Parashat Eikev
Wat we leren als we het niet weten
Ik ben nooit goed geweest in toetsen maken. Mijn wiskunde les op de middelbare school is daar een goed voorbeeld van. Ondanks mijn beste pogingen om wiskundige concepten zoals punten, lijnen en vlakken te begrijpen, weet ik nog dat ik me gefrustreerd en plotseling “onhandig” voelde tijdens wiskunde proefwerken. Maar twee dingen staan me nog steeds helder voor de geest: 1) Een behulpzame klasgenoot die zich steevast om mij bekommerde en altijd vroeg: “Sharon, begrijp je het?” wanneer onze leraar, meneer Yokoyama, een nieuw concept introduceerde; en 2) Meneer Yokoyama, die voor elk proefwerk vrolijk aankondigde: “Ik ben dol op proefwerken! Ze leren me wat ik niet weet!”
Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat ik die twee opmerkingen – die al (bijna 45) jaren later – mij nog steeds kan herinneren. Nu besef ik wat ze me hebben geleerd over anavah, de middah (karaktertrek) van nederigheid. Het zou zomaar kunnen dat mijn ervaring met meetkunde in de tiende klas een van mijn eerste lessen in anavah was.

Onze parasja van deze week, Eikev, kan ons het een en ander leren over wat het betekent om nederig te zijn tegenover nieuwe concepten en uitdagende stof – met andere woorden, wanneer we voor een nieuwe test staan. De test in Eikev komt van God via Mozes tot het Joodse volk en luidt als volgt:
“Heel het gebod dat ik jullie opdraag moeten jullie nauwgezet nakomen opdat jullie zult leven, talrijk zult worden en het land zult kunnen binnentrekken en veroveren, dat de Eeuwige jullie voorouders onder ede heeft beloofd.
Denk dan aan heel de weg die de Eeuwige, je God, je deze afgelopen veertig jaar in de woestijn heeft laten gaan om, door je door ontberingen op de proef te stellen, te weten te komen of het wel je hartewens is je aan Zijn geboden te houden of niet.” (Deuteronomium 8:1-2)
Hoe toepasselijk dat deze woorden worden uitgesproken door Mozes, Gods ultieme ‘proefwerk-maker.’ Mozes wordt algemeen beschouwd als de persoon met de meeste anavah, de ultieme vorm van nederigheid en lijkt zijn eigen levenservaring te gebruiken om het volk in de juiste richting te leiden. Denk bijvoorbeeld aan het moment waarop hij geroepen wordt om het volk naar de vrijheid te leiden en vraagt: “Wie ben ik…?” (Exodus 3:11); of nadat het volk het gouden kalf heeft gebouwd en Mozes God smeekt het volk te sparen (Exodus 32:11-14); wanneer zijn broer en zus Aäron en Mirjam kritiek uiten op zijn huwelijk en hij niet boos wordt (Numeri 12:1-13); en wanneer zijn schoonvader Jethro Mozes adviseert om de leiding te delegeren (Exodus 18). Hij heeft misschien niet elke uitdaging gezien als een beproeving van Gods moed en vastberadenheid om te leiden; maar in elk geval toont Mozes anavah door toe te geven dat hij op dat moment niet alles weet wat er te weten valt, en uiteindelijk door te vertrouwen op iets dat groter is dan hijzelf, namelijk de Heilige. Dat is het teken van een groot – ja, de grootste leider ooit – van ons volk.
Te veel leiders lijken tegenwoordig moeite te hebben om toe te geven dat ze het antwoord niet weten op de dilemma’s die voor hen liggen. Hoe zou het zijn als een van hen zou verklaren: “Ik weet niet zeker of ik dit probleem kan oplossen, maar ik wil het zeker wel. Ik zal mezelf omringen met de best opgeleide, nuchtere, meelevende en attente mensen om me te helpen deze test op te lossen die voor ons ligt. Ik was hier niet echt op voorbereid, maar ik zal mijn uiterste best doen om ieders belangen ter harte te nemen, terwijl ik de beste beslissing neem die ik respectvol en verantwoordelijk acht voor ons allemaal.”
Het is zijn verdienste dat Mozes, door goddelijke beproeving na goddelijke beproeving, gaat begrijpen dat wanneer er een nieuwe uitdaging zich aankondigt die ongekend en mogelijk gevaarlijk lijkt, hij kan toegeven dat hij overvraagd is, om hulp kan vragen en van de ervaring kan leren. In de woorden van mijn wiskundeleraar: “om te leren wat hij niet weet.”
We moeten ons, net als Moshe Rabbeinu, op ons gemak voelen met de potentieel ongemakkelijke zin: ‘Ik weet het niet.’ De rabbijnen van de Talmoed (Brachot 4a) vermanen ons om: “Gewen je tong om te zeggen: ik weet het niet, anders raak je verstrikt in een web van bedrog.” Als we ons gebrek aan kennis of begrip niet toegeven, brengen we anderen op een dwaalspoor. We ontnemen onszelf ook de mogelijkheid om waardevolle wijsheid te verwerven uit de beproevingen in ons leven.

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.




