Parasha Ki Tavo

Een grappig voorval op weg naar de Parasha

Mijn wekelijkse duik in onze parasha begint vaak met het herlezen van thema’s die we in voorgaande jaren hebben gedeeld. Daarna bestudeer ik de sidra opnieuw met mijn bronnen – zowel Sefaria.org als mijn geliefde Sifrei Mussar (Mussar-boeken). Als je Sefaria nog nooit hebt bekeken, dan ben je het jezelf verplicht om dat eens te doen. Het is een steeds uitbreidende online bibliotheek van Joodse teksten. Een van de uitbreidingen van de afgelopen jaren is het toenemende aanbod van Mussar.

De “lens” van dit jaar kwam uit een vertrouwde, maar onverwachte bron: Rabbi Shlomo Wolbe. In de zomer keer ik vaak terug naar een gekoesterd deel uit mijn Rav Wolbe-collectie – Daat Shlomo / “de kennis van Shlomo”, dat uit drie delen bestaat. Het deel dat ik het vaakst raadpleeg, draagt de ondertitel Maamarei Ymei HaRatzon Elul – “Artikelen over de Dagen van Goddelijke Genade – Elloel,” zoals dit seizoen vaak genoemd wordt. Het verzamelt de lessen en lezingen van Rav Wolbe gedurende vele jaren over deze periode.

Terwijl ik door het deel bladerde, op zoek naar passages die ik nog niet eerder had bestudeerd, stuitte ik op een stuk over het zielenwerk van dit seizoen, dat Rav Wolbe baseert op de parasha van deze week, Parasha Ki Tavo. In de uitgebreide transcriptie van zijn toespraak bespreekt Rav Wolbe de drie centrale thema’s van de sjofar-dienst op Rosh Hasjana: Malchuyot (Gods soevereiniteit), Zichronot (gedenkingen) en Shofarot (de klanken van de sjofar).

Zoals Rav Wolbe uitlegt, bevat Parshat Ki Tavo verschillende kernpunten:

  • De mitzvot met betrekking tot het brengen van de Bikkurim / Eerste vruchten van de lente-oogst, die verbonden zijn met ons Wekenfeest / Shavuot.
  • Een viddui / zonden-belijdenis over de tienden die gepaard gaan met het binnen brengen van de oogst.
  • Een lange reeks zegeningen en vloeken, bedoeld om de Israëlieten – zowel individueel als collectief – aan te sporen de geboden na te leven en dichter bij God te komen.

Rav Wolbe merkt op:

Wie de parasha van Ki Tavo overdenkt, zal merken dat het hele verhaal handelt over de openbaring van daden, van het begin tot het einde. Aan het slot van Mozes’ woorden: “De Eeuwige heeft u geen hart gegeven om te weten, noch ogen om te zien, noch oren om te horen tot op deze dag.” Dit werd gezegd omdat het pas was op het moment dat alle stammen een Torah-rol aan Mozes vroegen, dit vormde toen een ware openbaring van het hele volk van Israël en weerspiegelde hun liefde voor en verlangen naar de heilige Torah.

We moeten hierbij opmerken dat er in Deuteronomium geen passage staat waarin alle stammen een rol aan Mozes vragen. Dit idee komt voort uit latere rabbijnse traditie. In de Mishneh Torah schrijft Maimonides:

Mozes, onze leraar, schreef persoonlijk de hele Torah op vóór zijn dood. Hij gaf een Torah-rol aan elke stam en plaatste nog een rol in de ark als getuigenis, zoals Deuteronomium 31:26 zegt: “Neem dit Torah-boek en leg het aan de kant van de ark met het verbond van de Eeuwige, jullie God, want daar kan het getuige tegen jullie zijn.”

Rav Wolbe leert ons dat het niet alleen gaat om Matan Torah – het geven van de Torah. Wij moeten haar ontvangen, zoals de traditie leert uit de handeling van Mozes die elke stam een rol gaf als antwoord op hun “verzoek,” als een teken van het verlangen en de bereidheid van het volk om haar te ontvangen. Het is een proces, geven en ontvangen, dat we voortzetten als we onze traditie bestuderen en beoefenen. Elloel en deze Ymei Ratzon /  “Dagen van Goddelijke Genade” – bieden ons de kans om op een metaforische resetknop te drukken, terwijl we ons leven herzien middels cheshbon ha-nefesh en teshuvah, en zo nader tot de lessen van onze traditie en de Heilige komen.

De viddui-liturgieën (belijdenissen) en selichot-gebeden om vergeving spelen sleutelrollen in het zielswerk van dit seizoen. In zijn les bespreekt Rav Wolbe de viddui en haar werking uitgebreid:

Zoals bekend is de positieve mitswa van teshuvah / inkeer de viddui. Maar deze moet gepaard gaan met volledige teshuvah. Want na spijt, het achterlaten van de zonde, en een voornemen voor de toekomst – wat is dan nog de functie van de viddui?

Hij citeert de Gemara (Talmoed, Sanhedrin 43b:1) :

Rabbi Yehoshua ben Levi zegt: Ieder die zijn yetzer / kwade neiging slacht nadat die hem tot zonde heeft verleid, als hij berouw toont en zijn zonde belijdt, schrijft de Schrift hem toe alsof hij de Heilige in twee werelden heeft geëerd: deze wereld en de komende wereld. Zoals er staat: Wie een dankoffer (todah) slacht, eert Mij” (Psalm 50:23). Dit kan ook gelezen worden als: wie zijn yetzer ha-ra slacht en belijdt (mitvadeh), eert Mij. De twee letters noen in het woord yekhab-daneni verwijzen naar de twee werelden.

Verderop leert de Misjna in Talmoed Sanhedrin 43b:3:

Wie belijdt en berouw heeft over zijn overtredingen heeft een aandeel in de Komende Wereld. Want zo lezen we met betrekking tot Achan, dat Jozua aan hem zei: Mijn zoon, geef toch eer aan de Eeuwige, de God van Israël, en doe belijdenis voor [God]” (Jozua 7:19).

Veel van Rav Wolbe’s betoog richt zich daarna op hashgachah / Goddelijke voorzienigheid – Gods aandacht, waakzaamheid en zorg voor Gods schepselen. Volgens onze Wijzen en de lessen van de baalei Mussar is een van de doelen in deze “Dagen van Goddelijke Genade” dat wij Gods hashgachah vernieuwd zoeken en voelen. Natuurlijk begrijpt ieder mens dit op zijn eigen persoonlijke manier. Wat iemand wel of niet gelooft in termen van theologie doet niets af aan het wezenlijke zielswerk van dit seizoen.

Rav Wolbe leert:

De handeling van viddui komt alleen voort uit het herkennen van Gods hashgachah. Het onderwerp gaat dan verder op een wonderlijke manier: de cheyt / zonde is erger dan alleen maar het verbergen van Gods aangezicht voor de zondaar – het verbergt het aangezicht van de zondaar voor de Schepper…. Dit is wat de profeet Jesaja zei:

Ha! Degenen die hun plannen zouden verbergen!

Ver weg van GOD

Die hun werk op duistere plaatsen doen

en zeggen: “Wie ziet ons, wie neemt nota van ons?”

Want een mens graaft door zonde diep om [zichzelf] voor God te verbergen. En Jeremia zegt:

Het hart is bedrieglijker dan alles,

en het is buitengewoon zwak – wie kan het weten?

Als gevolg van de zonde lijdt het hart aan een vreselijke ziekte en beweert: “Wie kan het weten?” Dit is de essentie van het kwaad van de zonde – het verbergt voor een persoon Gods hashgachah / voorzienige zorg … De reparatie is bekentenis (viddui) – erkennen dat er geen verbergen is voor de Goddelijke Aanschijn! De Schepper van het Universum ziet en kent iemands cheyt / zonde; op het moment van de zonde zelf ziet God het. Bovendien geeft God de persoon koach / kracht; en met de koach / kracht die God hun schenkt, begaan zij de zonde. Wanneer men dit echter belijdt en het scherm verwijdert dat hen scheidt van de Schepper van het Universum, eren zij door deze daad de Gezegende Schepper en komen zij tot Hem.

Wat hieruit voortkomt, is de daad van viddui, wat in wezen een gebed is. … Dit is precies ons verzoek: om tot de Heerser van de Wereld te kunnen spreken, terwijl wij God naderen en aan Hem vasthouden, aangezien wij tegen God gezondigd hebben.

De formule van viddui / bekentenis is dus specifiek: Al cheyt she-cha-tanu lfanekha – “Voor de zonde die we jegens U hebben begaan” – dit is de essentie van viddui.

Rav Wolbe vraagt: “Wat moet iemands kavannah / intentie zijn tijdens het uitspreken van de viddui?”

Het moet vergelijkbaar zijn met de hitdavkut / hechting (of toewijding) die men heeft tijdens het Shema of de eerste zegen van de Amidah: een zeer diepe verbondenheid voelen… Men moet kalm en met een kalme geest beginnen met het uitspreken van zijn zonden voor de Heerser van de Wereld, zich voorstellend dat Gods hashgachah / voorzienigheid nooit, op enig moment, van hem gescheiden is geweest…

. . . . Iemands innerlijke zelf wordt onthuld wanneer hij of zij voor de Gezegende staat met kavannah / intentie en met d’veikut / hechting, naar vermogen en begrip. Juist voor Gods Goddelijke hashgachah / voorzienigheid wordt iemand volledig onthuld, samen met al zijn of haar zonden. Men dient met zekerheid te weten en te geloven dat zijn of haar viddui / berouw is aanvaard en dat zijn of haar viddui / berouw ten hemel is gestegen.

Deze dagen van Elloel en de y’mei Ratzon vormen onze warming-up voor de heiligste dagen van ons jaar: Rosh Hasjana en Jom Kippoer. Het spirituele werk van deze dagen is van groot belang. Als studenten van Mussar biedt het zielenwerk dat we door het hele jaar doen een vruchtbare bodem waarop we ons kunnen voorbereiden op de Yamim Noraim – moge dat ons zegenen en een nieuw jaar van goede gezondheid, zoete zegeningen, genezing en shalom brengen!

VOOR FOCUS:

  • Stel je voor dat je je eigen “rol” hebt. Wat staat daar geschreven over het jaar dat nu eindigt en waarvoor je je geroepen voelt om viddui / belijdenis te doen?
  • Voel je op een bepaalde manier een “verhulling” of een “barrière” tussen jezelf en jouw opvatting van de Heilige? Welke middot zou je kunnen gebruiken om die barrière te verwijderen, terwijl je je voorbereidt om 5786 te betreden?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.