Parasja Re’eh

Kies voor het leven

Elke dag worden we geconfronteerd met talloze keuzes.

Ik kan kiezen of ik die persoon wel of niet laat invoegen op mijn rijstrook. Ik kan ervoor kiezen om de deur iets langer open te houden voor iemand die langzaam naar de ingang loopt. Ik kan ervoor kiezen om wel of geen geld te geven aan de persoon die op de hoek van de straat staat. Ik kan ervoor kiezen om uit te slapen, zelfs als dat betekent dat ik mijn ochtendtraining oversla. Ik kan ervoor kiezen om dat extra toetje te nemen. Ik kan ervoor kiezen om wel of niet te reageren op iemands anti-Israëlische bericht op sociale media.

Op het eerste gezicht lijken deze keuzes niets met elkaar te maken te hebben. Maar ze hebben allemaal één ding gemeen: ze stellen een simpele vraag. Welke versie van mezelf kies ik er vandaag voor om te zijn?

Het Jodendom leert dat deze gewone dagelijkse beslissingen worden geleid door twee krachtige innerlijke krachten: de yetzer hatov, de neiging die ons naar ons hoogste zelf trekt, en de yetzer ha’ra, vaak vertaald als de ‘kwade neiging’.

Eerlijk gezegd heeft de yetzer ha’ra (de kwade neiging) een slechte reputatie. Ik vermoed dat het woord ‘kwaad’ ons in de war brengt. Er is niets inherent kwaads aan een beetje langer slapen, een extra toetje eten of besluiten de deur niet open te houden. Sterker nog, de rabbijnen leren ons iets verrassends. Rabbi Nahman, uit naam van Rabbi Samuel, interpreteert de woorden uit de schepping, “En zie, het was zeer goed”, als verwijzend naar de yetzer ha’ra. Hij legt verder uit dat zonder de yetzer ha’ra niemand een huis zou bouwen, zou trouwen, kinderen zou krijgen of zaken zou doen (Genesis Rabbah 9:7).

Onze verlangens, ambities en instincten zijn niet de vijand. Ze maken deel uit van wat ons menselijk maakt.

De uitdaging is dat deze zelfde drijfveren ons er ook van kunnen weerhouden de persoon te worden die we willen zijn.

Alan Morinis verwoordt dit prachtig wanneer hij schrijft: “De yetzer ha’ra zal alles in het werk stellen om je hogere zelf te ondermijnen en je ertoe aan te zetten je verlangens te bevredigen.”

Dat inzicht plaatst het gesprek in een ander kader. De strijd gaat zelden tussen goed en kwaad. Vaker gaat het tussen mijn lagere zelf en mijn hogere zelf. Tussen wat gemakkelijk is en wat levens-verrijkend is. Tussen wat ik op dit moment wil en wie ik uiteindelijk wil worden.

De yetzer ha’ra fluistert: “Ga je gang en eet het extra dessert. Het is heerlijk.” Er wordt gewoon nagelaten je cholesterol te vermelden. Het vertelt je dat je die persoon voorbij moet lopen die om hulp vraagt, omdat dat gemakkelijker is dan oogcontact maken. Het moedigt je aan om stil te blijven als je getuige bent van onrecht, omdat het ongemakkelijk is om iets te zeggen.

Geen van deze keuzes maakt ons slecht.

Maar ieder duwt ons, hoe klein ook, weg van het worden van ons meest bedachtzame, meelevende, gedisciplineerde en moedige zelf.

Het zijn precies dit soort keuzes die Mozes de Israëlieten voorlegt in Parasja Reeh: “Kijk, deze dag houd ik u zegen en vloek voor” (Deuteronomium 11:26). Let op het woord ‘deze dag.’ Zegen en vloek zijn niet voorbehouden aan de monumentale beslissingen van het leven. Ze zijn te vinden in de gewone keuzes die we elke dag maken.

Over enkele weken, op Jom Kipoer, zullen we Mozes met nog grotere urgentie op dit thema horen terugkomen: “Ik heb u het leven en de dood voorgehouden, zegen en vloek. Kies daarom voor het leven” (Deuteronomium 30:19).

Ik heb dat vers altijd een beetje grappig gevonden. God stelt ons voor een keuze en geeft ons dan onmiddellijk het antwoord.

Kies voor het leven.

Misschien komt dat omdat God weet dat we, als we het zelf moeten bepalen, meestal niet kiezen tussen goed en kwaad. We kiezen tussen wat comfortabel is of wat ons helpt ons hoogste zelf te worden.

Als kiezen voor het leven overweldigend lijkt, biedt Mussar ons een plek om te beginnen: met een enkele middah. Denk aan chesed, liefdevolle vriendelijkheid. Oefen met het tonen van wat meer vriendelijkheid jegens jezelf en jegens de mensen om je heen. Eet dat gezonde tussendoortje. Houd de deur open. Laat de andere bestuurder invoegen. Bied een vriendelijk woord aan in plaats van een scherp woord. Geef wat je kunt. Laat je stem horen als jouw stem een ​​verschil kan maken.

Rabbijn Yeshayahu Segal Horowitz, de auteur van Shnei Luchot HaBrit, heeft gezegd: “Er mag geen dag voorbijgaan zonder daden van liefdevolle vriendelijkheid, of het nu gaat om het lichaam, geld of de ziel.” Elke dag zou een chesed-daad moeten bevatten. Niet omdat één enkele daad de wereld zal transformeren, maar omdat elke daad de persoon vormt die we worden.

Terwijl we ons voorbereiden op de Hoog Heilige Dagen, betekent het kiezen voor het leven wellicht dat we meer aandacht besteden aan de gewone beslissingen die stilletjes ons karakter vormen. Eén chesed-daad tegelijk. Eén keuze tegelijk. Na verloop van tijd worden die kleine keuzes gewoonten, die gewoonten worden karakter, en dat karakter wordt een leven vol zegeningen.

Uiteindelijk is zegen niet alleen iets dat God ons geeft.

Het is ook iets dat we cultiveren, één keuze tegelijk.

Rabbijn Matt Cohen is de senior rabbijn van Temple Emanu El in Cleveland, Ohio. Hij bestudeert Mussar en geeft Mussar les sinds 2020, toen een online introductiecursus via The Mussar Institute hem voor het eerst kennis liet maken met de praktijk. “Het was levensveranderend”, zegt hij. “Mussar is verweven geraakt met elk aspect van mijn dagelijks leven en met mijn rabbinaat.”

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parashat Eikev

Wat we leren als we het niet weten

Ik ben nooit goed geweest in toetsen maken. Mijn wiskunde les op de middelbare school is daar een goed voorbeeld van. Ondanks mijn beste pogingen om wiskundige concepten zoals punten, lijnen en vlakken te begrijpen, weet ik nog dat ik me gefrustreerd en plotseling “onhandig” voelde tijdens wiskunde proefwerken. Maar twee dingen staan ​​me nog steeds helder voor de geest: 1) Een behulpzame klasgenoot die zich steevast om mij bekommerde en altijd vroeg: “Sharon, begrijp je het?” wanneer onze leraar, meneer Yokoyama, een nieuw concept introduceerde; en 2) Meneer Yokoyama, die voor elk proefwerk vrolijk aankondigde: “Ik ben dol op proefwerken!  Ze leren me wat ik niet weet!”

Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat ik die twee opmerkingen – die al (bijna 45) jaren later – mij nog steeds kan herinneren. Nu besef ik wat ze me hebben geleerd over anavah, de middah (karaktertrek) van nederigheid. Het zou zomaar kunnen dat mijn ervaring met meetkunde in de tiende klas een van mijn eerste lessen in anavah was.

Onze parasja van deze week, Eikev, kan ons het een en ander leren over wat het betekent om nederig te zijn tegenover nieuwe concepten en uitdagende stof – met andere woorden, wanneer we voor een nieuwe test staan. De test in Eikev komt van God via Mozes tot het Joodse volk en luidt als volgt:

“Heel het gebod dat ik jullie opdraag moeten jullie nauwgezet nakomen opdat jullie zult leven, talrijk zult worden en het land zult kunnen binnentrekken en veroveren, dat de Eeuwige jullie voorouders onder ede heeft beloofd.

Denk dan aan heel de weg die de Eeuwige, je God, je deze afgelopen veertig jaar in de woestijn heeft laten gaan om, door je door ontberingen op de proef te stellen, te weten te komen of het wel je hartewens is je aan Zijn geboden te houden of niet.” (Deuteronomium 8:1-2)

Hoe toepasselijk dat deze woorden worden uitgesproken door Mozes, Gods ultieme ‘proefwerk-maker.’ Mozes wordt algemeen beschouwd als de persoon met de meeste anavah, de ultieme vorm van nederigheid en lijkt zijn eigen levenservaring te gebruiken om het volk in de juiste richting te leiden. Denk bijvoorbeeld aan het moment waarop hij geroepen wordt om het volk naar de vrijheid te leiden en vraagt: “Wie ben ik…?” (Exodus 3:11); of nadat het volk het gouden kalf heeft gebouwd en Mozes God smeekt het volk te sparen (Exodus 32:11-14); wanneer zijn broer en zus Aäron en Mirjam kritiek uiten op zijn huwelijk en hij niet boos wordt (Numeri 12:1-13); en wanneer zijn schoonvader Jethro Mozes adviseert om de leiding te delegeren (Exodus 18). Hij heeft misschien niet elke uitdaging gezien als een beproeving van Gods moed en vastberadenheid om te leiden; maar in elk geval toont Mozes anavah door toe te geven dat hij op dat moment niet alles weet wat er te weten valt, en uiteindelijk door te vertrouwen op iets dat groter is dan hijzelf, namelijk de Heilige. Dat is het teken van een groot – ja, de grootste leider ooit – van ons volk.

Te veel leiders lijken tegenwoordig moeite te hebben om toe te geven dat ze het antwoord niet weten op de dilemma’s die voor hen liggen. Hoe zou het zijn als een van hen zou verklaren: “Ik weet niet zeker of ik dit probleem kan oplossen, maar ik wil het zeker wel. Ik zal mezelf omringen met de best opgeleide, nuchtere, meelevende en attente mensen om me te helpen deze test op te lossen die voor ons ligt. Ik was hier niet echt op voorbereid, maar ik zal mijn uiterste best doen om ieders belangen ter harte te nemen, terwijl ik de beste beslissing neem die ik respectvol en verantwoordelijk acht voor ons allemaal.”

Het is zijn verdienste dat Mozes, door goddelijke beproeving na goddelijke beproeving, gaat begrijpen dat wanneer er een nieuwe uitdaging zich aankondigt die ongekend en mogelijk gevaarlijk lijkt, hij kan toegeven dat hij overvraagd is, om hulp kan vragen en van de ervaring kan leren. In de woorden van mijn wiskundeleraar: “om te leren wat hij niet weet.”

We moeten ons, net als Moshe Rabbeinu, op ons gemak voelen met de potentieel ongemakkelijke zin: ‘Ik weet het niet.’ De rabbijnen van de Talmoed (Brachot 4a) vermanen ons om: “Gewen je tong om te zeggen: ik weet het niet, anders raak je verstrikt in een web van bedrog.” Als we ons gebrek aan kennis of begrip niet toegeven, brengen we anderen op een dwaalspoor. We ontnemen onszelf ook de mogelijkheid om waardevolle wijsheid te verwerven uit de beproevingen in ons leven.

“Wie ben ik?’ Exodus 3:11

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasjat Va’etchanan

Het openen van onze harten

De droefheid van Tisja Be’av en alle verliezen die daarbij herdacht werden, is voorbij. Het is tijd voor troost en daarmee ook voor het gedeelte Va’etchanan.

In veel opzichten is het een stuk over de grondbeginselen. We lezen opnieuw de Tien Geboden, een iets andere versie dan in het boek Exodus. En we zien de bekendste verklaring van het Jodendom, Sjema Yisrael, Hoor Israël, de Eeuwige, onze God is Eén.

Er valt zoveel te onderzoeken in deze ene zin. Als het een gebed is, waarom is het dan gericht tot mede-Joden en niet tot God? Wat is de ware betekenis van Echad, Eén?

Maar naar mijn mening is een raadselachtige formulering die iets later komt, net zo belangrijk: “U zult de HEER, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht. Deze woorden die ik u heden gebied, zullen in uw hart gegrift staan.”

Waarom niet gewoon stellen dat de woorden tot je hart moeten binnendringen? Letterlijk genomen, waarom lijkt de tekst er dan genoegen mee te nemen dat de liefde voor God en de mitswot zich buiten onze kern en essentie bevinden?

De klassieke verklaring komt van de Kotzker Rebbe, die ons eraan herinnert dat onze harten zo vaak afgesloten zijn. Pas wanneer ze openstaan, kunnen de woorden van de Torah ons hart binnendringen en ons transformeren. En dat is onze taak.

Voor mij is dit een ware samenvatting van de Mussar-traditie, een traditie die ons wil laten weten dat sjlemoet (heelheid) als spiritueel bewuste wezens ons oproept om een ​​leven van verwondering, gevoeligheid en het voortdurende streven naar de allerbeste versie van onszelf te zijn na te streven. Daarvoor is een ontvankelijk hart een cruciaal uitgangspunt.

De passage in Joodse bronnen die deze taak het mooist illustreert, is een zin die stelt dat het doel van de mitswot ltzaref bahen et habriot is, om ons te verfijnen, om ons het inzicht te geven in een leven dat opener van hart is, bewuster van de schoonheid en het leed om ons heen (zie bijvoorbeeld Genesis Rabbah 48:1).

Ik ben altijd al aangetrokken geweest tot Mussar in mijn Joodse studies en onderzoek, en toen ik me er weer diepgaand in verdiepte (jazeker, door Alan Morinis en het Mussar Instituut), ontdekte ik dat van de verschillende stemmen binnen de Mussar-wereld de leer van Rabbi Simcha Zissel Ziv van Kelm, Litouwen (De Alter van Kelm) mij het meest aansprak.

In een zeer eenvoudige bewoording stelt hij dat we begiftigd zijn met twee soorten evarim (vermogens). Letterlijk betekent evarim ledematen; fysieke en geestelijke. God heeft ons de middelen gegeven om in de materiële wereld te functioneren, om ons lichaam te bewegen, maar ook om onze ziel te bewegen (Sefer Chochma U’Mussar, deel 2, blz. 325).

Het allerbelangrijkste in de wereld van de Alter is het ideaal van gelijkmoedigheid, menuchat hanefesh; neem de tijd, wees precies en maak de geest overzichtelijk. Hij stelt ook dat er geen afleiding is zoals een verstrooide geest, geen sereniteit zoals een serene en geordende geest.

Hij was een voorstander van hitlamdoet, langzaam, repetitief en diepgaand leren; een soort leren dat zichzelf versterkt en meten wat men eerder dacht, wat men nu weet en wat men nog moet leren. Hij spoorde zijn studenten aan om zich te concentreren op de diepgang, om ontevreden te zijn over het oppervlakkige op welk gebied van het leven dan ook. Hij geloofde dat zaken als geduld en rede, en zelfs algemene wereldkennis, iemand zouden helpen zijn ziel te ontwikkelen.

Tegelijkertijd pleitte hij voor een naar buiten gericht leven; een leven van het omarmen van wat Pirkei Avot beschrijft als nosei bole im chaveiro, om de last van de ander te helpen dragen. Het lijden van een ander is onze zaak.

De behoefte aan de aanpak van rabbijn Simcha Zissel is de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. We worden zo overspoeld met informatie dat we geen tijd en alsmaar afnemende capaciteit hebben om de diepte van een probleem te doorgronden; om zelf na te denken.

In een wereld die wordt gekenmerkt door chaos is zijn oproep tot pauze – en tot geordend denken – een cruciaal uitgangspunt.

Wanneer alles een strijdtoneel is en we onze stem vooral gebruiken om verontwaardiging te uiten, kunnen we herinnerd worden aan het tegengif van rabbijn Simcha Zissel tegen woede. Telkens wanneer hij voelde dat hij zijn woede toenam, stopte hij even om een ​​bepaald kledingstuk aan te trekken dat hij voor zulke momenten had bestemd. Tegen de tijd dat hij zich omkleedde, zou zijn woede verdwenen zijn.

En in een wereld waar kunstmatige intelligentie zoveel van de manier waarop we werken, denken en functioneren op zijn kop zal zetten, wil de Alter ons laten pauzeren, het lastige werk doen en zelf nadenken. Streef naar een scherpzinnig hart.

Rabbi Simcha Zissel benadrukte dat de opening van ons hart voor heiligheid en spirituele diepgang geleidelijk moet gebeuren. We groeien elke dag een beetje verder. Er zijn geen kortere wegen op het pad naar ware spirituele diepten. Maar de reis zelf is heilig.

Ik weet niet helemaal zeker waarom zijn aanpak altijd bij mij zijn weerklank heeft gevonden. Misschien heeft het iets in mij geraakt hoe ik over het algemeen in het leven functioneer. Misschien had het iets te maken met het feit dat de school die hij in Kelm stichtte bekend stond als de Talmoed Torah, dezelfde naam als de school waar ik als kind in Minneapolis naar toe ging.

Misschien ligt het zelfs dieper dan dat. Ik wist dat mijn moeders kant van de familie uit Litouwen kwam, al wist ze nooit precies waar. Op de ochtend van haar begrafenis presenteerde mijn neef, de familiehistoricus, trots zijn onderzoek. Haar familie kwam uit een klein stadje dat bekend staat als Kelm. Dit was de eerste keer dat ik dit nieuws hoorde, en het was een geweldige bron van troost en verbinding.

Dus ik veronderstel dat een klein beetje Kelm en rabbijn Simcha Zissel in mijn DNA zijn gebakken. Wat nog belangrijker is, ik hoop dat zijn pad mijn hart zal openen voor de liefde voor God en alles wat dat met zich meebrengt.

Nu we dit seizoen van troost ingaan, hoop ik dat we allemaal de leraren en paden zullen vinden die ons zullen helpen ons hart te verzachten, zodat we onze ziel kunnen laten groeien.

Rabbi Jim Rosen heeft de afgelopen 34 jaar gediend als rabbijn van de Beth El Temple in West Hartford, CT. Hij heeft ontdekt dat Mussar centraal staat in zijn lessen, studie en persoonlijke spirituele leven.

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasja Devarim

“Gevoeligheid”

Rav Shneur Kotler, zt’l, Rosh Yeshivah van Beth Medrash Govoha van Lakewood, was een bescheiden gaon (Torah-genie), de opvolger en zoon van de stichter van de yeshivah, Rav Aharon Kotler, zt’l. In 1940, toen hij pas verloofd was, ontsnapte Rav Shneur aan de verschrikkingen van Europa naar Israël, waar hij de oorlogsjaren doorbracht bij zijn illustere grootouders, Rav Isser Zalman en Rebbetzin Baila Hinda Meltzer, en studeerde in Jeruzalem. Ondertussen was zijn aanstaande kallah (bruid), Rebbetzin Rishel, ook uit Europa ontsnapt en zij heeft jaren in Japan en Shanghai doorgebracht.

Tijdens die chaotische en pijnlijke jaren van afstand tot zijn ouders en verloofde ontwikkelde Rav Shneur een bijzonder nauwe relatie met zijn grootouders. Toen na zes lange jaren de dag aanbrak waarop Rav Shneur naar zijn nieuwe huis in de Verenigde Staten zou gaan om met hen herenigd te worden, was hun afscheid met pijn in het hart.

Rav Isser Zalman, de geliefde Rosh Yeshivah van Etz Chaim Yeshiva, was vervuld van emotie toen hij zijn geliefde kleinzoon vergezelde vanuit hun appartement op de derde verdieping in Jeruzalem. Plotseling, toen ze de overloop op de tweede verdieping bereikten, stopte Rav Isser Zalman abrupt en zegende Rav Shneur in tranen, hem uitbundig omhelzend en kussend, en draaide zich toen om en begon de trap terug naar hun appartement te beklimmen.

Een aanwezig familielid was in de war waarom Rav Isser Zalman halverwege was gestopt, en vroeg de liefhebbende Zaidy (grootvader) waarom hij zijn geliefde kleinzoon niet helemaal naar de taxi had begeleid die beneden wachtte?

Rav Isser Zalman werd stil en zei: “Ik dacht bij mezelf: de gruwelijke oorlog is net voorbij. Mijn Shneur is op weg naar zijn choepah, maar er zijn duizenden andere “Shneurs” vermoord die nooit die zechut (vreugde) zullen hebben. Veel van onze buren hier in Jeruzalem zijn overlevenden die net als hij jonge familieleden hebben verloren. Ze hadden mij misschien mijn kleinzoon zien omhelzen en voelden extra smart…

Toen Rav Michel Yehudah Lefkovitch, zt’l, een goede leerling van Rav Isser Zalman dit aangrijpende verhaal opnieuw hoorde vertellen, onderdrukte hij de tranen en fluisterde: “Oy … ik kende ook zoveel van die Shneurs …”

***

Deze Shabbat, Shabbat Chazon, markeert het begin van Sefer Devarim, Moshe Rabbenoe’s ‘zwanenzang’, de Torah-versie van een ‘laatste woorden’ van de grootste leider aller tijden.

Terwijl we met Sefer Devarim beginnen, staat Moshe Rabbeenoe voor een nieuwe generatie en beschouwt het verleden opnieuw om een ​​erfenis over te dragen. De laatste woorden van onze grote leider brengen een leven vol ervaring, waarden en liefde over. Geladen met geheugen en een verantwoordelijkheid ten aanzien van continuïteit, is de opening van dit laatste boek van de Torah een oproep aan ons om de woorden van Moshe te horen als een opdracht, om zijn boodschap voort te dragen met dezelfde gevoeligheid, toewijding en liefde die de ene generatie Torah aan de volgende bindt.

Chazal legt uit dat Moshe door HaShem was uitgekozen om Am Jisra’el te leiden als resultaat van zijn open hart, gevoeligheid en bereidheid om de last van zijn broeders en zusters te delen. Moshe was opgegroeid in de aristocratie van het Egyptische paleis en zocht contact met zijn broeders en kwam herhaaldelijk namens hen tussenbeide.

וַיְהִי  בַּיָּמִים הָהֵם וַיִּגְדַּל מֹשֶׁה וַיֵּצֵא אֶל־אֶחָיו וַיַּרְא בְּסִבְלֹתָם וַיַּרְא אִישׁ מִצְרִי מַכֶּה אִישׁ־עִבְרִי מֵאֶחָיו

“Na verloop van tijd toen Moshe volwassen was geworden en eens naar buiten naar zijn broeders ging en naar hun dwangarbeid keek zag hij een Egyptische man een Hebreeuwse man, één van zijn broeders, slaan.”
(Sjemot: 2:11)

Rasji merkt op dat Moshe נתן עיניו ולבו להיות מצר עליהם, toen hij zag hoe de Egyptische leermeester de Ivri (Hebreeuws) sloeg, “zijn ogen en zijn hart op hen richtte om [bij hen in hun] nood te zijn.”

Nog fundamenteler voor de identiteit van Moshe Rabbeenoe, ‘Onze Leraar’ en de grootste profeet die ooit heeft geleefd, is dat hij een man was met een grote morele gevoeligheid, vriendelijkheid en liefde. Hij was met elke vezel van zijn wezen toegewijd aan de gemeenschap van Israël, “hij gaf zijn ogen en hart aan het zijn van Meitzar Aleihem, verontrust over hen.”

Een parallel met Rashi’s beschrijving van Moshe’s gevoeligheid voor mensen wordt gevonden in de openings siman (sectie) van de Sjoelchan Aroech, de Codex van de Joodse Wet (Ohr haChayim, 1:3), met betrekking tot de Tempel: “Het is passend voor ieder persoon die hemelse angst (yirah) heeft om meitzar te zijn, gekweld en bezorgd over de vernietiging van de Tempel.”

Er zijn in onze geschiedenis zo vaak momenten geweest waarop we ondoorgrondelijk liefdesverdriet en verlies hebben geleden, en Tisha b’Av is de dag waarop we onszelf toestaan ​​om in de pijn en het verdriet van dit alles te zitten. Shabbat Chazon, die onmiddellijk voorafgaat aan onze nationale dag van rouw, is een tijd voor ons om onze ogen en harten te openen voor het lijden van onze natie, om alle ‘Shneurs’ uit onze geschiedenis te herdenken, en om te onthouden dat we ondanks al het persoonlijke lijden en de ontberingen standvastigheid en veerkrachtig geloof hebben getoond. We hebben ons nooit afgewend van ‘gekweld en bezorgd’ te zijn over onze Tempel, ons kostbare gemeenschappelijke en spirituele centrum. En we hebben altijd onze ogen en ons hart gericht op het welzijn van onze broeders en zusters, en zullen dat ook altijd blijven doen.

Moge deze Tisha b’Av worden omgezet in een dag van feestvieren en vreugde, met spoedig een einde aan alle angst en de spoedige komst van Masjiach, bi-m’heirah.

Rav Judah Mischel is directeur van Camp HASC, de Hebreeuwse Academie voor Speciale Kinderen, en de auteur van de Baderech-serie. Rav Judah woont in Ramat Beit Shemesh met zijn vrouw Ora en hun gezin.

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Pinchas

De Innerlijke Pinchas

Gerechtvaardigde verontwaardiging is tegenwoordig overal. In ons nieuws zien we voortdurend mensen die met fanatieke zekerheid hun eigen mening verkondigen, ongeacht de consequenties voor anderen of voor de samenleving als geheel. Doordachte overweging, nuance en nederigheid worden gezien als tekenen van zwakte. Het lijkt erop dat men alleen gehoord kan worden door te schreeuwen.

Veel mensen lijken te denken dat gerechtvaardigde verontwaardiging een positieve eigenschap is. Hun redenering is dat verontwaardiging namens anderen veel deugdzamer is dan ongecontroleerde woede als uiting van louter persoonlijke behoeften. Volgens deze opvatting is men bezig, als men uit woede opkomt voor mensen die zorg en steun nodig hebben, voor rechtvaardigheid en niet uit louter reactiviteit.

Ik ben daar niet helemaal van overtuigd. Hoewel gerechtvaardigde verontwaardiging zeker een drijfveer kan zijn voor rechtvaardigheidsstrijd en een bron van energie om voor de rechten van anderen te vechten, roept het maar al te gemakkelijk enkele van onze slechtste eigenschappen op. Terwijl we onszelf wijsmaken dat we opkomen voor wat rechtvaardig is, zijn we ons vaak niet bewust van hoe gedreven we worden door onze eigen egoïstische behoeften, hoeveel schade we kunnen aanrichten in relaties en hoe intolerant we zijn tegenover mensen die een kwestie anders interpreteren dan wij.

Naar mijn mening is Pinchas het centrale voorbeeld van dit soort gedrag, hoewel de traditie verschilt over hoe we zijn gedrag moeten interpreteren.

Aan het einde van de parasha van vorige week vertelde de Torah ons dat Israëlitische mannen Midianitische vrouwen verleidden, die op hun beurt de Israëlieten overhaalden om de Midianitische god Baäl-Peor te aanbidden. De tekst vertelt ons dat God woedend was en erop stond dat de schuldige Israëlitische mannen in het openbaar gespietst zouden worden, waarna een enorme plaag 24.000 Israëlieten trof. De leden van de gemeenschap huilden en rouwden, maar één Israëliet had openlijk seksuele relaties met zijn Midianitische minnares. Toen Pinchas (de kleinzoon van Aäron, de hogepriester) deze schandelijke daad zag, spietste hij de twee onmiddellijk. Op de een of andere manier wist zijn uitbarsting van gewelddadige woede Gods toorn te bedaren, en de plaag kwam ten einde.

Ten slotte, en het meest raadselachtig, verklaart God over Pinchas:

“… heeft Mijn woede afgewend van de Kinderen van Israël doordat hij temidden van hen Mijn recht voor Mij heeft opgeëist, zodat Ik de Kinderen van Israël niet op grond van Mijn recht behoefde te vernietigen. Zeg het daarom voort: Hiervoor bied Ik hem Mijn vredesverbond aan. Dat betekent voor hem en voor zijn  nakomelingen een verbond voor een eeuwig ​​priesterschap omdat hij het recht voor zijn God opeiste en zo verzoening bewerkte voor de Kinderen van Israël.” (Numeri 25:11-13)

Het verhaal van golven van gewelddadige woede in dit verhaal is duizelingwekkend. God ontplofte in een vlaag van felle jaloezie. Een gemeenschapsleider stond woedend op en slachtte in aanwezigheid van de hele gemeenschap een man en een vrouw af wegens hun zedendelict. En God verleende Pinchas een ‘brit shalom’, een verbond van vrede of vriendschap.

De letterlijke betekenis van de tekst lijkt te zijn dat het verbond een beloning is voor de gewelddaad van Pinchas. Veel commentatoren, verontrust door deze lezing, merken echter op dat de ‘vav’ in het woord ‘shalom’ merkwaardig genoeg in tweeën is gesplitst, wat sommigen beschouwen als een aanwijzing dat er geen vrede kan voortkomen uit zulke wreedheden, en dat het verbond niet bedoeld is als beloning, maar als tegengif voor de onbeheersbare woede van Pinchas.

Hoewel veel traditionele bronnen in dit verhaal de suggestie zien dat fanatisme of extreme hartstocht ten behoeve van Gods eer een deugd kan zijn, heb ik Pinchas lange tijd gezien als een waarschuwend verhaal, een uitdrukking van het tegenovergestelde van de Joodse lessen over deugden. De joodse wijsheid waardeert nederigheid, verdraagzaamheid, bedachtzaamheid, zachtmoedigheid, respect voor alle mensen en het nastreven van vrede (zoveel mogelijk in de juiste verhoudingen). En dan komen we Pinchas tegen. Wat moeten we van Pinchas leren, vooral dit jaar, in zo’n gewelddadige en heftige tijd?

Ik word getrokken richting diverse klassieke Joodse lessen over de gevaren van woede en fanatisme.

In de beroemde Mishna in Avot zei Rabbi Elazar Ha-Kappar: “De nijd (jaloezie), de begeerte en de eerzucht brengen de mens uit de wereld” (Avot, hoofdstuk 4.21). Het woord voor afgunst (kinah) betekent ook ‘ijverzucht’, het woord dat God gebruikt om de gewelddadige daad van Pinchas te beschrijven. Ik begrijp dat deze Mishna betekent dat fanatisme/afgunst, lust en het verlangen naar eer ervoor zorgen dat we ons verstand verliezen. Deze energieën zijn zo krachtig en overweldigend dat ze ons doen vergeten wie we zijn en waar we in geloven. Voorbeelden hiervan zien we dagelijks in het publieke domein. En als studenten van Mussar kunnen we ook denken aan momenten waarop afgunst, verlangen naar eer en rechtvaardig fanatisme ervoor zorgen dat we ons eigen verstand verliezen en ver van ons beste zelf afdwalen.

De Talmoed in Shabbat 105b gaat zelfs zo ver dat woede gelijkgesteld wordt aan afgoderij:

“Als iemand uit woede zijn kleding scheurt, uit woede zijn keukengerei breekt of uit woede zijn geld versnippert, moet deze persoon worden gezien als een afgoden dienaar. Want dat is de list van de kwade neiging: vandaag zegt het je ‘doe dit’, en de volgende dag zegt het je ‘doe dit’ totdat het je zegt: ‘Beoefen afgoderij!’ en iemand gaat het nog doen ook.”

Dat wil zeggen dat vurige woede iemand tot steeds diepere zondige daden kan aanzetten.

Of, om het anders te zeggen, in Talmoed Nedarim 22b suggereert Rabba bar Rav Huna scherpzinnig: “Iedereen die boos wordt, op dat moment is zelfs de goddelijke aanwezigheid niet belangrijk voor hem.” Woede beweert dat het enige dat er toe doet, mijn eigen percepties, mijn eigen waarden, mijn eigen overtuigingen zijn. Zo vol van mijn eigen gedachten en gevoelens, is er geen ruimte voor God. Ik aanbid mezelf in plaats van de Heilige.

Zeker, er zijn momenten waarop woede nodig is. Het kan nodig zijn om te voorkomen dat de ene persoon de ander pijn doet, of als er een einde moet worden gemaakt aan ernstig onrecht. Maar ik zou willen suggereren dat de yetzer hara vaak in woede leeft. Wat begint als een beperkte behoefte om het juiste te doen, speelt al snel in op onze eigen ego-behoeften, ons verlangen naar aandacht en roem, en onze neiging om anderen te kleineren. Woede wordt, net als de woede die in het Pinchas-verhaal wordt beschreven, een laaiend vuur dat veel te moeilijk te blussen is.

Ik denk dat Pinchas ons vanuit de Torah oproept om waakzaam te zijn als onze eigen gerechtvaardigde woede de kop opsteekt. Zelfs als het lijkt alsof God het goedkeurt, zelfs als onze aanvankelijke motivatie was om een ​​hoger goed te dienen, kunnen onze lagere instincten naar voren komen en kunnen we onszelf en anderen meer kwaad dan goed doen. Woede, geweld en ontmenselijking van anderen zijn niet de weg naar gerechtigheid. Vrede – tussen individuen of tussen naties – kan nooit tot stand komen door bloedvergieten. Mogen we acht slaan op het waarschuwende verhaal van Pinchas.

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Balak

De kracht van woorden

Mijn kleinzoon van de middelbare school houdt me goed op de hoogte van de straattaal van vandaag. ‘Dat is ‘tuff’ betekent dat iets cool is, maar ‘unc’ betekent niet-cool. ‘Clock that tea’ betekent aandacht besteden aan een belangrijke gebeurtenis of roddels. ‘Riz’ betekent aantrekkingskracht of charisma.

Maar onlangs kwamen hij en ik een ongewenst nieuw jargon tegen. Hij stapte bijna in tranen in mijn auto en vroeg: “Weet je wat ‘rage baiting’ is?”

“Nee.”

“Dat is wat mij net is overkomen. Kinderen die bij mij in de buurt zaten, plaagden mij en logen over mij tegen elkaar, net luid genoeg zodat ik het kon horen, maar niet de leraar. Toen ik terug begon te schreeuwen, kwam ik in de problemen en lachten ze nog harder. Mensen tieren op internet en worden betaald om anderen woedend te laten worden. Het is manipulatie, maar het werkt.”

We gingen meteen naar de ijssalon.

“De tong van een persoon is krachtiger dan het zwaard. Een zwaard kan alleen iemand doden die dichtbij is; een tong kan de dood veroorzaken van iemand die ver weg is” (Talmoed Bavli Arachin 15b).

Hoewel onze parasha, Balak, duizenden jaren ouder is dan de term woede-uitlokking, benadrukt het verhaal de lessen die we allemaal voortdurend moeten leren over de buitensporige kracht van de menselijke spraak. Woorden brengen eer, respect, liefde en zegen. Woorden doden ook zielen, bevorderen leugens, vloeken en verwonden, soms onherstelbaar.

We lezen in de parasha dat Moabs koning Balak besluit een aanval te voorkomen waarvan hij vreest dat de Israëlieten deze hebben gepland door de beroemde profeet Bil’am in te huren om hen te vervloeken. Het lijkt erop dat Balak zich er niet van bewust is dat Bil’am naar de God van de Israëlieten luistert en alleen Gods instructies opvolgt, zonder rekening te houden met zijn menselijke beschermheren. Wanneer God Bil’am uiteindelijk toestemming geeft om naar Moab te reizen, herhaalt God: “alleen maar dat wat Ik je zal opdragen mag je ten uitvoer brengen” (Numeri 22:20).

Maar zelfs Bil’am begrijpt niet helemaal ‘Clock the tea,’ en mist de waarschuwingen die God op zijn pad plaatst in de vorm van een engel met een getrokken zwaard. Zijn ezel ziet het gevaar en ondergaat drie slagen van zijn meester voordat God het vermogen om te spreken in haar dierenmond plaatst. Ze kastijdt Bil’am totdat hij haar rechtschapenheid erkent en zich bij God verontschuldigt voor zijn eigen onoplettendheid.

Bil’am leert zijn lesje, maar Balak niet. Hoewel Bil’am eerlijk tegen de koning spreekt: ‘Alleen dat wat God mij in de mond zal leggen kan ik spreken’ (Num. 22:38). Balak gebiedt de profeet nog steeds om de Israëlieten te vervloeken. Driemaal stromen er slechts wonderbaarlijke zegeningen uit Bil’ams mond. Wanneer de koning de profeet boos verbant, voorspelt Bil’am de val van Moab voor de Israëlieten, wanneer de paranoïde nachtmerrie van de koning werkelijkheid zal worden.

Hoe vaak besteden we aandacht aan onze eigen spraak? Zijn onze woorden een zegen of een vloek? Hoe vaak betrappen we onszelf (het bechira-punt) voordat we woorden zeggen waar we spijt van zullen krijgen? Wanneer heeft stilte (shtika) ons goed gediend op een uitdagend moment? Bij mij heel vaak! Als we anderen onze volledige aandacht schenken en naar hun woorden luisteren zonder onze eigen repliek in te kaderen, bouwen we duurzame relaties op die gebaseerd zijn op het zien van de tzelem Elokiem in iedereen die we tegenkomen, zowel geliefden als vreemden.

Rabbi Menachem Mendel Lefin schrijft in de kop van zijn hoofdstuk over stilte: “Pas even op en overweeg voordat je spreekt: welk voordeel zullen mijn woorden voor mij of voor anderen opleveren?” (Chesbon HaNefesh, hoofdstuk 10). Hoe zullen mijn woorden ondersteunen, verheffen, inspireren, verbinden, zegen brengen? Een korte pauze kan bepalen of onze woorden voordeel opleveren of het tegenovergestelde.

Rabbi Yisrael Meir Kagan, bekend als ‘De Chafetz Chaim’, schreef uitgebreid over de middah van aandachtig spreken, shmirat halashon. Hij zei,

“De mensheid is verheven boven alle dieren, omdat God hen het vermogen heeft gegeven om te spreken. Dit unieke vermogen verheft iemand echter alleen als hij het voor goede doeleinden gebruikt. Iemand die zijn spraak misbruikt door tegen anderen te spreken, wordt beschouwd als lager dan een beest. Een beest kan niet vernietigen door te praten, terwijl een persoon kan doden met zijn tong.” (Shmirat HaLashon 1:3)

Zou de Chafetz Chaim op een slimme manier kunnen verwijzen naar Bil’am en zijn pratende ezel, wiens wonderbaarlijke woorden haar meester niet doodden, maar hem redden? In de wereld van vandaag bombarderen woorden ons vanuit elk medium. We hebben moeite om de waarheidsgetrouwheid te achterhalen van het door mensen gegenereerde, degenen die onze kennis vergroten en ons dichter bij het begrip en de verbinding met onze medemens brengen. Bil’am wist dat als hij naar God, naar zijn geweten en zelfs naar zijn beest zou luisteren, hij eerlijke woorden van wijsheid en zegen zou spreken.

Laten we hetzelfde oplossen als we de Shabbat ingaan. Voordat we spreken, moeten we ervoor zorgen dat de waarheid op onze tong ligt en dat er vriendelijkheid in ons hart is. Laten we niet vergeten dat onze woorden kunnen scheppen en kunnen vernietigen. Als we ons bewust zijn van wat onze lippen ontgaat, zullen we shalom bayit creëren – een huis van vrede, en de zegen van Bil’am waarmaken: “Hoe mooi zijn uw tenten, o Jakob, uw woonplaatsen, o Israël.”

Parasha Sjelach Lecha

Ik kan me niet veel herinneren van 42 jaar geleden. Naarmate ik ouder word, vind ik het steeds moeilijker om me te herinneren wat ik de dag ervoor heb gedaan. Eén ervaring die ik me nog levendig herinner, aanstaande Shabbat 42 jaar geleden, is het lezen en zingen van parasha Sjelach, mijn Bar Mitswa-parasha. Ik voel nog steeds de overweldigende zenuwen die mijn maag omdraaiden in de aanloop naar het lezen. De druk was hoog, omdat mijn vader een Ba’al Koreh (voorzanger) in de gemeenschap was en ik zijn eerste protegé was. Ik had me goed voorbereid en kon daardoor op de automatische piloot overschakelen, wat me door de eerste paar gedeelten heen hielp. Uiteindelijk kalmeerden mijn zenuwen en kon ik de ervaring echt in me opnemen. Ik voelde een enorme trots toen ik de dienst leidde voor mijn familie, vrienden en de gemeenschap. Ik herinner me de enorme opluchting en voldoening toen het voorbij was en mijn moeder, moge haar nagedachtenis tot zegen zijn, naar me toe snelde om me te omhelzen en me te vertellen hoe geweldig ik het had gedaan. Het blijft een vreugdevolle herinnering aan een prestatie die diep in mijn hart gegrift staat.

Er is een les die stelt dat men zijn shoresh haneshama, de wortel van zijn ziel, en zijn levensmissie kan vinden in de parasha van zijn Bar of Bat Mitswa. Ik ken de bron van deze leer niet, en ik heb het gevoel dat het is bedacht door een goedbedoelende rabbijn die een preek moest houden ter gelegenheid van een Bar of Bat Mitswa. Hoe dan ook, het is een mooie les en biedt een leerzaam perspectief om het Bar/Bat Mitswa-gedeelte te benaderen.

In mijn geval duurde het niet lang voordat ik een les tegenkwam die zo intens resoneerde dat het mijn levensmissie is geworden. Onze parasha begint met het verhaal van de spionnen die door Mozes worden uitgezonden om het land Israël te verkennen. In zijn allereerste commentaar op Parasha Sjelach stelt Rashi, zoals hij vaker doet, de vraag naar de tegenstelling tussen deze episode en het voorgaande incident met Miriam waarmee de vorige parasha eindigt:

לָמָּה נִסְמְכָה פָרָשַׁת מְרַגְּלִים לְפָרָשַׁת מִרְיָם? לְפִי שֶׁלָּקְתָה עַל עִסְקֵי דִבָּה, שֶׁדִּבְּרָה בְאָחִיהָ, וּרְשָׁעִים הַלָּלוּ רָאוּ וְלֹא לָקְחוּ מוּסָר

Waarom wordt de sectie van de spionnen naast de sectie van Miriam geplaatst? Omdat ze gestraft werd omdat ze negatief over haar broer Mozes sprak, en deze goddeloze mensen zagen wat er gebeurde en de Mussar-les niet ter harte namen.

In het vorige gedeelte wordt de goddelijke straf beschreven die Mirjam kreeg omdat ze negatief over Mozes sprak. De rabbijnen vertellen ons dat Miriam kritisch was over de scheiding van Moshe van zijn vrouw Tziporah, om een ​​hoger niveau van zuiverheid te bereiken en zodat hij altijd klaar zou kunnen zijn om profetie te ontvangen. De wijzen vertellen ons dat het niet de bedoeling van Miriam was om Mozes te schande te maken, maar om een ​​waargenomen onrecht recht te zetten. Niettemin drukt God zijn woede uit over de manier waarop zij ervoor koos haar taak te volbrengen.

De spionnen zagen, net als heel Israël, wat er met Miriam gebeurde vanwege haar negatieve toespraak en slaagden er niet in er een persoonlijke les uit te trekken. Ze haalden de Mussar niet uit het incident en spraken negatief over het beloofde land Israël.

We hebben hier inzicht in de essentie van Mussar; een les die mij persoonlijk aanspreekt en mijn levenswerk is geworden. Het inzicht is dat er oneindig veel lessen te leren zijn uit ons dagelijks leven en de situaties die we tegenkomen. Een Mussar-benadering van het leven dwingt ons om wakker te zijn voor deze lessen en ze gevoelig toe te passen op ons eigen leven en omstandigheden.

Hoe hadden de spionnen moeten leren om niet slecht over een land te spreken, op basis van wat ze samen met Miriam hadden gezien? Miriam sprak negatief over een persoon met gevoelens en niet over een levenloos object. Bovendien sprak ze slecht over de leider van het Joodse volk en riskeerde ze zijn gezag te ondermijnen.

Toch is dit wat een op Mussar gebaseerd leven vereist. Van de spionnen werd verwacht dat zij het onderliggende wangedrag van wat Mirjam had gedaan, zouden (h)erkennen en die les vervolgens op hun eigen omstandigheden zouden toepassen.

Rabbi Simcha Zissel Broide (1824-1898), de Alter van Kelm, was een van de eerste leerlingen van Rabbi Yisrael Salanter. De volgende les van Pirkei Avot (4:1) vertelt veel over de benadering van Mussar en die van zijn studenten:

בֶּן זוֹמָא אוֹמֵר, אֵיזֶהוּ חָכָם, הַלּוֹמֵד מִכָּל אָדָם, שֶׁנֶּאֱמַר (תהלים קיט) מִכָּל מְלַמְּדַי הִשְׂכַּלְתִּי כִּי עֵדְוֹתֶיךָ שִׂיחָה לִּי

Ben Zoma zei: Wie is wijs? Iemand die van ieder mens leert, zoals er wordt gezegd: “Van allen die mij hebben onderwezen heb ik inzicht gekregen” (Psalmen 119:99).

De Alter van Kelm breidt het eenvoudige begrip van deze les uit en schetst een volledige benadering van een op Mussar gebaseerd leven. Hij legt uit dat de werkelijk wijze persoon iemand is die van elke situatie en elke persoon leert. Niet alleen dingen die binnen iemands huidige interessegebied vallen. Niet alleen de dingen die meteen voor de hand liggen. De Misjna draagt ​​ons op bewust en aandachtig te zijn, en te leren van alles wat er om ons heen gebeurt – elke gebeurtenis en elke omstandigheid. Je wereld en alles wat je ziet of ervaart, is nu vol kansen. Het leven wordt een virtuele symfonie van wijsheid, waarbij de onderwerpen en lessen voortdurend veranderen.

Het is niet voldoende om getuige te zijn van iets interessants en het alleen op een voor de hand liggend, oppervlakkig niveau te observeren, of om iets te leren van een puur afstandelijke plek. Het is niet voldoende om iets te leren zonder dat het enige relevantie voor ons persoonlijk heeft – in ons spirituele leven en in onze groei. De richtlijn is dat we uit elk van onze ervaringen een les moeten trekken en dat wat we leren ons beïnvloedt. Hoewel dit misschien een veeleisende houding lijkt om je leven mee te leiden, doordrenkt het het leven met constante nieuwheid en constante groei, en geeft het ons een instrument dat zelfs de meest uitdagende situatie kan transformeren in een positieve en waardevolle levensles. Door consistente oefening en inspanning gaat ons hart open, zodat we voortdurend worden beïnvloed door de wereld om ons heen, en wij groeien. Ons klaslokaal wordt het leven zelf.

Voor focus:

  • Wat zijn de spirituele voordelen van het leren van alle mensen/ van een student van het leven zijn en van leren van elke situatie?
  • Welke les heb je vandaag geleerd van iets waar je getuige van bent geweest, of van iets dat iemand zei of deed? Hoe zou je die les op jouw eigen levensomstandigheden kunnen toepassen?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Behalotcha

De Koning en de Nar”

De parasha van deze week, Behalotcha, laat ons kennismaken met een buitengewone leider die niet alleen als nederig (anav) wordt beschreven, maar als zeer nederig (Numeri 12:3). Dat vers deed me denken aan een verhaal over een leider die een opvolger kiest. Mijn collega, Rabbi Ed Feinstein, vertelt een fascinerend en leerzaam verhaal over een koning die de nar kiest als zijn opvolger. Aanvankelijk is het koninkrijk verbijsterd dat de wijze koning iemand van zo’n lage status zou kiezen. Toch blijkt de nieuwe koning wijs, mededogend en geliefd bij iedereen te zijn. Ik nodig u uit om het verhaal te lezen [De Nar]; mijn uitleg volgt hierna.

Het verhaal beschrijft met kleurrijke bijvoeglijke naamwoorden alle kenmerken van een groot leider; wijsheid, mededogen, zorgzaamheid, respect, vriendelijkheid, goed luisteren, hard werken, advies zoeken, enzovoort. Maar bovenal leert het verhaal ons dat een ware leider nederig moet zijn. Laten we eens wat dieper ingaan op de eigenschap nederigheid. Laten we beginnen met de oorsprong van het woord. De term ‘nederigheid’ komt van het Latijnse zelfstandig naamwoord humilitas en is afgeleid van het woord humus (aarde). De Oxford Dictionary definieert nederigheid als ‘een lage dunk van zichzelf hebben’ of ‘niet trots zijn’. Denk maar eens aan de manieren waarop je het woord nederig gebruikt… nederige afkomst, nederigheid, enzovoort. Ik wil me graag aansluiten bij de recentere ideeën die suggereren dat de definitie van nederigheid meer te maken heeft met het herinneren van de ‘humus‘ waar we vandaan komen, of in moderne termen, ‘geaard zijn’.

De afgelopen acht jaar ben ik een Mussar-student geworden. Een van de pijlers van de Mussar-literatuur is de kwaliteit nederigheid. Maar de nederigheid die Mussar definieert, wijkt sterk af van de eerdergenoemde definitie in het Oxford Dictionary, namelijk ‘een lage dunk van zichzelf hebben’. Alan Morinis benadrukt dat “nederigheid niet betekent dat je een nietsnut bent”. Het Hebreeuwse woord voor nederigheid, anava, is namelijk genuanceerder en heeft een heel andere betekenis dan de klassieke Engelse definitie van nederigheid. Dr. Morinis stelt dat er een continuüm van nederigheid bestaat. Aan het ene uiteinde staan ​​degenen die werkelijk geloven dat ze waardeloos zijn, de allerlaagsten. Aan het andere uiteinde staan ​​degenen die arrogant en zelfingenomen zijn tot het punt van narcisme. Hij herinnert ons eraan dat ware nederigheid / anava zich ergens in het midden van deze twee uitersten bevindt. Sterker nog, veel Joodse denkers en Mussar-geleerden betogen dat nederigheid moet overeenkomen met een gezond gevoel van eigenwaarde, en ik ben het met hen eens.

Onze wijzen leren ons dat onze grootste leider Mozes was, die in het boek Numeri, BaMidbar, wordt beschreven als zeer nederig: “Mozes was zeer nederig, nederiger dan wie ook op aarde” (Numeri 12:3). Laten we even stilstaan ​​bij de nederige afkomst van Mozes. Mozes werd als baby van zijn moeder gescheiden en groeide niet op tussen zijn volk. Hij had een spraakgebrek en was soms snel boos. Toch vertelt de Midrash een prachtig verhaal over waarom Mozes werd gekozen om de Israëlieten te leiden. Terwijl hij de kudde van zijn schoonvader Jethro hoedde, liep een geitje weg. Mozes rende erachteraan tot het stopte om te drinken uit een waterpoel op een schaduwrijke plek. ‘Ik wist niet dat je wegliep omdat je dorst had,’ zei hij tegen het geitje. ‘Je moet moe zijn.’ Hij tilde het geitje op zijn schouders en droeg het terug naar de kudde.

De Midrash vervolgt: God zag deze daad van mededogen en zei: “Omdat je de schapen van de mensen met zoveel barmhartigheid hoedt, zul je de herder van Mijn kudde, Israël, zijn.” Toen Mozes achter de geit aan rende, was hij “radicaal attent” op de behoeften van anderen. Omdat hij niet met zichzelf bezig was, was hij vrij en in staat te reageren op wat zich voor zijn neus afspeelde.

Ik geloof niet dat God Mozes beloonde met een promotie. God erkende eerder dat Mozes al was geworden wat een leider van Israël moet zijn: iemand wiens zelf zo transparant is dat het goddelijke doel ongehinderd door hem of haar heen kan schijnen. Door deze nederigheid bereikte Mozes een status die Mussar-denkers beschrijven als grootsheid, of gadlut, afgeleid van het Hebreeuwse woord gadol, groot. Deze specifieke term impliceert een niveau van innerlijke volmaaktheid, niet de uiterlijke kenmerken van grootheid, gemeten in rijkdom, bewondering of eerbewijzen. Het verwijst naar een verruimde staat van de ziel, een toestand waarin iemand de nauwe zelfzucht overstijgt en handelt vanuit een breed bewustzijn, verantwoordelijkheid en verbondenheid.

Mussar-denkers stellen vaak gadlut ha-nefesh (grootsheid van de ziel) tegenover katnut ha-nefesh (kleinheid van de ziel). In katnut is een persoon verkrampt, reactief en op zichzelf gericht. In gadlut is een persoon ruimdenkend, kalm en gericht op iets dat groter is dan hijzelf. Rabbi Shlomo Wolbe legt uit dat gadlut niet bereikt wordt door zelfverheerlijking, maar door het zelf te verfijnen en tot rust te brengen, totdat iets groters erdoorheen kan stromen.

Onlangs vierden we Shawoeot, Zman Matan Torateinu, de Tijd van het Ontvangen van onze Torah. De grote 19e-eeuwse wijze, bekend als de Sfat Emet (Hebreeuws voor de Taal van de Waarheid), leert het volgende: Paradoxaal genoeg kon Mozes de Torah juist ontvangen omdat hij zich in de hoogste fase van gadlut bevond, met de nederigheid die nodig was om een ​​geschikte innerlijke ruimte te creëren waar het goddelijke licht niet zou worden vervormd door eigenbelang. Mozes leerde zo ego-loos te worden dat hij vervuld kon worden met iets veel groters: de goddelijke wil, de dringende behoeften van een heel volk en de last van de openbaring.

Mozes beschrijven als de meest nederige mens op aarde en als de grootste leider in de Joodse geschiedenis zijn geen tegenstrijdige beschrijvingen van Mozes. Ze zijn één en dezelfde, gezien vanuit twee verschillende perspectieven. Zo ook onze nar die koning werd. Zijn nederigheid is de maatstaf van zijn grootheid. Toen de koning de nar koos als zijn opvolger, zag hij niet alleen een vriendelijke man, maar een man wiens ziel groot genoeg was om het lijden van de kleinen te dragen, en ook groot genoeg om een ​​heel koninkrijk te dragen. Maar belangrijker nog, de “Nar-koning” was nederig genoeg om de gevaren van macht te kennen en herinnerde zichzelf af en toe, op een zeer beeldende manier, aan wie hij vroeger was.

Moge u leren van nederige en meelevende leraren en leiders die zich herinneren waar ze vandaan komen en weten hoe ze ruimte kunnen maken voor anderen. En moge u op uw beurt de nederigheid ontwikkelen om volledig aanwezig te zijn in de ruimte die u toekomt, zodat u de persoon kunt worden die u bestemd bent te zijn.

Shabbat Shalom.

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Nasso

Bij ons in Nederland was Shawoeot twee dagen, waaronder een shabbat, en lazen wij Nasso. In Israël hadden ze echter maar één dag Shawoeot en shabbat was voor hun een ‘gewone’ shabbat. Dus lopen wij nu een week achter. Daarom deze week nog een commentaar op Nasso.

De Torah-lezing van deze week, Parasha Nasso, is het langste gedeelte van het hele jaar. De parasha raakt aan een ware bonte mengeling van onderwerpen.

In Numeri 7:1 lezen we:

וַיְהִ֡י בְּיוֹם֩ כַּלּ֨וֹת מֹשֶׁ֜ה לְהָקִ֣ים אֶת־הַמִּשְׁכָּ֗ן וַיִּמְשַׁ֨ח אֹת֜וֹ וַיְקַדֵּ֤שׁ אֹתוֹ֙ וְאֶת־כׇּל־כֵּלָ֔יו

וְאֶת־הַמִּזְבֵּ֖חַ וְאֶת־כׇּל־כֵּלָ֑יו וַיִּמְשָׁחֵ֖ם וַיְקַדֵּ֥שׁ אֹתָֽם׃

Op de dag dat Mozes klaar was met het opzetten van de “Woning”, zalfde hij deze en gaf aan alle erbij horende voorwerpen wijding, evenals aan het altaar en aan alle gerei dat daarbij behoort en toen hij ze had gezalfd en gewijd…

Ik zou niet verbaasd zijn als sommigen zeggen: “Ho even!?!? Hebben we dat niet al in Exodus gelezen?” Inderdaad, dat hebben we wel degelijk. De laatste hoofdstukken van Exodus, hoofdstukken 36-40, beschrijven het eigenlijke werk van het oprichten van de Mishkan. Toch lijkt hier, aan het begin van ons gedeelte, de vertelling van de Torah een stap terug in de tijd te doen. Rashi, die commentaar levert op ons vers, zegt: “Bezalel en Ohaliab en alle mannen met een wijs hart maakten de Tabernakel (zoals we in Exodus 36:1 lezen), maar hier schrijft de Schrift het werk toe aan Mozes.”

Degenen die de commentaren van Rashi hebben bestudeerd, weten dat het bestuderen van Rashi een beetje lijkt op de televisiequiz Jeopardy. Rashi geeft antwoorden, maar we moeten onszelf afvragen: “Mah kasheh l’Rashi“, wat ik losjes zal vertalen als “welk probleem behandelt Rashi?” Hij gaat verder door de vraag te beantwoorden: “Waarom schrijft de Torah het werk toe aan Mozes?”, wanneer we uit Exodus weten dat anderen het grootste deel van het eigenlijke werk hebben gedaan? Rashi leert:

Omdat Mozes zich volledig aan het werk van de bouw van de Mishkan wijdde, letterlijk – om te zien dat de vorm van elk voorwerp precies was zoals God hem op de berg had getoond – zodat hij, Mozes, de arbeiders kon laten zien hoe het gemaakt moest worden. En Mozes maakte geen enkele fout op geen enkele manier.

We vinden een soortgelijk geval bij David, omdat hij zich wijdde aan de bouw van de Heilige Tempel – zoals gezegd wordt (Psalmen 132:1-5): “Eeuwige, gedenk David, en al zijn lijden: Hoe hij aan de Eeuwige zwoer… Ik zal mijn ogen geen slaap geven… totdat ik een plaats voor de Heer vind…”, daarom wordt het naar hem genoemd, zoals gezegd wordt (1 Koningen 12:16): “Zie nu uw eigen huis, David” (gebaseerd op Midrasj Tanchuma, Naso 13).

Natuurlijk weten we dat David de Tempel niet zelf heeft gebouwd. Het was hem verboden om dat te doen. Het was zijn zoon en opvolger, Salomo, die het eigenlijke werk deed.

In Da’at Torah neemt Rabbi Yerucham Levovitz ons vers en Rashi’s interpretatie op om ons een belangrijke Mussar-les te leren. Hij verwijst naar een passage in Talmoed Menachot 29a:12.

Er wordt in een baraita onderwezen: Rabbi Yosei, zoon van Rabbi Jehuda, zegt: Een Ark van vuur, en een Tafel van vuur, en een Menora van vuur daalden neer uit de Hemelen, en Mozes zag hun vorm en maakte de vaten voor de Tabernakel naar hun gelijkenis. Zoals gezegd staat na het bevel om deze voorwerpen te maken: “En zie nu toe en maak het volgens hun modellen, die je op de Berg getoond zijn.” (Exodus 25:40).

In verband hiermee citeert Rav Yerucham Jeremia 1:10-11:

Het woord van GOD kwam tot mij:

Wat ziet u, Jeremia?

Ik antwoordde: Ik zie een tak van een amandelboom.

GOD zei tot mij: U hebt het goed gezien,

Want Ik waak erover om Mijn woord te laten geschieden.

Rav Yerucham verheft Gods woorden tot de profeet, הֵיטַ֣בְתָּ לִרְא֑וֹת – heytivta lir’ot – “u hebt het correct gezien.” Hij vergelijkt dit met een persoon die ’s nachts een droom heeft waarin hij de tak van een amandelboom ziet. Ze ontwaken dan ’s morgens en zien precies wat ze ’s nachts droomden. Hij leert:

Het is aan ons om te onderkennen en te geloven dat alle fysieke werkelijkheden die we in onze wereld waarnemen, het resultaat en de producten zijn van onze spiritualiteit. Als gevolg daarvan komen ze tot stand. Wanneer datgene wat we spiritueel waarnemen, gemanifesteerd en gekleed is in materiële werkelijkheid, is er een chiyut / vitaliteit, die zo lang standhoudt als het duurt. Wij moeten ernaar streven om de spirituele dimensies binnen onze fysieke realiteit te zien, ze tot één te verenigen, het spirituele met het fysieke.

Dit kan een beetje lastig te begrijpen zijn, dus Rav Yerucham trekt een analogie met het lichaam van een mens. Hij stelt dat

Het menselijk lichaam dat, met al zijn fysieke en chiyut / vitaliteit, afkomstig is van de spirituele werkelijkheid die het tot stand brengt. Maar die spiritualiteit is bekleed met het fysieke, namelijk het lichaam. En het lichaam is werkelijk fysiek, want het lichaam is het bestaan dat vorm geeft aan de geest. En de geest nefesh / ziel is ingebed in het lichaam.

Rav Yerucham vervolgt door te zeggen dat “dat het geval is met alle fysieke dingen. De ruchaniyut / spiritualiteit van een fysieke realiteit wordt gemanifesteerd in zijn nefesh / ziel. “De oude filosofen redeneerden dat de mazalot / constellaties n’fashot / zielen hadden.” Hij citeert dan Rambam die leert:

De hemelse sfeer is begiftigd met een ziel, en dat zal redelijk lijken voor allen die er voldoende over nadenken; maar bij de eerste gedachten kunnen ze het onbegrijpelijk of zelfs verwerpelijk vinden; omdat ze ten onrechte aannemen dat wanneer we een ziel toekennen aan de hemelse sferen, we iets bedoelen als de ziel van de mens, of die van een ezel of os. We bedoelen alleen te zeggen dat de voortbeweging van een hemellichaam ons ongetwijfeld ertoe brengt een inherent principe aan te nemen waardoor het beweegt; en dit principe moet zeker een ziel zijn.

Rav Yerucham’s volledige les gaat nog veel verder. De vraag kan worden gesteld: wat betekent dit voor ons in onze tijd en voor onze Mussar-reis? Wat mij betreft, zie ik verschillende mogelijke antwoorden en toepassingen zoals ze verband houden met ons werk met onze middot. Om te beginnen kunnen we naar onze wereld, onze lichamen en onze levens kijken en onthouden dat we, in onze zoektocht naar begrip, een houding van anavah / nederigheid moeten bewaren, want het ligt niet binnen ons vermogen om Gods werk en ons gecompliceerde universum volledig te begrijpen.

Een tweede benadering komt voort uit zijn vertrouwen op de les van Rambam, waarin Maimonides aandringt op hitbonnenut / diepgaande reflectie en niet op louter oppervlakkige pogingen om onze realiteiten te begrijpen. Dit vraagt opnieuw om anavah, zelfs als ik geloof dat het ook zerizut / ijver vraagt om actief te proberen  ons leven en onze wereld te begrijpen.

Een derde lens suggereert mij dat we kavod / eer in gedachten houden: hetzij kavod voor de Schepper, of kavod voor de Schepping, inclusief alles wat we zien. Kunnen we ons best doen om ons de nefesh en chiyut / vitaliteit in te beelden in alles wat we zien in de wereld om ons heen? Het betekent ook dat we ons bewust moeten zijn van kavod in relatie tot ons eigen lichaam en onze ziel.

En dit is slechts een begin. Ieder van ons kan en moet nadenken (middels hitbonnenut) over alles wat deel uitmaakt van ons bestaan in deze uitgestrekte en wonderbaarlijke wereld. Zeker iets om over na te denken terwijl we Shabbat Nasso verwelkomen!

VOOR FOCUS:

  • Ga zitten en reflecteer rustig een paar minuten per dag in de komende week: Kun je de moeite doen om de nefesh in te beelden in iets in de wereld om je heen waarin je de aanwezigheid van een nefesh misschien nog nooit eerder hebt overwogen?
  • Welke extra middot komen bij je op terwijl je reflecteert op de les van Rabbi Yerucham Levovitz over het vers uit ons gedeelte?
  • Hoe kan het idee van “goed zien” je informeren over hoe je de wereld om je heen ziet en ermee omgaat met respect en alsof alles in de Schepping echt zijn eigen nefesh heeft?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.

Parasha Nasso

Sjavoeot:
Het koesteren van innerlijke individualiteit

Met 176 verzen is parasha Nasso het langste gedeelte in de hele Torah. Het grootste deel van de lengte bevindt zich in hoofdstuk 7, waar de Torah in maar liefst 89 verzen schrijft over de dagen waarop Mozes de bouw van de tabernakel voltooide en over de dagen van de inwijdingsoffers die door de stamhoofden werden gebracht toen de tabernakel werd ingewijd.

וַיֹּ֥אמֶר יְהֹוָ֖ה אֶל־מֹשֶׁ֑ה נָשִׂ֨יא אֶחָ֜ד לַיּ֗וֹם נָשִׂ֤יא אֶחָד֙ לַיּ֔וֹם יַקְרִ֙יבוּ֙ אֶת־קׇרְבָּנָ֔ם לַחֲנֻכַּ֖ת הַמִּזְבֵּֽחַ׃

God zei tegen Mozes: Laten ze, telkens één vorst per dag, hun offergave brengen voor de inwijding van het altaar, elke dag één stamhoofd (Numeri 7:11).

De Torah beschrijft vervolgens elk van de twaalf offers in detail: zilveren en gouden voorwerpen gevuld met graan en wierook, samen met verschillende dieren die op het offeraltaar gebracht moesten worden. Wat enorm raadselachtig is, is dat elk van de leiders precies hetzelfde offer bracht: dezelfde maten, dezelfde inhoud en dezelfde mix van offerdieren. Waarom noemt de Tora elk offer afzonderlijk? En waarom geeft ze een eindtotaal van de offers, alsof we zelf niet zouden kunnen rekenen?

Om de vraag nog scherper te stellen: onze traditie leert dat elk vers – ja, elke letter – van de Torah door God aan Mozes is doorgegeven om ons een les te leren. Waarom zoveel waardevolle ruimte “verspillen” aan het herhalen van de details van identieke offers? Is dit bedoeld als een les in verdraagzaamheid… of lijden? Waarom geen rachmanut – mededogen – tonen aan de arme gemeente die gedwongen wordt deze lange en repetitieve parasha aan te horen?!

Als we kijken naar Ramban’s commentaar, dan suggereert hij eerst het volgende:

De Heilige, Gezegend zij Hij, schenkt eer aan hen die God eren, zoals God zei: “Want wie Mij eren, zal Ik eren.” Nu brachten alle stamhoofden dit offer naar de Tabernakel op dezelfde dag, omdat ze allemaal dachten dat ze het tegelijkertijd konden doen… God wilde hen echter allemaal bij naam noemen en de details van hun offers vermelden, en de dag waarop ieder zijn offer bracht aangeven, in plaats van de eerste te eren door te zeggen: “Dit was het offer van Nachsjon, de zoon van Aminadav”, en vervolgens te zeggen: “En zo bracht elk van de vorsten op zijn dag een offer”, want dat zou de eer van de anderen hebben geschaad. Daarna, d.w.z. nadat Hij ze allemaal afzonderlijk had opgesomd, nam God ze allemaal weer op in een algemeen vers, om ons te vertellen dat ze allemaal gelijk waren voor de Heilige God.

Ramban biedt vervolgens een tweede, diepere benadering, en zijn opmerkingen onthullen een levens-veranderende Torah-les over het koesteren en uiten van individualiteit die aan de basis ligt van een Mussar-perspectief.

Hij legt uit dat elke leider – onafhankelijk van elkaar – ervoor koos om precies hetzelfde offer te brengen, maar dat elk dit deed met een andere intentie. Met andere woorden, elke leider bracht – trouw aan zijn individuele aard – wat uiterlijk hetzelfde geschenk leek, maar om totaal verschillende redenen. Daarom noemt de Torah elk offer afzonderlijk, omdat ze verschillend zijn, ook al leken ze uiterlijk identiek.

De woorden zijn niet overbodig. De lange passage biedt een diepgaand inzicht in een Mussar-benadering van het koesteren van individualiteit: aan de buitenkant, in onze uiterlijke handelingen, kan alles hetzelfde lijken; vanbinnen, in onze innerlijke wereld, wordt individualiteit gecultiveerd en uitgedrukt.

Onze cultuur waardeert individualiteit terecht, maar legt vaak de nadruk op het uiterlijk naar buiten treden ervan, in uiterlijke differentiatie, stijl, branding, de zichtbare signalen die zeggen: “dit ben ik.” Zonder uiterlijke verschillen, denkt men, moet men wel onderdrukken wie men werkelijk is. De Torah legt daarentegen de nadruk op het cultiveren van het zelf dat onder de oppervlakte leeft: de innerlijke wereld van intentie, aandacht en keuze. Ieder mens moet zijn unieke individualiteit tot uitdrukking brengen, zijn specifieke heiligheid en goddelijkheid. Maar de les van de Torah is om onze innerlijke individualiteit te koesteren, omdat de essentie van een persoon vanbinnen ligt.

Om dit te illustreren vanuit mijn eigen ervaring: als je de traditionele jesjiva was binnengelopen waar ik jarenlang studeerde, had je misschien gedacht dat je dubbel zag. Iedereen zag er bijna precies hetzelfde uit – gekleed in een soort uniform van witte overhemden en donkere broeken, met soortgelijke korte kapsels. Op het eerste gezicht leek het een toonbeeld van conformiteit, dat individuele expressie onderdrukte. Maar niets was minder waar. Binnen die uiterlijke uniformiteit leefden opvallend verschillende geesten, temperamenten en spirituele worstelingen.

De les van de Torah gaat nog verder: uiterlijke uniformiteit kan juist innerlijke individualiteit voeden. Groei heeft weerstand nodig. Niemand bouwt spieren op zonder gewichten aan de stang. Wanneer we “gedwongen” worden ons uiterlijke zelf te beperken tot een niet origineel, opgelegd uiterlijk, worden we gedwongen de spieren van ons innerlijke zelf aan te spannen, worstelend om datgene wat er van buitenaf onorigineel uitziet, op een originele manier te doen.

Deze erev Shabbat vieren we Shavuot, ter herdenking van de ontvangst van de Torah op de berg Sinaï. Onze traditie leert dat de Torah 613 mitswot bevat, geboden en rituelen die bedoeld zijn om elk aspect van ons leven te sturen. Met zoveel gedeelde structuur, hoe moeten we dan onze individualiteit uiten?

Onze parasha geeft een antwoord: de Torah draagt ​​ons allen op dezelfde uiterlijke rituelen uit te voeren, zodat ieder van ons zijn of haar unieke innerlijke offer kan brengen. Shabbat is rijk aan rituelen en structuur die ons helpen verbinding te maken met heiligheid en de kalme rust te ervaren van het vertoeven in Gods aanwezigheid – dezelfde kaarsen, dezelfde kidoesh, dezelfde gebeden. Dit is niet bedoeld om persoonlijke expressie te onderdrukken; het is bedoeld om ons te helpen onze innerlijke individualiteit te koesteren. Wat wil jij in deze rituelen leggen?

Probeer dit eens: kies een Shabbat-ritueel (kaarsen aansteken, een feestelijke maaltijd, het reciteren van de kidoesh, één regel van een gebed) en noem één intentie die je wilt cultiveren en uitdrukken – nederigheid, dankbaarheid, geduld, liefde, gebruik de uiterlijke structuur om je diepste innerlijke zelf tot uitdrukking te brengen.

In de Mussar-praktijk is dit het verschil tussen routine en transformatie. Spiritueel werk komt tot leven wanneer het mijn individualiteit uitdrukt, mijn intentie, mijn innerlijke wereld, mijn specifieke keuze. Dus, wanneer ik een daad van liefdevolle vriendelijkheid of vrijgevigheid verricht, is de vraag niet alleen wat ik heb gedaan, maar ook hoe en waarom: met welke intentie, met welke nederigheid, met welke moed, en op welke manier ik de gedeelde uiterlijke handeling tot de mijne heb gemaakt – een uitdrukking van mijn unieke zelf. De herhalingen in de Torah leren ons dat uiterlijke uniformiteit juist de ruimte kan worden die ons uitnodigt om onze innerlijke individualiteit te koesteren en tot uitdrukking te brengen.

Geniet van de cheesecake – en moge jullie gezamenlijke rituelen ruimte bieden voor jouw unieke innerlijke bijdrage.
Chag Shavuot Sameach en Shabbat Shalom!

Download deze parashah

Lees het originele bericht in het Engels