Parasha Re’eh
Eén van de dingen die mij in de loop der jaren, waarin ik de lessen van onze traditie door een Mussar-lens bestudeer, steeds weer treft, is hoe opmerkelijk relevant en betekenisvol deze lessen kunnen zijn in onze tijd. Dit, ondanks het feit dat wij zo ver verwijderd zijn van de periode waarin ze zijn opgesteld.
Ik herinner mij bijvoorbeeld de jaren waarin mijn chevruta-partner en ik intensief Orchot Tzaddikim – “de Paden van de Rechtvaardigen” – bestudeerden. Het auteurschap van deze Mussar-tekst wordt over het algemeen als anoniem beschouwd. Men neemt aan dat het werk in het 15e-eeuwse Duitsland voor het eerst bekend werd. In de jaren dat wij samen Orchot Tzaddikim (ongeveer 2014-2016) bestudeerden ontmoetten wij elkaar in een openbare bibliotheek halverwege onze woonplaatsen. Op weg naar onze studie sessie luisterde ik vaak naar het ochtendnieuws. Daarna brachten wij samen negentig minuten door, en telkens weer dacht ik: “Deze auteur heeft vanmorgen de krant gelezen, of in elk geval naar het nieuws geluisterd – hij spreekt over onze tijd.” Daarmee bedoelde ik niet dat de auteur letterlijk commentaar gaf op actuele gebeurtenissen. Ik realiseerde me eerder dat de menselijke natuur door de millennia heen niet wezenlijk veranderd is. Technologie en levensomstandigheden veranderen wél. Terwijl wij studeerden, had ik voortdurend het gevoel dat Orchot Tzaddikim het gewoonweg had over iets wat zeer relevant was voor de dag waarop wij die passage lazen.
Hoe dieper ik de lessen van onze Mussar-traditie indook, des te meer voelde en zag ik deze resonanties. En ook nu weer, deze week!
In onze Torah-lezing van deze Shabbat, Parasha Re’eh, lezen wij:
וְנִתַּצְתֶּ֣ם אֶת־מִזְבְּחֹתָ֗ם וְשִׁבַּרְתֶּם֙ אֶת־מַצֵּ֣בֹתָ֔ם וַאֲשֵֽׁרֵיהֶם֙ תִּשְׂרְפ֣וּן בָּאֵ֔שׁ וּפְסִילֵ֥י אֱלֹֽהֵיהֶ֖ם תְּגַדֵּע֑וּן וְאִבַּדְתֶּ֣ם אֶת־שְׁמָ֔ם מִן־הַמָּק֖וֹם הַהֽוּא׃
“Jullie moeten hun altaren omver halen, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun afgodisch-vereerde bomen in het vuur verbranden, de uitbeeldingen van hun goden stuk hakken en hun naam van die plaats laten verdwijnen.”
לֹֽא־תַעֲשׂ֣וּן כֵּ֔ן לַיהֹוָ֖ה אֱלֹהֵיכֶֽם׃
“Doe zoiets niet voor de Eeuwige jullie God.”
Toen ik deze week de parasha door de bril van verschillende Mussar-teksten bestudeerde, voelde ik sterke overeenkomsten met onze ingewikkelde en woelige tijd. Eén les trof mij bijzonder, toen ik las in Rabbi Moshe Igbui’s meesterlijke anthologie Chochmat HaMatzpun (“De Wijsheid van het Geweten”). Daarin citeert Rav Igbui Rabbi Aharon Kotler. Zijn reflectie op bovenstaande verzen vond ik bijzonder veelzeggend. Hij begint met Rashi te citeren:
Rashi op zijn beurt citeert de Sifrei waar ons wordt geleerd: Rabbi Yishmael zei: “Maar zou het ooit in je gedachten opkomen dat de Israëlieten de altaren van God zouden afbreken?” De betekenis van **לא תעשון כן / lo ta’asoen ken – “Doe zoiets niet voor de Eeuwige jullie God” is dat je niet moet handelen zoals de andere volken, opdat je zonden er niet toe leiden dat het Heiligdom, gebouwd door je voorouders, ook verwoest wordt.
Daarna verwijst Rav Kotler naar de Talmoed:
In de Gemara staat met betrekking tot dit vers: “Gij zult zo niet handelen” (lo ta’asoen): alleen een daadwerkelijke ‘handeling’ is verboden, maar een indirecte veroorzaking (grama) is toegestaan. Als dat zo is, hoe kunnen wij dit vers dan interpreteren als betrekking hebbend op het indirect veroorzaken van de vernietiging van de Tempel door zondige daden?
Hij gaat verder met een metafoor:
Het is niet de slang die doodt met haar gif, maar de zonde die iemand begaat die doodt. Zo is het met alle straffen. Wanneer een mens een zonde begaat, schept hij door die daad een geestkracht die hem straft. Ook al kan er lange tijd verstrijken tussen de zonde en de uiteindelijke straf, dit komt door Gods eigenschap van lankmoedigheid (erech apayim). Die vertraging houdt de geestkracht om direct te handelen tegen die door de zonde geschapen is, om de mogelijkheid van tesjoeva / inkeer open te laten, en om ruimte te laten voor de vrije wil die wij vanuit Mussar zouden verbinden met het concept bechirah / keuze]. We zien dit in Tomer Devorah, hoofdstuk 1, in de uitleg van de eigenschap ‘het dragen van ongerechtigheid’, wat betekent dat God de destructieve kracht die door de zonde is geschapen tegenhoudt, en daardoor ook de straf uitstelt die daaruit zou voortkomen.
Om dit verder te verduidelijken verwijst Rav Kotler naar de eerste hoofdstukken van de Torah, evenals naar Midrash Bereshit Rabbah:
Dit is wat Kaïn zei: “Mijn zonde is te zwaar om te dragen.” Onze Wijzen verklaren: “Zo is het, Kaïn zei: ‘U draagt, onderhoudt en verzorgt de hele wereld, toch is mijn zonde zo zwaar dat U haar niet kunt dragen.’ Want het dragen van zonde is moeilijker dan al het andere.” Alleen al het feit dat zonde ‘gedragen’ moet worden, doet een enorm beroep op de zondaar. Maar de straf die uiteindelijk volgt, is het directe gevolg van het bestaan van de zonde zelf.
Als we dit toepassen op de vernietiging van de Tempel: Als Israël handelt zoals de andere volken, dan is dat geen geval van louter indirecte oorzakelijkheid (grama). Het is een daadwerkelijke daad. Want geen enkel volk heeft de macht de Tempel te vernietigen; het is de geestkracht die door de zonden van Israël zelf geschapen wordt die de vernietiging teweegbrengt.
Dit is als het afschieten van een pijl: de kracht is reëel, en ook al neemt zijn baan tijd in beslag, toch is de uiteindelijke inslag het directe gevolg van de handeling die hem in beweging zette. Zo ook is het met de zonde, de kracht en de essentie ervan zijn hetgeen dat werkelijk de vernietiging teweegbrengt.
We hebben hier niet de gelegenheid om de volledige uitwerking van Rav Kotler’s les uit de doeken te doen. Hij spoort ons echter aan om te proberen de mogelijke gevolgen en consequenties van onze daden te zien.
Laten wij niet voorbijgaan aan het feit dat de naam van onze parasha Re’eh is – ”zie.” Natuurlijk leven wij op dit moment. Toch, terwijl wij op elk moment onze keuzes maken, mogen wij niet negeren wat wij uit het verleden hebben geleerd (hitlamdut !). En wij mogen er ook niet aan voorbijgaan dat we vooruit moeten denken over hoe onze woorden en daden niet alleen onszelf, maar ook anderen zullen beïnvloeden. Ik geloof dat Rav Kotler ons in zijn lezing van onze parasha oproept verder te “kijken” hoe onze woorden en daden anderen kunnen raken, onze familie, onze gemeenschap, ons volk en onze wereld.
Nu wij de maand Elul binnengaan – een tijd om onze cheshbon hanefesh op te maken, het spiritueel onderzoeken van onze zielenroerselen en tesjoeva / inkeer, heeft deze les een krachtige boodschap. Het heilige zielenwerk van Elul en onze Heilige Dagen kan ons helpen het afgelopen jaar te evalueren, onze relaties, ook met ons volk, te onderzoeken, en te werken aan het bepalen van onze levensdoelen en ons Mussar-werk voor het komende jaar. Moge het een jaar worden vol zoete zegeningen, genezing, kracht en sjalom!
TER OVERDENKING:
- Als je buiten jezelf zou kunnen treden, wat zou je dan “zien” dat zielenwerk oproept voor jou in de maand Elul?
- Wanneer je voor een bechirah / keuze staat, hoe kan het perspectief van terugkijken en vooruitdenken jou beïnvloeden?
- Welke middot kunnen je helpen bij het maken van die bechirah?
Shabbat shalom en Chodesh tov!

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.




