Parasha Pinchas

De Innerlijke Pinchas

Gerechtvaardigde verontwaardiging is tegenwoordig overal. In ons nieuws zien we voortdurend mensen die met fanatieke zekerheid hun eigen mening verkondigen, ongeacht de consequenties voor anderen of voor de samenleving als geheel. Doordachte overweging, nuance en nederigheid worden gezien als tekenen van zwakte. Het lijkt erop dat men alleen gehoord kan worden door te schreeuwen.

Veel mensen lijken te denken dat gerechtvaardigde verontwaardiging een positieve eigenschap is. Hun redenering is dat verontwaardiging namens anderen veel deugdzamer is dan ongecontroleerde woede als uiting van louter persoonlijke behoeften. Volgens deze opvatting is men bezig, als men uit woede opkomt voor mensen die zorg en steun nodig hebben, voor rechtvaardigheid en niet uit louter reactiviteit.

Ik ben daar niet helemaal van overtuigd. Hoewel gerechtvaardigde verontwaardiging zeker een drijfveer kan zijn voor rechtvaardigheidsstrijd en een bron van energie om voor de rechten van anderen te vechten, roept het maar al te gemakkelijk enkele van onze slechtste eigenschappen op. Terwijl we onszelf wijsmaken dat we opkomen voor wat rechtvaardig is, zijn we ons vaak niet bewust van hoe gedreven we worden door onze eigen egoïstische behoeften, hoeveel schade we kunnen aanrichten in relaties en hoe intolerant we zijn tegenover mensen die een kwestie anders interpreteren dan wij.

Naar mijn mening is Pinchas het centrale voorbeeld van dit soort gedrag, hoewel de traditie verschilt over hoe we zijn gedrag moeten interpreteren.

Aan het einde van de parasha van vorige week vertelde de Torah ons dat Israëlitische mannen Midianitische vrouwen verleidden, die op hun beurt de Israëlieten overhaalden om de Midianitische god Baäl-Peor te aanbidden. De tekst vertelt ons dat God woedend was en erop stond dat de schuldige Israëlitische mannen in het openbaar gespietst zouden worden, waarna een enorme plaag 24.000 Israëlieten trof. De leden van de gemeenschap huilden en rouwden, maar één Israëliet had openlijk seksuele relaties met zijn Midianitische minnares. Toen Pinchas (de kleinzoon van Aäron, de hogepriester) deze schandelijke daad zag, spietste hij de twee onmiddellijk. Op de een of andere manier wist zijn uitbarsting van gewelddadige woede Gods toorn te bedaren, en de plaag kwam ten einde.

Ten slotte, en het meest raadselachtig, verklaart God over Pinchas:

“… heeft Mijn woede afgewend van de Kinderen van Israël doordat hij temidden van hen Mijn recht voor Mij heeft opgeëist, zodat Ik de Kinderen van Israël niet op grond van Mijn recht behoefde te vernietigen. Zeg het daarom voort: Hiervoor bied Ik hem Mijn vredesverbond aan. Dat betekent voor hem en voor zijn  nakomelingen een verbond voor een eeuwig ​​priesterschap omdat hij het recht voor zijn God opeiste en zo verzoening bewerkte voor de Kinderen van Israël.” (Numeri 25:11-13)

Het verhaal van golven van gewelddadige woede in dit verhaal is duizelingwekkend. God ontplofte in een vlaag van felle jaloezie. Een gemeenschapsleider stond woedend op en slachtte in aanwezigheid van de hele gemeenschap een man en een vrouw af wegens hun zedendelict. En God verleende Pinchas een ‘brit shalom’, een verbond van vrede of vriendschap.

De letterlijke betekenis van de tekst lijkt te zijn dat het verbond een beloning is voor de gewelddaad van Pinchas. Veel commentatoren, verontrust door deze lezing, merken echter op dat de ‘vav’ in het woord ‘shalom’ merkwaardig genoeg in tweeën is gesplitst, wat sommigen beschouwen als een aanwijzing dat er geen vrede kan voortkomen uit zulke wreedheden, en dat het verbond niet bedoeld is als beloning, maar als tegengif voor de onbeheersbare woede van Pinchas.

Hoewel veel traditionele bronnen in dit verhaal de suggestie zien dat fanatisme of extreme hartstocht ten behoeve van Gods eer een deugd kan zijn, heb ik Pinchas lange tijd gezien als een waarschuwend verhaal, een uitdrukking van het tegenovergestelde van de Joodse lessen over deugden. De joodse wijsheid waardeert nederigheid, verdraagzaamheid, bedachtzaamheid, zachtmoedigheid, respect voor alle mensen en het nastreven van vrede (zoveel mogelijk in de juiste verhoudingen). En dan komen we Pinchas tegen. Wat moeten we van Pinchas leren, vooral dit jaar, in zo’n gewelddadige en heftige tijd?

Ik word getrokken richting diverse klassieke Joodse lessen over de gevaren van woede en fanatisme.

In de beroemde Mishna in Avot zei Rabbi Elazar Ha-Kappar: “De nijd (jaloezie), de begeerte en de eerzucht brengen de mens uit de wereld” (Avot, hoofdstuk 4.21). Het woord voor afgunst (kinah) betekent ook ‘ijverzucht’, het woord dat God gebruikt om de gewelddadige daad van Pinchas te beschrijven. Ik begrijp dat deze Mishna betekent dat fanatisme/afgunst, lust en het verlangen naar eer ervoor zorgen dat we ons verstand verliezen. Deze energieën zijn zo krachtig en overweldigend dat ze ons doen vergeten wie we zijn en waar we in geloven. Voorbeelden hiervan zien we dagelijks in het publieke domein. En als studenten van Mussar kunnen we ook denken aan momenten waarop afgunst, verlangen naar eer en rechtvaardig fanatisme ervoor zorgen dat we ons eigen verstand verliezen en ver van ons beste zelf afdwalen.

De Talmoed in Shabbat 105b gaat zelfs zo ver dat woede gelijkgesteld wordt aan afgoderij:

“Als iemand uit woede zijn kleding scheurt, uit woede zijn keukengerei breekt of uit woede zijn geld versnippert, moet deze persoon worden gezien als een afgoden dienaar. Want dat is de list van de kwade neiging: vandaag zegt het je ‘doe dit’, en de volgende dag zegt het je ‘doe dit’ totdat het je zegt: ‘Beoefen afgoderij!’ en iemand gaat het nog doen ook.”

Dat wil zeggen dat vurige woede iemand tot steeds diepere zondige daden kan aanzetten.

Of, om het anders te zeggen, in Talmoed Nedarim 22b suggereert Rabba bar Rav Huna scherpzinnig: “Iedereen die boos wordt, op dat moment is zelfs de goddelijke aanwezigheid niet belangrijk voor hem.” Woede beweert dat het enige dat er toe doet, mijn eigen percepties, mijn eigen waarden, mijn eigen overtuigingen zijn. Zo vol van mijn eigen gedachten en gevoelens, is er geen ruimte voor God. Ik aanbid mezelf in plaats van de Heilige.

Zeker, er zijn momenten waarop woede nodig is. Het kan nodig zijn om te voorkomen dat de ene persoon de ander pijn doet, of als er een einde moet worden gemaakt aan ernstig onrecht. Maar ik zou willen suggereren dat de yetzer hara vaak in woede leeft. Wat begint als een beperkte behoefte om het juiste te doen, speelt al snel in op onze eigen ego-behoeften, ons verlangen naar aandacht en roem, en onze neiging om anderen te kleineren. Woede wordt, net als de woede die in het Pinchas-verhaal wordt beschreven, een laaiend vuur dat veel te moeilijk te blussen is.

Ik denk dat Pinchas ons vanuit de Torah oproept om waakzaam te zijn als onze eigen gerechtvaardigde woede de kop opsteekt. Zelfs als het lijkt alsof God het goedkeurt, zelfs als onze aanvankelijke motivatie was om een ​​hoger goed te dienen, kunnen onze lagere instincten naar voren komen en kunnen we onszelf en anderen meer kwaad dan goed doen. Woede, geweld en ontmenselijking van anderen zijn niet de weg naar gerechtigheid. Vrede – tussen individuen of tussen naties – kan nooit tot stand komen door bloedvergieten. Mogen we acht slaan op het waarschuwende verhaal van Pinchas.

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.