Parasja Balak

Parasja Balak presenteert een van de meest ongelooflijke en verwarrende episodes in de Torah. Het is tevens een van de langste verhalende eenheden in de hele Tora (uitgezonderd natuurlijk het verhaal van de Exodus uit Egypte, dat een reeks van met elkaar verweven verhalen is). Balak, de koning van Moab, vreesde de omvang en de kracht van het volk Israël en riep Bil’am op om Israël te vervloeken en daardoor kwaad te doen. Volgens de Torah staat Bil’am bekend als een krachtige waarzegger en effectieve niet-Israëlitische profeet. Zoals de koning van Moab zegt in Numeri 22:6: “Want ik weet dat wie van u een zegen ontvangt gezegend is, en wie van u een vervloeking krijgt ook vervloekt is.” Daarom probeert de koning Bil’am over te halen zijn missie op zich te nemen om alles wat Israël tegen Moab zou kunnen doen, te dwarsbomen.

We kennen dit verhaal, inclusief alle details. Het meest opmerkelijke deel van het verhaal speelt zich af in Bil’ams tweede poging om aan het verzoek van de Moabitische koning te voldoen, nadat hij aanvankelijk had geweigerd de taak op zich te nemen. In zijn tweede poging om aan het verzoek van de koning te voldoen, gaat Bil’ams ezel simpelweg midden op de weg zitten, want het dier ziet een engel van God de weg blokkeren. In Numeri 22:21-27 lezen we:

’s Morgens maakte Bil’am zich reisvaardig, hij zadelde zijn ezelin en hij ging met de hoogwaardigheidsbekleders van Moab mee. God werd boos omdat hij mee ging en een engel plaatste zich op de weg om hem tegen te werken, terwijl hij daar reed op zijn ezelin, met zijn twee bedienden naast zich. Toen de ezelin de engel van de Eeuwige op de weg zag staan, met een getrokken zwaard in zijn hand, week de ezel van de weg af en ging het veld in en Bil’am sloeg de ezelin om haar weer de weg op te sturen.

Toen ging de engel van de Eeuwige op een smal pad staan tussen de wijngaarden, met aan weerszijden een muur. De ezelin zag de engel van de Eeuwige, ze drukte zich tegen de muur en beknelde daarmee Bil’ams voet tegen de muur, waarna hij haar nog meer sloeg. De engel van de Eeuwige was weer wat verderop gegaan en ging nu op een plaats staan zo nauw dat er noch naar rechts noch naar links ruimte was om uit te wijken. De ezelin zag de engel van de Eeuwige en ging liggen onder Bil’am. Bil’am werd woedend en sloeg de ezelin met een stok.

De ezel protesteert tegen Bil’ams mishandeling en roept: “Wat heb ik gedaan dat u me al drie keer geslagen hebt?” Bil’am antwoordde: “Omdat je me voor de gek houdt! Als ik een zwaard bij me had, zou ik je doden.” Al snel ontbloot de engel van God Bil’ams ogen, zodat hij kan zien wat de ezel ziet, namelijk dat de weg is geblokkeerd door een engel van de Eeuwige. Wat een ironie! De ezel kan zien, maar de profeet niet! We zouden ons kunnen afvragen: wat verhindert Bil’am om te zien? Het is inderdaad een vraag die we ons soms in ons eigen leven stellen. Soms worden we zo in beslag genomen door onze vastgeroeste opvattingen, ego of andere factoren dat we worden geblokkeerd om te zien wat er werkelijk voor ons ligt.

In een commentaar gebaseerd op een les van Rabbi Shlomo Wolbe, wordt opgemerkt dat Rav Wolbe leert: “dat waarachtig bewustzijn alleen wordt bereikt wanneer men iets door zijn ogen waarneemt.” In de opening van Alei Shur geeft Rav Wolbe een analogie:

Stel je iemand voor die rijdt en naar het uitzicht kijkt. Zelfs als het landschap niet verandert, verandert wat je ziet wel, logischerwijs. We bekijken het uitzicht immers elk moment vanuit een ander perspectief.

Natuurlijk, als we gefixeerd zijn in hoe we bereid zijn het leven en de wereld om ons heen te bekijken, dan hebben we onszelf afgesloten voor de mogelijkheid van verandering en groei. Vanuit een Mussar-perspectief zouden we dit kunnen begrijpen in lijn met de metafoor die Rav Wolbe heeft gegeven. In onze parasja ziet de ezelin, waarvan we aannemen dat zij niet door ego is vertroebeld, wat Bil’am niet kan zien. We kunnen ons afvragen wat Bil’ams vermogen om zich open te stellen vertroebelt: is het de belofte van rijkdom van Balak? Is het angst voor wat Balak zou kunnen doen als Bil’am in zijn missie zou falen? Of, zoals hij in onze tekst uitdrukt, erkent hij, hoewel hij geen Israëliet is, de macht van de God van Israël en accepteert hij dat hij niet kan overwinnen wat God, die hij schijnbaar aanvaardt als de Heerser van het universum, heeft verordend: “Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik zou niets kunnen doen, groot of klein, in strijd met het bevel van God, mijn Eeuwige.” Sterker nog, later in het verhaal verkondigt Bil’am: “Hoe kan ik verdoemen wie God niet heeft verdoemd, hoe kan ik verdoemen wanneer de Eeuwige niet heeft verdoemd?”

We kunnen dit vanuit nog een ander perspectief in onze tekst benaderen. In Numeri 22:41 lezen we: “’De volgende morgen nam Balak Bil’am mee en liet hem de Ba’als hoogten bestijgen van waar  hij een overzicht had over een deel van het volk.” De letterlijke betekenis is dat Balak, de koning van Moab, Bil’am meenam naar een hoge plaats om hem een ​​ander perspectief te geven op wat hij van Bil’am vroeg. Toch mogen we de laatste zin in het vers niet missen: “Van daaruit kon hij een deel van het volk zien.” De middeleeuwse commentator Ramban merkt op: “De Schrift vertelt dat Bil’am niet het hele legerkamp van Israël zag, omdat ze gelegerd waren in vier groepen geplaatst in alle vier windrichtingen van de hemel.”

Hoe vaak nemen we beslissingen en/of vellen we oordelen op basis van gedeeltelijke informatie?

Onze studie en beoefening van Mussar suggereert dat we zo open mogelijk moeten staan ​​om een ​​situatie vanuit zoveel mogelijk invalshoeken te begrijpen. Anavah / nederigheid vereist inderdaad dat we onze eigen plek en ruimte goed inschatten. Kavod / eer vereist dat we accepteren dat anderen hun eigen standpunt hebben en dat we moeten respecteren dat hun ziel een kwestie anders kan begrijpen dan wij. Sh’miat Ozen / aandachtig luisteren roept ons op om het perspectief van de ander te horen. En we kunnen vast en zeker allemaal extra middot bedenken die we kunnen inzetten voor een specifieke vraag of situatie.

Laten we terugkeren naar de metafoor van Rav Wolbe: “Zelfs als het landschap niet verandert, verandert wat men ziet, noodzakelijkerwijs. We bekijken het uitzicht immers elk moment vanuit een ander perspectief. We moeten erkennen dat iemand een groot inzicht kan hebben en tegelijkertijd de emet / waarheid volledig kan missen vanwege zijn eigen innerlijke vooringenomenheid. Mussar roept ons op om ons best te doen om onze vooroordelen te erkennen en daaraan voorbij te gaan, zodat we samen met de mensen om ons heen kedushah / heiligheid kunnen bereiken en de hoogste emet / waarheid kunnen dienen die we mogelijk kunnen bereiken.

TER FOCUS:

  • In onze parasja weigert de ezel te bewegen vanwege de engel die hem de weg blokkeert. (vgl. Numeri 22:23 e.v.) Kan ik mezelf afvragen: Waar in mijn leven zou ego of verlangen mijn morele helderheid kunnen vertroebelen? Welke oefening kan me helpen die blokkade te verwijderen?
  • Uitgaande van het perspectief van Israël streeft Balak ernaar Bil’am inzicht te geven in Numeri 22:41. Kan ik oordelen wanneer ik alleen maar naar een situatie kijk vanaf de “buitenkant”? Welk dieper begrip zou ik kunnen krijgen als ik mijn perspectief verruim?
  • Op welke manieren in mijn leven vertroebelt het ego mijn perceptie van de realiteit of de waarheid? Hoe kan het beoefenen van anavah / nederigheid ruimte creëren voor helderder spiritueel inzicht?

Download deze parasha

Oorspronkelijke Engelse tekst (met voetnoten)
Use the link to read the original text in English.