Parasha Toldot

Iets langer dan twee jaar geleden verwees ik naar het boek van mijn leraar Rabbijn Norman J.Cohen ‘Self, Struggle and Change: Family Conflict Stories in Genesis and Their Healing Insights for Our Lives.’ In dit boek, samen met een ander werk, ‘Voices From Genesis: Guiding Us Through The Stages Of Life,’ onderzoekt rabbijn Cohen de complexe aard van interpersoonlijke relaties. Met Genesis als basis, samen met de Midrash en andere rabbijnse bronnen, opent hij doorkijkjes voor de lezer om inzichten te verschaffen in gezin, ouders, kinderen en broers en zussen, waarbij  hij de levens van onze Bijbelse voorouders presenteert als paradigma’s van de complexiteit van intermenselijke relaties. Dr. Cohen leert dat Bereishit ons meest herkenbare boek is, omdat het verhalen vertelt die de complexe realiteit van ons leven weerspiegelen, zelfs al leven we duizenden jaren verwijderd van de levens van Abraham en Sarah, Isaak en Rebecca, en Jakob, Rachel en Lea. Hij leert dat we ons kunnen identificeren met Genesis omdat het de verhalen over conflicten in families, tussen broers en zussen en in andere relaties weerspiegelt.

Terwijl we onze reis door Sefer Bereishit voortzetten, ontvouwen zich week na week nieuwe lagen van de complexiteit van menselijke interacties. Deze week is daarop geen uitzondering, want we komen bij Parasha Toldot, dat het verhaal oppakt vanuit de Abraham/Sarah-verhalencyclus, ruimte gevend aan Isaak/Rebekka en zich bijna onmiddellijk richtend op Esau en Jakob.

Een belangrijk punt van Parasha Toldot is de geboorte en het leven van de tweelingbroers Jakob en Esau. Natuurlijk kan dit niet worden gelezen zonder aandacht te besteden aan de daden van hun ouders, Isaak en Rebecca.

In Shiurei Chumash Bereishit voegt rabbijn Shlomo Wolbe zich bij het koor van generaties lezers en verklaarders van de complexe relaties binnen deze familie. Aan het begin van ons gedeelte lezen we:

וַיְהִ֤י יִצְחָק֙ בֶּן־אַרְבָּעִ֣ים שָׁנָ֔ה בְּקַחְתּ֣וֹ אֶת־רִבְקָ֗ה בַּת־בְּתוּאֵל֙ הָֽאֲרַמִּ֔י מִפַּדַּ֖ן אֲרָ֑ם

אֲח֛וֹת לָבָ֥ן הָאֲרַמִּ֖י ל֥וֹ לְאִשָּֽׁה׃

Isaak was veertig jaar toen hij zich Rebekka tot vrouw nam, de dochter van Bethoeël de Arameeër uit Padan-Aram, de zuster van Laban de Arameeër.

Rav Wolbe verwijst naar een opmerking van Rashi, die stelt:

Stond er niet al geschreven dat Rebecca de dochter van Bethoeël was en de zus van Laban van Padan-Aram? Deze feiten worden ons verteld om haar te prijzen – ze was de dochter van een slechte man, de zus van een slechte man, en haar vaderland was een land vol slechte mensen. Toch is het opmerkelijk dat ze niets van hun daden overnam.

Rav Wolbe pakt de les van Rashi als volgt op:

Hieruit kunnen we opmaken dat leren niet alleen uit boeken komt. Er is nog een andere vorm van leren. We leren ook door imitatie. In het gebed Ahava Rabba zeggen we:

ותן בלבנו להבין ולהשכיל לשמוע ללמוד — Vten blibeynu lhavin u-lhaskil, lishmoa lil-mod… “En plaats begrip en onderscheidingsvermogen in ons hart, om te luisteren, om te leren…”

Op het eerste gezicht lijkt dit niet in de juiste volgorde te staan. Zou begrip niet vóór leren moeten komen? In deze context betekent ‘leren’ zien hoe wijsheid in daden kan worden omgezet. Een mens heeft immers pas echt geleerd als imitatie instinctief wordt. Leren wordt afgemeten aan de hand van daden. Aan de hand van iemands daden kunnen we zien van wie hij of zij iets heeft geleerd, omdat mensen van nature diegenen imiteren van wie ze iets hebben geleerd.

In moderne termen kunnen we dit relateren aan rolmodellen. Zoals we uit onze levenservaringen weten, leren we zowel positieve als negatieve lessen van anderen. We moeten alle lessen en invloeden doornemen om te kunnen onderscheiden wat we moeten nadoen en wat we links moeten laten liggen.

Rav Wolbe geeft het voorbeeld van een jong kind dat van zijn ouders leert:

Een baby leert spreken door zijn moeder te imiteren. Hij probeert te spreken zoals zij, en ontwikkelt zodoende spraak. Een jonge leerling wordt zelfstandig in het leren door naar de lessen van zijn leraar te luisteren en vervolgens te proberen de manier van leren van zijn leraar te imiteren. Hetzelfde geldt voor moreel gedrag. Een kind leert van zijn ouders hoe te handelen.

Rav Wolbe prijst Rebecca en stelt:

Dit is Rebecca’s grote verdienste: hoewel ze de dochter was van een slechte man, de zus van een slechte man, en tussen slechte mensen leefde, leerde ze niets van hun gewoonten. Het is moeilijk te begrijpen hoe een driejarig meisje – wier ontwikkeling voornamelijk door imitatie tot stand komt – zo’n opmerkelijke spirituele gevoeligheid kon hebben dat ze ervan afzag hun gewoonten over te nemen. Het moet daarom worden uitgelegd dat ze al vanaf de baarmoeder een gevoel van kedushah / heiligheid bezat. Ze voelde intuïtief aan dat hun pad niet het juiste voor haar was, en ze verwierp instinctief hun gewoonten.

We halen allemaal verschillende dingen uit onze levenservaringen en onze interacties met anderen. Zelfs eeneiige tweelingen zijn niet volledig identiek, niet qua uiterlijk en zeker niet qua karakter. In onze parasha blijken Jakob en Esau, geboren als tweelingen van hun ouders, heel verschillende mensen te zijn. In Genesis 25:27 lezen we:

וַֽיִּגְדְּלוּ֙ הַנְּעָרִ֔ים וַיְהִ֣י עֵשָׂ֗ו אִ֛ישׁ יֹדֵ֥עַ צַ֖יִד אִ֣ישׁ שָׂדֶ֑ה וְיַעֲקֹב֙ אִ֣ישׁ תָּ֔ם יֹשֵׁ֖ב אֹהָלִֽים׃

Toen de jongens groot waren geworden, werd Esau een kundig jager, een man van de steppe, terwijl Jakob een ingetogen mens was, een tentbewoner.

We kunnen ons opnieuw wenden tot Rashi, die een observatie uit de Midrash deelt:

Zolang ze jong waren, konden ze niet worden onderscheiden door wat ze deden, en niemand schonk veel aandacht aan hun karakter. Toen ze echter dertien jaar oud waren, ging de een, Jakob naar de leerhuizen, en de ander, Esau naar afgodische tempels.

Rashi vervolgt:

Esau was een ish yode’a tzayid – een KUNDIGE JAGER. Letterlijk begreep hij de jacht. Dat wil zeggen, hij begreep hoe hij zijn vader met zijn mond moest vangen en bedriegen. Hij vroeg hem: “Vader, hoe moeten van zout en stro tienden worden afgezonderd?” (hoewel hij heel goed wist dat deze niet onder de wet van de tienden vallen.) Zijn vader geloofde dan ook dat hij zich zeer stipt aan de goddelijke verordeningen hield.

In tegenstelling daarmee merkt Rashi op:

Jakob was een Ish Tam – EEN EENVOUDIGE [of simpele] MAN. Hij was geen expert in al deze dingen: zijn hart was zijn mond (wat betekent dat zijn gedachten en zijn woorden op één lijn lagen). Iemand die niet vindingrijk is in het bedriegen van mensen, wordt tam / eenvoudig of simpel genoemd.

Rav Wolbes leraar, Rabbi Yerucham Levovitz, leest tam echter niet als “simpel” of “eenvoudig”. Hij leert:

De beschrijving tam verwijst naar de deugd van t’mimut (heelheid of onschuld). Rashi’s woorden “Jakobs hart en mond waren gelijk” drukken die positieve eigenschap uit – hij miste volledig het vermogen om te bedriegen, omdat zijn innerlijke zelf en spraak identiek waren.

Daarentegen beschrijft de Torah Esau als yode’a tzayid, iemand die weet, wat betekent dat hij het vermogen bezit om te bedriegen. Dit staat haaks op de eigenschap van t’mimut, waarvan de essentie juist is dat men het vermogen tot bedrog mist, puur en volledig in zijn/haar oprechtheid.

Maimonides leert dat vóór Adams zonde in de Hof van Eden alles van nature in hem aanwezig was. Pas na de zonde werd hij een wezen van keuze. Als dat zo is, dan zou het kunnen lijken dat een zondaar er voordeel uit haalt, want na de zonde is er meer bewustzijn aan hem toegevoegd. De Schrift zegt dat hij in staat werd om “goed en kwaad te kennen”.

Bewustzijn en onderscheidingsvermogen van wat goed en wat fout is, maken deel uit van onze verantwoordelijkheid in een leven van Torah en Mussar. De rol van bechirah / keuze is een belangrijk onderdeel van ons leren van onze rolmodellen, en van het onderscheiden tussen wat navolgenswaardig is, en wanneer we van een negatief voorbeeld moeten leren wat we niet moeten doen. Kennis en onderscheidingsvermogen zijn belangrijke onderdelen van onze studie, de praktijk en ons Mussar leven.

TER FOCUS:

  • Wie heeft een belangrijke invloed op je leven gehad? Ouders en grootouders zullen ongetwijfeld een rol spelen – hetzij vanwege positief rolmodelschap, hetzij vanwege het tegenovergestelde. Broers, zussen, andere familieleden, leraren, buren, collega’s, en er zijn waarschijnlijk nog meer mensen die een voorbeeld hebben gegeven op manieren waarvan jij iets hebt geleerd. Maak een lijstje.
  • Kun je een voorbeeld bedenken waarbij je hebt geleerd door negatieve voorbeelden? Hoe heeft dat je beïnvloed om een ​​andere aanpak of pad te kiezen in hoe je denkt, spreekt en handelt?
  • Welke keuzes kun je herkennen als onderdeel van je zielscurriculum die je leiden naar t’mimut / heelheid, hetgeen Rav Levovitz als prijzenswaardig beschouwt? Welke een of twee dingen zou je deze week kunnen doen om naar t’mimut te streven?

Download dit commentaar

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.