoveel vrienden, nog een belangrijk overlijden. Mogen de herinneringen aan elk van deze figuren, elk van hen een bron van inspiratie voor mij persoonlijk, tot zegen zijn.

TER FOCUS:

  • Wie zijn de figuren in jouw leven die je, bij nadere beschouwing, kunt zien als een belichaming van middot waaraan je probeert te werken in je zielscurriculum?
  • Voortbordurend op deze reflectie, van wie leer je, of heb je  veel geleerd, over enkele belangrijke middot tijdens je reis?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Vayera

Wat zijn de parashiot rijk in deze tijd! Zoveel verhalen en ingewikkeldheden om over na te denken! Mijn reflectie dit jaar komt voort uit een observatie van een lid van een van mijn Va’adim, met wie ik al jaren de Mussar-reis deel. De focus ligt op het deel van onze parasha in Genesis hoofdstuk 21, dat we nog maar kort geleden ook lazen op de eerste dag van Rosj HaShana. Na de geboorte van Isaak lezen we in Genesis 21:10-11 dat Sarah eiste dat Abraham Hagar en Ismaël uit het kamp van de familie zou verbannen:

Sarah zag de zoon die Hagar, de Egyptische, aan Abraham had gebaard, spelen.

Ze zei tegen Abraham: “Stuur deze slavin en haar zoon weg, want de zoon van die slavin mag geen mede-erfgenaam zijn met mijn zoon Isaak.”

Abrahams reactie is opmerkelijk:

De kwestie verontrustte Abraham enorm, want het ging om een zoon ​​van hem. Maar God zei tegen Abraham: “Wees niet bezorgd over de jongen of uw slaaf; wat Sarah u ook zegt, doe wat zij zegt, want door Isaak zal er voor u nageslacht zijn. En wat de zoon van de slavin betreft, ook hem zal Ik tot een volk maken, want hij is uw nageslacht.”

De volgende ochtend vroeg nam Abraham wat brood en een zak water en gaf die aan Hagar. Hij legde die over haar schouder, samen met het kind, en stuurde haar weg. En zij zwierf rond in de woestijn van Beër-Sjeva.

Een paar verzen later lezen we:

God hoorde de stem van de jongen, en een engel van God riep Hagar vanuit de hemel toe en zei tegen haar: “Wat scheelt eraan, Hagar? Vrees niet, want God heeft geluisterd naar de stem van de jongen daar waar hij is. Sta op, neem de jongen en houd hem stevig aan de hand, want tot een groot volk zal Ik hem maken.”

Ons Va’ad-lid deelde een inzicht over de tweede van deze twee verzen, afkomstig uit de dossiers van haar overleden vader, wijlen rabbijn Harold Kushner, waarvan ze de tekst van een d’rasha hierover had ontdekt. ​​Rabbijn Kushner leert dat God de last met Hagar deelt, aangezien God Hagar beveelt de hand van haar zoon vast te houden en hem op te tillen.

Met die gedachte in mijn achterhoofd voelde ik me gedwongen om de Mussar-commentaren erop te onderzoeken. Ik zal niet beweren dat mijn zoektocht volledig uitputtend was, maar ik ontdekte dat geen van de Mussar-boeken die ik bezit iets over dat vers te zeggen had. Het bredere verhaal – ja, dat vers – nee.

Het eerste wat me te binnen schoot toen ons Va’ad-lid sprak, was nose – a b’ol im chaveyro – de last delen met een ander, waarvan we weten dat een belangrijke Mussar-lering is, helemaal in de leer van Rabbi Simcha Zissel Ziv, de Alter van Kelm. In ons vers zegt God letterlijk tegen een moeder dat ze de hand van haar zoon moet pakken en hem moet optillen.

In een les van wijlen Rabbi Jonathan Sacks hoorde ik een weerklank:

Ismaël wordt geboren. Abraham is aan hem gehecht. Maar zijn bestaan ​​lijkt een verwijt voor Sara, en wanneer ze Isaak baart, vraagt ​​ze Abraham hem weg te sturen. Met tegenzin doet hij dat.

De scène die we op Rosj HaShana lezen, ontvouwt zich. Hagar en haar kind zijn in de woestijn. Hun water is op. Ze verstopt Ismaël onder een struik, te gekweld om hem te zien sterven. En op het bijna uiterste moment: “God hoorde de jongen huilen. Gods engel riep Hagar vanuit de hemel en zei tegen haar: Wat is er aan de hand, Hagar? Wees niet bang. God heeft de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is. Til de jongen op en neem hem bij de hand, want Ik zal hem tot een groot volk maken.”

De stem breekt in op een bijna ondraaglijk moment. Ismaël is, achtereenvolgens, verstoten door Sarah, vervolgens door Abraham en ten slotte door Hagar. Hij werd als het ware geboren uit de verkeerde ouders. Hij heeft geen deel aan de bestemming die voor het nageslacht van Abraham is uitgestippeld. Zijn tranen op het punt van sterven, hoewel het tranen van een kind zijn, behoren bijna tot objectieve wanhoop. Er is voor hem geen plaats in het verhaal.

Omdat we dit verhaal twee keer per herfst horen, weten we dat het een hartverscheurend verhaal is, maar tegelijkertijd ook een cruciale stap in het zich ontvouwende verhaal dat de Torah, en Genesis in het bijzonder, wil vertellen.

Rabbi Sacks voegt er een kritische noot aan toe:

De engel vertegenwoordigt daarom een ​​genade die even radicaal als totaal is. “Hoewel mijn vader mij afwijst, zal de Heer mij ontvangen.” Er bestaat geen afwijzing die Gods afwijzing omvat.

Naast Nose-a b’ol im chaveyro kon ik niet anders dan een resonantie voelen met de middot kavod / eer; rachamim / mededogen; chesed / liefdevolle vriendelijkheid; en andere.

In Michtav Mey-Eliyahu geeft rabbijn Eliyahu Dessler commentaar op de “verbanning van Hagar en Ismaël”. Opmerkend dat deze episode vormt wat onze Wijzen de negende van de tien nisyonot / beproevingen noemen die Abraham van God onderging als middel om zijn geloof vast te stellen, aangezien God hem had uitgekozen om de stamvader van ons volk te zijn, citeert Rav Dessler een Midrash in zijn les:

Avrahams negende beproeving – de laatste vóór zijn laatste en grootste beproeving, de Akeidah – was toen de Heilige hem opdroeg naar Sarah te luisteren en zijn dienstmaagd Hagar en haar zoon “weg te sturen van mij en mijn zoon Isaak, van deze wereld en de volgende.” De Midrash voegt eraan toe: “En van alle tegenslagen die Avraham tijdens zijn leven waren overkomen, was dit voor hem de ergste.”

Een interessante uitspraak gezien de talloze uitdagingen waarmee Abraham tijdens zijn leven te maken krijgt, zoals we elke herfst in de Torah lezen. Rav Dessler vervolgt:

God gaf Avraham, de grootste ba’al chesed [meester van liefdevolle vriendelijkheid] in de hele schepping, vele beproevingen die te maken hadden met de kwaliteit van gevurah / kracht. Hij koesterde grote liefde voor zijn zoon Ismaël; en zelfs nadat Isaak geboren was, nam zijn genegenheid voor Ismaël niet af. Het bevel om hem uit zijn huis te verbannen was een zware klap voor Avraham… Zijn kwaliteit van gevurah werd duidelijk aangetoond door de manier waarop hij deze taak uitvoerde.

Immers Abraham zorgde, zoals we lezen, voor voedsel en water. Hij legde ze op Hagars schouder terwijl hij haar ook hielp de jongen op te tillen. Niet bepaald koud-hartige acties.

In deze uitdagende tijden lijkt het een goed idee om de middot nose’a b’ol im chaveyro te verbinden met chesed en gevurah. Ieder van ons heeft zijn eigen standpunten over de gebeurtenissen van onze tijd. We weten dat we ernaar moeten streven een aantal middot te gebruiken, omdat onze opvattingen en de integratie daarvan in conflict komen met die van anderen. Kavod / eer, sh’miat ozen / aandachtig luisteren, sh’tikah / stilte, evenals zerizut / bereidwilligheid / enthousiasme, wanneer we woorden kunnen spreken en daden kunnen ondernemen om anderen te helpen in tijden van worsteling.

De verhalen die we in dit seizoen in de Torah lezen, en onze patriarchen en matriarchen, gingen ons voor als voorbeelden van menselijke strijd, streven en groei. We leren elk jaar opnieuw van hun levens, hun sterke punten, maar ook van hun tekortkomingen. Terwijl we dat doen, biedt het ons de gelegenheid om te reflecteren op ons eigen leven, onze sterke punten en waar we ruimte hebben voor groei en verbetering. In deze tijd, niet alleen van Torah-lezen, maar ook van persoonlijke, maatschappelijke, nationale en wereldwijde uitdagingen, doen we er goed aan om de wijsheid van de rabbijnen Dessler, Sacks en Kushner te horen, gebaseerd op een deel van onze parasha dat, gezien alles wat eromheen staat in deze uitgebreide lezing, gemakkelijk over het hoofd is te zien.

Onze tijd en uitdagingen roepen ons – lees het niet zomaar en ga niet snel verder vanaf dit tafereel. Denk erover na en kijk waar je een ander kunt helpen met chesed, gevurah en rachamim.

TER FOCUS:

  • Hoe is Abraham een Mussar-model voor jou? Welke middot leer je van de verhalen over zijn leven?
  • Is er een situatie of relatie in je leven waarin je het door de lens zou kunnen bekijken van Nose b’ol im chaveyro en chesed, zodat je je kunt inzetten om een ​​ander te helpen?
  • Hoe verhoud je je tot gevurah / kracht in het streven om te overwinnen wat je ervan weerhoudt Abrahams voorbeeld te volgen?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Lech L’cha

Nu we ons opnieuw op Sefer Bereishit hebben gericht, openen we nu de verhalencyclus die ons in de rest van het boek zal laten kennismaken met onze patriarchen en matriarchen. Ons gedeelte wordt geopend met:

וַיֹּ֤אמֶר יְהֹוָה֙ אֶל־אַבְרָ֔ם לֶךְ־לְךָ֛ מֵאַרְצְךָ֥ וּמִמּֽוֹלַדְתְּךָ֖ וּמִבֵּ֣ית אָבִ֑יךָ אֶל־הָאָ֖רֶץ

De Eeuwige zei tot Awram: ‘Ga weg uit je land, van je geboortegrond en uit het huis van je vader, naar het land dat ik je zal aanwijzen.

וְאֶֽעֶשְׂךָ֙ לְג֣וֹי גָּד֔וֹל וַאֲבָ֣רֶכְךָ֔ וַאֲגַדְּלָ֖ה שְׁמֶ֑ךָ וֶהְיֵ֖ה בְּרָכָֽה׃

Ik zal je tot een groot volk maken, je zegenen en je naam groot maken. Word een zegen!

וַאֲבָֽרְכָה֙ מְבָ֣רְכֶ֔יךָ וּמְקַלֶּלְךָ֖ אָאֹ֑ר וְנִבְרְכ֣וּ בְךָ֔ כֹּ֖ל מִשְׁפְּחֹ֥ת הָאֲדָמָֽה׃

Ik zal zegenen die jou zegenen en die jou vervloekt zal Ik vervloeken en door jou zullen gezegend worden alle geslachten van de aarde.

Dit is een nogal intens en indrukwekkend begin van het verhaal van ons volk, zoals dat zich vormt beginnend met Avram en Sarai. Mussar-thema’s komen in deze openingsverzen frequent voor. Lech Lecha – “Ga heen”, hoewel een meer letterlijke vertaling “ga naar jezelf” zou kunnen zijn. Als studenten weten we dat ons spirituele werk in de studie en beoefening van Mussar  in veel opzichten een vorm van zelfontdekking is.

In Da’at Torah geeft Rav Yerucham Levovitz ons inzicht in de zegeningen waarnaar in verzen 2 en 3 wordt verwezen. Hij begint met een verwijzing naar een les van Rasji:

Rasji legt uit: De zegeningen zijn jullie ter hand gesteld; tot nu toe waren ze in de Mijne. Ik zegende Adam en Noach, maar vanaf nu zul jij zegenen wie je maar wilt.

Een nogal dramatische overdracht van het vermogen om zegeningen te geven. Rav Levovitz vervolgt:

De betekenis van והיה ברכה – “wees tot zegen” is verbonden met het woord בריכה (“zwembad” of “reservoir”). Natuurlijk weten we dat een poel een bron moet hebben van waaruit het water stroomt.

Zoals uitgelegd in Midrasj Bereishit Rabbah: “U zult tot zegen zijn [bracha]” – moet gelezen worden als “een poel [b’richa].” Net zoals een poel de degenen die onrein zijn reinigt, zo trekt u, Abraham, de mensen die veraf staan dichterbij en reinigt hen voor hun Vader die in de Hemel is.

Een krachtig beeld, gepaard gaande met een ontzagwekkende verantwoordelijkheid. Rav Levovitz vervolgt:

Dit is wat de Schrift bedoelt met “U geeft Abraham liefdevolle vriendelijkheid.” Abraham zelf werd de strijdwagen van de goddelijke eigenschap liefdevolle vriendelijkheid (chesed). Zijn hele wezen was een bron, een fontein van het goede. Zijn hele wezen was uitsluitend gewijd aan het geven en schenken van goedheid aan anderen. Dit is de innerlijke betekenis van “jij zult tot zegen zijn” – dat hij een levend reservoir en kanaal van zegen werd, zodat door hem allen, die hij wenste te zegenen, ook daadwerkelijk gezegend zouden worden, aangezien de kracht om te zegenen in zijn handen werd gelegd en uit hem voortvloeide.

Hij voegt eraan toe:

Dit wordt later in Genesis herhaald, wanneer mensen tegen hun kinderen zeggen: “Wees als Abraham”, en wanneer Jakob zijn kleinkinderen zegent met de woorden: “Door jou zal Israël zegenen, zeggende: Moge God je maken als Ephraïm en Manasse.” Maar wat betekent het om specifiek gezegend te worden als Abraham? Het betekent dat Abraham zelf de vorm en substantie van zegen wordt – alleen al het aanroepen van zijn naam brengt zegen in de wereld.

Zo wordt geleerd dat iedereen die ook maar het kleinste muntje van Abraham ontving, gezegend zou worden. Evenzo zou iedereen die zaken deed, of met Abraham omging, zich door hem gezegend voelen. De pure chesed / vriendelijkheid van Abraham werd een bron die iedereen die hem benadert verrijkt.

In Shiurei Chumash werkt rabbijn Shlomo Wolbe de les van zijn leraar verder uit:

De mashgiach, van gezegende herinnering, legde meestal een ​​andere nuance in het vers van והיה ברכה – “jij zult tot zegen zijn” – uit. De bewoording impliceert dat Abraham zelf een bron van zegen zou worden. Elders bracht Rav Yerucham een leer van de Wijzen over die stelt dat de zegen van Abraham zelfs voorafgaat aan de zegen van de Heilige. In de Amidah komt de zin m’chayei meitim – “Die de doden doet herleven” alleen voor in de tweede zegen, terwijl magein Avraham – “Schild van Abraham” in de eerste zegen voorkomt. Uit de woorden van onze Wijzen blijkt daarom duidelijk dat deze eerste zegen letterlijk “de zegen van Abraham” wordt genoemd.

Rav Wolbe stelt:

De mashgiach legde uit dat hier sprake is van een belangrijk principe met betrekking tot gebed: zonder de aartsvaders zouden we absoluut niets weten over de Schepper van het universum. We hebben geen onafhankelijk idee van wat “God” is. “De God van Abraham” van Abraham verschaft ons enig begrip. “De God van Isaak” — van onze voorvader Isaak krijgen we aanvullend begrip, want de Torah vertelt ons over de Akeida en ook in andere passages over Isaak. Zo ook met “de God van Jacob”.

Hieruit concludeerde de mashgiach dat wanneer iemand zich tijdens het gebed concentreert, hij of zij de nadruk niet op het woord Elohei (‘God van’) moet leggen, omdat Elohei op zichzelf geen betekenis heeft.

Samenvattend leren we uit de opening van onze parasha dat Abraham niet alleen door God werd geroepen om een ​​volk en een natie op te bouwen, te beginnen met hem en zijn vrouw Sara. Abraham speelt ook de belangrijke rol als doorgeefluik voor zegeningen voor anderen. Als zijn nakomelingen hebben ook wij de verantwoordelijkheid om de vruchten van b’rachot / zegeningen te dragen – bijvoorbeeld door chesed / liefdevolle vriendelijkheid, kavod / respect en nedivut / vrijgevigheid. En wij allen kunnen iedere andere middah bedenken die relevant is voor hoe we de missie om tot ​​zegen te zijn te benaderen en te vervullen, die in de portie van deze week begint met onze voorvader.

Na de afgelopen jaren, waarin we als volk zo geschokt zijn, willen we heel graag het gevoel hebben dat we een zegen zijn voor de wereld om ons heen. We zijn voort gegaan en kunnen door gaan. Moge het begin van deze vroegste verhalen van ons volk ons ​​inspireren om Abrahams taak – en die van ons volk – voort te zetten: een bron van zegen zijn voor de mensen om ons heen en voor onze wereld.

TER FOCUS:

  • Aan wie in jouw leven zou je kunnen denken die een bron van zegen voor jou is geweest?
  • Op welke manier was jij de afgelopen week een doorgeefluik voor zegen in het leven van een ander?
  • Hoe zou je jezelf kunnen voorbereiden om de komende week een doorgeefluik voor zegen te zijn – voor jezelf? Voor je familie? Buiten je directe relatiekring?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Noach

Soms is het de moeite waard om een ​​eerder geschreven artikel nog eens te bekijken. Maar is dat ook niet het karakter van hoe we Torah bestuderen? Om nog maar te zwijgen van hoe we Mussar bestuderen en beoefenen. Het artikel van deze week is een update van ons artikel van de week van Parasha Noach 2021.

In Genesis 6:13 lezen we:

וַיֹּ֨אמֶר אֱלֹהִ֜ים לְנֹ֗חַ קֵ֤ץ כׇּל־בָּשָׂר֙ בָּ֣א לְפָנַ֔י כִּֽי־מָלְאָ֥ה הָאָ֛רֶץ חָמָ֖ס מִפְּנֵיהֶ֑ם וְהִנְנִ֥י מַשְׁחִיתָ֖ם אֶת־הָאָֽרֶץ׃

Toen zei God tegen Noach: “Het eind van alle wezens is voor Mij gekomen, want door hen is de aarde vol gewelddaden. Ik ga hen dus, met de aarde, vernietigen.

Rav Eliyahu Dessler suggereert dat de hele kwestie van de zondvloed te maken heeft met de realiteit van wat er gebeurde in Gods schepping, zoals beschreven in ons vers hierboven

– כִּֽי־מָלְאָ֥ה הָאָ֛רֶץ חָמָ֖ס – de hele aarde is gevuld met hamas. Rav Dessler volgt de Aramese vertaling van Onkelos, vaak een nuttige bron voor het begrijpen van unieke woorden zoals hamas in ons vers. Onkelos vertaalt het woord als חֲטוֹפִין, wat kan worden begrepen als “wegrukken” of “bemachtigen”. Rav Dessler stelt dat de Seder / Orde in Gods wereld is weggerukt en dat het resultaat een wetteloze wereld is waarin geen grenzen of fatsoen bestaan. Rav Dessler leert dat de zondvloed komt om ons te onderwijzen over de gevolgen van een wereld vol met dergelijke hamas. In zijn woorden: “hamas leidt tot een situatie waarin alles zichzelf vernietigt.”

Overbodig om te zeggen dat we dat kunnen lezen door een andere bril vanuit de afgelopen twee jaar. Maar de lessen van Rav Dessler zijn tegenwoordig nog belangrijker!

Hij legt uit dat de enige mogelijke redding uit de omstandigheden die tot de Zondvloed leidden, mogelijk is door middel van het tegenovergestelde van hamas, wat hij definieert als koach ha-chesed / de kracht van chesed / liefdevolle vriendelijkheid. Hij toont Noach en zijn familie, “slechts acht zielen”, die door hun daden van chesed erin slagen duizenden levende wezens te redden en te verzorgen. Ze handelden dag en nacht met chesed, gedurende een heel jaar.

Midrash Genesis Rabba 30:6 beschrijft deze buitengewone vorm van chesed als volgt:

De twaalf maanden die Noach in de ark doorbracht, proefde hij het genoegen van slaap niet, niet overdag en niet ’s nachts, want hij was bezig de zielen die bij hem waren te voeden.

Rav Dessler beschrijft Noachs chesed-daden als “gemilut chasadim, die ongeëvenaard zijn”. Noachs chesed was de spirituele dimensie van de ark en de “kostbare steen die haar verlichtte”. Dit was wat hem en zijn familie beschermde tijdens de zondvloed, waardoor de ark en iedereen aan boord werden beschermd tegen vernietiging door de woeste wateren.

In zijn les maakt Rav Dessler een onderscheid tussen Noachs daden van chesed en die van onze patriarch, Avraham, die we in de parasha van volgende week tegenkomen. Hij merkt op dat Noach ish tzaddik (een man van rechtschapenheid) wordt genoemd, terwijl de aanduiding ish chesed (een persoon van chesed) voorbehouden is aan Avraham. Rav Dessler probeert de daden van chesed die Noach verrichtte in de Ark niet te bagatelliseren. Hij zegt dat Noachs handelingen neerkomen op tzedek, het juiste doen. Noach vervulde zijn verplichting zoals geboden door God. Zijn chesed kwam echter niet voort uit een overvloedig verlangen om te geven. Noachs chesed was reactief. Hij hielp anderen alleen wanneer zij naar hem toe kwamen of als hij zich daartoe verplicht voelde. Rav Dessler contrasteert dit met de chesed van Avraham, die geen handelingen van chesed verrichtte uit verplichting. Integendeel, Avraham voelde een brandend verlangen om te geven. Zijn chesed onderscheidt zich van die van Noach omdat zijn chesed proactief was.

Rav Dessler gaf uitgebreid les over het belang van chesed. Kuntres HaChesed, de “Verhandeling over Liefderijke Goedheid”, wordt inderdaad beschouwd als een belangrijk onderdeel van zijn corpus van lessen. Hij leert ons:

Toen de Almachtige de mens schiep, schiep God hen met de mogelijkheid in staat te zijn om zowel te geven als te nemen. Het vermogen om te geven is een sublieme kracht; het is een van de middot van de gezegende Schepper van alle dingen. De Ene Boven is de Gever bij uitstek; Gods genade, Gods overvloed en Gods goedheid strekken zich uit tot al Gods schepselen. Gods geven is puur geven, want de Ene Boven neemt niets terug… Ons is deze sublieme mogelijkheid van geven geschonken, waardoor ook wij barmhartig kunnen zijn, geluk kunnen schenken en onszelf kunnen geven. Dit is een toevoeging aan wat we in de parasha van vorige week lazen: ‘God schiep de mens naar Gods evenbeeld.’

Rav Dessler benadrukt dat we onszelf moeten uitdagen om verder te reiken dan simpele chesed, zoals die van Noach en zijn familie, hoe prijzenswaardig die ook mag zijn. Ons doel moet zijn om te streven naar chesed gemurah, volledige chesed die door en door is. Ons rolmodel voor dit niveau van chesed zal volgende week centraal staan.

In onze tijd is het nodig dat we chesed / liefdevolle vriendelijkheid cultiveren en uitbreiden waar we ook maar kunnen. Overbodig te zeggen dat het overal hard nodig is – en allen moeten mee doen aan het vergroten ervan!

TER FOCUS

  • Waar zie je op dit moment voorbeelden van chesed in de wereld?
  • Wat zou je kunnen noemen als voorbeelden van Rav Desslers beschrijving van Noachs chesed?
  • Welke stappen zou je deze week kunnen zetten om te bereiken wat Rav Dessler beschrijft als chesed gemurah / volledige (of totale) chesed – voor jezelf? Voor de mensen om je heen? Voor onze grote wereld als geheel?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Bereishiet

Er Gebeurde Iets Grappigs op de Terugweg naar de Tuin!

Ik blijf me verbazen dat wanneer ik een leerstelling uit onze traditie bestudeer, deze vaak een relevante les oproept voor het seizoen en/of de omstandigheden. Of de parasha van de week! Dit heb ik bijna altijd ervaren tijdens mijn studie en beoefening van Mussar. Nu na onze Yamim Noraim achter ons, zijn mijn chevruta-partner en ik vorige week weer begonnen met onze wekelijkse studie. We zijn bijna aan het einde van Rabbi Shlomo Wolbe’s Pirkei Kinyan Da’at – een verzameling van zijn toespraken en lessen over da’at, wat ik hier zal vertalen als spirituele kennis van het volledige zelf.

We waren bezig met het afronden van een hoofdstuk over twee toespraken die Rav Wolbe rond Poerim in 1995 hield. Toen we ons in zijn lessen verdiepten, realiseerden we ons dat hij ook over de parasha van deze week sprak. Ja, zelfs midden in een Poerimschmooze sprak Rav Wolbe over de twee bomen in Gan Eden, zoals we lezen in hoofdstuk 3 van Genesis. Daarover later meer.

Rav Wolbe begint met Poerim:

Poerim is een dag die volledig in het teken van ahavah / liefde – de liefde voor genade, het ontvangen van de Torah uit liefde, liefde voor God en liefde voor Gods schepselen staat. Op die basis werden alle mitswot van de dag vastgesteld: het lezen van de Megillah, matanot l’evjonim / geschenken aan de armen, mishloach manot / het sturen van voedselgeschenken, en de feestmaaltijd en vreugde. Op deze dag wordt de totaliteit van Israël onthuld in al zijn majestueuze schoonheid en perfectie – in het aspect van Shoshanat Ja’akov, de mooiste bloem qua uiterlijk en geur. Bovendien werd voor hen een poort geopend naar de innerlijke dimensie van de Torah en de mitswot – “De Joden hadden licht, vreugde, blijdschap en eer” – de innerlijke essentie van de heilige Torah is licht, misschien een verborgen licht.

Een chag is vreugde, “En Israël zal zich in U verheugen”, dat wil zeggen, in de blijdschap in het verbond van de Heilige… Deze dag van heelheid van het volk Israël en de openbaring van de innerlijke diepte van de Torah is alleen te vinden op Poerim; geen enkel ander feest onthult dit aspect van de essentie van Klal Yisrael / het collectief van Israël.

Voor zo’n dag is een groot inzicht vereist. Rava zei dat men verplicht is om op Poerim dronken te worden totdat men geen onderscheid meer kan maken tussen “Vervloekt is Haman” en “Gezegend is Mordechai.”

Helemaal prima – zowel een geheugensteuntje als een inspiratie voor hoe Poerim te benaderen. Toch maakt Rav Wolbe vervolgens een scherpe bocht en begint een deel van de Torah-lezing van deze week te bespreken:

Ik heb van mijn vereerde leraren, wiens herinnering een zegen zij, geleerd dat Klal Yisrael op Poerim ernaar streeft om de Etz Ha-Da’at – de Boom van Kennis van goed en kwaad – te overstijgen en te reiken naar de Etz haChayim – de Levensboom.

Zoals vermeld in Talmoed Hullin: “Waar in de Torah wordt naar Haman verwezen? In het vers: “Heb je gegeten van de boom waarvan ik je had verboden te eten?” Zo onthult het eten van de boom tot welk niveau van slechtheid een mens kan afdalen middels het vermogen om te kiezen tussen goed en kwaad.

En dan gaat Rav Wolbe dieper in op de situatie, met woorden die in deze tijd heel krachtig kunnen resoneren:

De val van Haman is tevens het einde van de Perzische ballingschap, en elke keer dat een ballingschap eindigt, bevat het een voorproefje van de uiteindelijke verlossing, waarin de macht van het kwaad volledig teniet wordt gedaan.

Na de verlossing die we ervoeren op wat we nu kennen als Poeriem, kreeg het volk Israël te maken met een toestand waarin het kwaad volledig tenietgedaan is, zodat er geen ruimte meer is om te kiezen tussen goed en kwaad. Er is geen grotere schande voor ons dan dat het mogelijk zou zijn, God verhoede, om het kwaad te kiezen. Mijn leraar, gezegend zij hij, zei altijd dat het uiteindelijke doel van de vrije wil is om geen andere keuze te hebben dan het goede. Op Poeriem verlangen we ernaar om dichter bij de Etz HaChayim te komen – bij de Levensboom.

Geen slechte les. Als we dit koppelen aan Rav Wolbes nadruk op Hitlamdut – leren van onze eigen levenservaringen – is het logisch dat hij ons aanspoort om van Poerim te leren dat we, na onze redding uit de handen van Haman en zijn nageslacht, keuzes moeten maken terwijl we verder leven na de bijna-vernietiging van ons volk. Maar zo eenvoudig is het niet. Hij vervolgt:

Hoe bereik je dat? Zolang onze kennis deze richting nastreeft, zal onze da’at (spirituele kennis van het hele zelf) ons steeds meer leiden naar het kiezen van het goede. We kunnen echter niet ontsnappen aan het kader van de noodzaak om keuzes te maken.

Etz ha-Chayim – de Levensboom – is een nieuw niveau van levende Torah en kedushah / heiligheid – wat het hoogste niveau van da’at / kennis is. Het is niet alleen kennis van keuze, maar kennis van het leven.

We hebben nu onze herfstcyclus van de Yamim Noraim en onze Chagim afgerond. Het is echt tijd om met hernieuwde moed en hernieuwde nesjamot / zielen het nieuwe jaar binnen te gaan. Gezien de gebeurtenissen van de afgelopen dagen gaan we ook voluit 5786 in met een gevoel van tikvah / hoop dat de nachtmerrie die twee jaar geleden begon toen we Simchat Torah vierden, tekenen van einde laat zien en mogelijkheden biedt voor genezing, wederopbouw en een terugkeer naar een volwaardig leven, zelfs in de schaduw van de al veel te grote verliezen van deze twee jaar.

Terugkerend naar Rav Wolbe, kan ik niet anders dan – in ieder geval voor mezelf – denken aan de hitlamdut die ik moet verwerken en waarvan ik moet leren in deze twee jaar. Wat is de da’at – spirituele kennis – die mij – en ons allemaal – kan ondersteunen terwijl we vooruitgaan, bewust van het verleden, hoopvol in het heden en gretig om de les van Rav Wolbe te omarmen terwijl we ernaar streven zijn woorden na te leven:

Etz ha-Chayim – de Levensboom – is een nieuw niveau van het leven in de Torah en kedushah / heiligheid. Mogen we inderdaad streven naar het hoogste niveau van da’at / kennis, niet alleen de kennis van keuze, maar een ware kennis van het leven.

TER FOCUS:

  • Welke spirituele inzichten heb je opgedaan tijdens de Heilige Dagen van dit jaar?
  • Hoe spreekt Hitlamdut jou op dit moment aan?
  • Welke middot vragen ​​om meer aandacht nu je voorbij de Yamim Noraim en Chagim gaat om volledig 5786 binnen te gaan?
  • Hoe ervaar je Tikvah op dit moment?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Shabbat Chol Ha-Moed Soekot

Deze Shabbat bevinden we ons midden in onze viering van Soekot. Dit is z’man simchateynu – “onze tijd van vreugde”. Sterker nog, in de rabbijnse literatuur wordt het feest vaak simpelweg Ha-Chag genoemd – “het feest”. Dit hangt samen met de traditionele opvatting dat dit onze tijd van blijdschap is. Rabbi Mordechai Becher geeft de volgende uitleg:

Soekot staat in de Torah ook bekend als Chag HaAsif, het feest van de samen komen, omdat het wordt gevierd in de tijd van het jaar dat de geoogste producten van het land naar de opslagplaatsen en huizen worden gebracht. Wanneer iemand de overvloed van zijn land verzamelt, wordt hij van nature vervuld van enorme vreugde en geluk.

Maimonides leert:

Een persoon is verplicht om in een staat van geluk (simcha) en goede geesten te zijn tijdens Soekot. Dit geldt ook voor iemands kinderen, iemands partner en iedereen die in iemands huis woont. Dit is afgeleid van het vers: “Wees blij op je feest – jij, je zoon, je dochter…” (Deuteronomium 16:14)

In Alei Shur biedt rabbijn Shlomo Wolbe een perspectief op hoe we deze z’man simchateynu – deze “tijd van onze vreugde” – moeten benaderen.

Hoewel het een mitswa is om op alle feestdagen vreugdevol te zijn, was er een extra niveau van vreugde in de Tempel tijdens Soekot, zoals er staat: “En verheugen jullie je zeven dagen voor de Eeuwige jullie God.” (Leviticus 23:40)

De extra vreugde van Soekot komt vlak na de dagen van oordeel en vergeving van zonden… De grootste vreugde is om rein te worden van overtredingen!

Elders leert Rav Wolbe:

Het seizoen van onze vreugde (זמן שמחתנו) tijdens Soekot is een direct gevolg van Rosh Hashana en Jom Kipoer. Nadat onze zonden vergeven zijn, wordt het mogelijk om werkelijk te juichen.

Iemand die blijft zondigen tot “zijn emmer overloopt”, verliest zijn recht op bestaan. Dit geldt ook voor alle volkeren ter wereld. God wacht tot hun emmer overloopt…

Maar voor het collectief van Israël gaf God Jom Kipoer, zodat we onszelf kunnen reinigen door teshoevah / berouw, zodat we nooit de staat van “emmer die overloopt” bereiken. Godzijdank hebben we de reiniging verdiend, en dit is de vreugde van “het seizoen van onze blijdschap”.

Hoewel ons feest bedoeld is om met simcha ons dichter bij de Heilige te brengen na de intensiteit van de Jamim Noraim, dient het er ook voor om ons eraan te herinneren dat we sterfelijk zijn en dat we een kwetsbaar leven leiden in een kwetsbare wereld. Toegegeven, er zijn in onze tijd te veel herinneringen daaraan.

In Siftei Chaim leert rabbijn Chaim Friedlander:

De Torah gebiedt ons onze permanente huizen te verlaten en tijdelijke huizen te betreden, naar een huis gebouwd van s’chach, het overblijfsel van de oogst dat op de velden is achtergelaten. Dit leert ons dat het noch het graan, noch de druiven zijn waarop we vertrouwen die ons veiligheid bieden. Zelfs het overblijfsel waaraan we weinig waarde hechten, kan ons onderdak en bescherming bieden als God dat wil. Dit moet ons geloof versterken dat God degene is die voor ons zorgt. Dit is de “verbanning naar de Soeka“, het verlaten van onze huizen om in Gods schaduw te leven, zodat we erkennen dat alles wat we mochten vergaren van het door ons bewerkte land, van God komt.

Een paar pagina’s verderop vervolgt Rav Friedlander:

De zeven dagen van het uitvoeren van de mitswa van het zitten in de soeka kunnen worden begrepen als een aspect van “bestendig zie ik de Eeuwige God voor mij” – leven in het besef van de Goddelijke Voorzienigheid. Dit is de essentie van “Opdat jullie toekomstige geslachten het zullen weten, dat Ik de Kinderen van  Israël in hutten heb laten wonen.” (Leviticus 23:43)

Elke generatie moet weten dat God de Joden in soekot heeft gevestigd. In werkelijkheid is er geen verschil tussen de situatie waarin wij ons vandaag de dag bevinden en de situatie van de Joden in de woestijn. Net zoals er in de woestijn geen natuurlijke mogelijkheid was om te bestaan, behalve met de hulp van God, Die hen leidde en beschermde met de Wolken van Glorie, op een manier die alle natuurlijke middelen te boven gaat; zo zitten wij in elke generatie in Gods schaduw en worden we beschermd door de “schaduw” van ons geloof.

Rav Friedlander voegt nog een extra spirituele dimensie toe aan wat we moeten leren door tijdens deze dagen van onze chag in onze soekot te verblijven:

Door de soeka worden we beschermd tegen alle kwaad, zoals de Zohar zegt: “Doordat ze in soekot zaten, werden ze beschermd tegen alle kwaad.” Terwijl we in de soeka zitten, worden we beschermd tegen de Jetzer HaRa / de kwade neiging, omdat we te allen tijde onder Gods bescherming staan. Hoe meer we ons werkelijk afhankelijk maken van God, hoe meer Goddelijke Voorzienigheid we verdienen.

Laten we terugkeren naar Rav Wolbe, die ons feest een verdere spirituele betekenis geeft door een boodschap te brengen over de Arba Minim – de vier soorten die we tijdens onze chag ter hand nemen:

Hemel en aarde, man en vrouw, ziel en lichaam – ze zijn tegenpolen. Ze staan ​​echter niet altijd tegenover elkaar: er zijn momenten waarop ze elkaar ten goede beïnvloeden, en er zijn momenten waarop ze volledig één zijn.

In elke verbinding van tegenpolen is er simcha, en dit is de plaats en de essentie van simcha: overal waar simcha aanwezig is, is er verbinding of eenwording.

Dit seizoen is bedoeld om ons in eenheid samen te brengen na de intensiteit van de Jamim Noraim. Onze wijzen vragen: “Wat is het belangrijkste symbool van ons feest?” De meesten zullen geneigd zijn te antwoorden: “De Soeka.” Anderen zouden kunnen stellen: de Loelav en Etrog (de Arba Minim – “ Vier Soorten”).

Ik heb ook wel eens horen zeggen dat het belangrijkste onderdeel dat kleine stukje palmblad is dat als bindmiddel dient om de verschillende takken die de loelav vormen bijeen te houden.

Misschien wel meer dan wat dan ook, is dit het deel dat we volgens mij nodig hebben nu we onze tijd van vreugde vieren en vooruitkijken naar de laatste herfstfeesten die de komende dagen plaatsvinden. We moeten onze verbondenheid met elkaar voelen. Onze wereld is een wereld waarin zoveel uit elkaar wordt gescheurd en zovelen elkaar niet eens kunnen verdragen. In deze tijd van toenemend antisemitisme moeten wij Joden onze verbondenheid voelen nu we 5786 echt ingaan. Moge het een jaar van hoop, genezing, vreugde en shlemut zijn!

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.