Parasha Shoftiem
Opnieuw een overeenkomst tussen onze Torah, het leven en onze wereld. Na een leven lang Torah-studie en meer dan 42 jaar als rabbijn, zou het mij niet meer moeten verbazen. En, eerlijk gezegd, dat doet het ook niet. Wat ik wél blijf ervaren, is een voortdurende fascinatie, steun en voeding vanuit de niveaus van interpretatie die ik ontdek door onze Joodse generaties heen.
Ik begon voor het eerst een Mussar-lens toe te voegen aan mijn Torah-studie toen ik nog fulltime rabbijn was in Massachusetts. Ik had het Mussar-gedeelte van onze rijke traditie al ontdekt via het boek “Het Heilige in het Alledaagse” van Alan Morinis en toen ik had deelgenomen aan de training voor rabbijnen, aangeboden door het Mussar Institute en de Union for Reform Judaism. Zo begon ik va’adim te leiden in mijn gemeente. Dat was nieuw voor mij. Het was spannend, en ik voelde gewoon dat er meer was. Ik begon op internet te zoeken en ontdekte een site die jarenlang wekelijkse lessen over de parasha had gepubliceerd, gebaseerd op de lessen van rabbijn Shlomo Wolbe. Ik had zijn naam wel gezien in TMI-materiaal, maar was grotendeels onbekend met zijn werk. Toen ik deze bron vond, begon ik de lessen te delen met mijn wekelijkse Torah-studie Minjan in onze gemeente op Shabbat-ochtend. Velen in de groep waren geïntrigeerd door deze nieuwe kijk op onze Torah. En dus bleef ik zoeken. Hoe meer ik zocht, hoe meer ik vond.
Onze parasha van deze week, Parasha Shoftiem, opent met deze woorden:
שֹׁפְטִ֣ים וְשֹֽׁטְרִ֗ים תִּֽתֶּן־לְךָ֙ בְּכׇל־שְׁעָרֶ֔יךָ אֲשֶׁ֨ר יְהֹוָ֧ה אֱלֹהֶ֛יךָ נֹתֵ֥ן לְךָ֖ לִשְׁבָטֶ֑יךָ וְשָׁפְט֥וּ אֶת־הָעָ֖ם מִשְׁפַּט־צֶֽדֶק׃
Rechters en gerechtsbeambten moet je binnen al je poorten, die de Eeuwige, je God, je voor je stammen zal geven aanstellen, die volgens rechtvaardige rechtsprincipes het volk berechten.
“Rechters en rechtsbeambten!” – wat een begrippen. Eind vorige week studerend op dit gedeelte, stuitte ik op een les van rabbijn Avraham Joffen uit zijn werk HaMussar v’HaDa’at. Zijn les begint met:
Rabban Shimon ben Gamliël zei: Wees niet moe van rechtspreken, want het is één van de drie pijlers van de wereld. Want onze Wijzen leerden: ‘Op drie zaken steunt de wereld – op tzedek / rechtvaardigheid, op emet / waarheid en op shalom / vrede.’ Zorg er daarom voor dat je het recht niet verdraait, want daarmee schud je aan het fundament van de wereld zelf.
Rabbijn Joffen merkt op:
Op het eerste gezicht is het moeilijk te begrijpen waarom er zo’n strenge waarschuwing zou moeten zijn om niet moe te worden van rechtspreken. Zou iemand zich werkelijk kunnen voorstellen verveeld te worden van rechtspreken, zelfs als rechtspreken niet één van de pijlers van de wereld zou zijn – dat het zo’n dringende terechtwijzing vereist? Maar bij nadere beschouwing kunnen er diepere redenen worden gevonden voor de noodzaak van deze woorden.
Op de eerste plaats leerden onze Wijzen dat over iemand die het niveau van juridisch onderricht heeft bereikt, en die weigert te onderwijzen, dat er over zo iemand geschreven staat: ‘velen zijn door haar ten val gebracht.’
Als een Torah-geleerde tegen zichzelf zou zeggen: ‘Wat heb ik te maken met de lasten van de gemeenschap en hun disputen? Laat mijn ziel met rust zijn.’ Zo iemand, wordt ons geleerd, vernietigt de wereld…
Zo vinden we in Midrash Tanchuma: Toen rabbijn Abba op het punt stond deze wereld te verlaten, kwam zijn neef binnen en trof hem huilende aan. Hij vroeg: “Meester, waarom huilt u? Hebt u de Torah niet bestudeerd en onderwezen? Hebt u geen leerlingen die voor u zitten? Hebt u geen daden van goedheid verricht? Bovendien hebt u zich ver gehouden van rechtspreken en hebt u zichzelf niet aangesteld over gemeenschappelijke noden!” Rabbijn Abba antwoordde: “Mijn zoon, juist dáárom huil ik – uit vrees dat ik ter verantwoording zal worden geroepen omdat ik de rechtszaken van Israël niet heb berecht, terwijl ik daartoe wel in staat was.”
We zien dus dat hij, ondanks al zijn grote daden, zich nog steeds tekort voelde schieten omdat hij zich niet had ingezet voor de uitvoering en het nastreven van tzedek / rechtvaardigheid.
Tegenwoordig bestaan er in de meeste landen en samenlevingen structuren die toezicht houden op de uitvoering van juridische zaken en rechtspraak. En Rav Joffen gaat dieper in op enkele lagen hiervan met betrekking tot de samenleving. Maar later in zijn betoog geeft hij een beetje Mussar voor ieder van ons, als hij onderwijst:
De vermaning van de Wijzen kan als volgt worden uitgelegd: een mens mag niet laks zijn in zijn streven naar de verheven status die nodig is om rechter te zijn. Dit vereist dat men zich verheft boven alle overwegingen van rijkdom en volledig de angst voor sterfelijke opinies uit het hart verwijdert. Zelfs als iemands Torah-kennis voldoende is voor de rol, is alleen dat nog niet genoeg, tenzij hij ook een uitzonderlijk karakter bezit, waarbij de zoektocht naar slechts de waarheid zijn pad verlicht.
“Tenzij hij een uitzonderlijk karakter bezit.” Dáár ligt onze waarschuwing, onze opdracht. Als we terugkijken naar het citaat (hierboven) uit Pirkei Avot waarmee Rav Joffen zijn betoog begon, zien we hoe hij zijn volgende punt opbouwt:
Inderdaad, zonder de pijler van tzedek / rechtvaardigheid kunnen zelfs de andere twee pijlers – emet / waarheid en shalom / vrede – geen stand houden. Zoals de Jeruzalemse Talmoed leert: “Deze drie zijn één: als tzedek / rechtvaardigheid wordt gevestigd, wordt emet / waarheid gevestigd, en wordt er shalom / vrede gemaakt…”
Uiteindelijk, zijn shalom / vrede en shlemoet / heelheid, samen met kedoesha / heiligheid, belangrijke doelen voor ons leven in deze wereld. Rav Joffen onderstreept zijn punt met een verwijzing naar een belangrijke les van onze Wijzen:
“Het zegel van de Heilige is Waarheid.” Wie dit zegel wil gebruiken, moet zelf waarlijk waardig zijn. Dit is alleen mogelijk voor iemand wiens enige streven het is om goed te doen voor de gemeenschap, en wiens liefde voor waarheid al zijn daden leidt.
Rav Joffen’s les sluit af met de woorden: “In het licht van dit alles, wie kan werkelijk de moed vinden om de zetel van het oordeel te benaderen, behalve hij wiens intenties het zuiverst zijn?”
We zouden zijn betoog kunnen lezen als een leidraad voor dayaniem / rechters, of zoals onze parasha hen noemt, shoftiem. Toch geloof ik dat hij ons allen richtlijnen geeft. Wij moeten bijdragen aan het in stand houden van de drie pilaren waarop onze wereld rust. Wij moeten de aanwezigheid van tzedek / rechtvaardigheid, emet / waarheid en shalom / vrede versterken. Vanuit een Mussar-benadering begint dat met ons innerlijk zielenwerk, terwijl we onszelf versterken, en zo naar buiten toe treden, naar onze relaties, en uiteindelijk naar het behoud van onze wereld. Er is veel te doen in onze tijd – Shabbat en deze maand Eloel bieden ons een kans om te reflecteren op hoe goed wij ons deel van deze taak vervullen.
TER FOCUS:
- Neem een paar minuten voor stille contemplatie. Kijk terug op de voorbije week. Waar heb jij tzedek / rechtvaardigheid, emet / waarheid en shalom / vrede versterkt?
- Kijk vooruit – niet alleen naar de nieuwe week, maar terwijl we op weg zijn naar een nieuw jaar – hoe kun jij tzedek / rechtvaardigheid, emet / waarheid en shalom / vrede versterken? Binnen jezelf? Binnen je relaties? En ten behoeve van het voortbestaan van onze wereld?

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.




